Door: Stan van Houcke

Gepubliceerd door: Stanvanhoucke Blogspot (30-4-2017)

 
In de NRC van zaterdag 29 april 2017 vertelde Bas Heijne zijn lezers:

 
Niemand kun je meer vertrouwen… Iedereen die tegenwoordig iets te verkopen heeft, weet dat je dat het best kunt doen door ongemerkt te verleiden. Het gaat om een sfeer… Tegen imitatie heeft niemand bezwaar, wel tegen manipulatie, dus moet je vooral voorkomen dat het eerste als het tweede wordt ontmaskerd… In zijn net verschenen boek Superverslavend beschrijft docent marketing en psychologie Adam Alter hoe we steeds beter weten hoe we mensen kunnen sturen. Zijn boek gaat over toenemende gedragsverslaving onder mensen als u en ik, over hoe we door bedrijven en ontwerpers steeds beter verleid worden om volledig op te gaan in de wereld van het scherm, door gebruik van ‘digitaal suiker,’ doortrapte trucjes om ons verslingerd te maken aan apps, spelletjes en sociale media. We denken dat we spelen, maar we worden bespeeld… wat doet dit met onze samenleving? Die staat steeds meer in het teken van manipulatie door verleiding. De zachte hand regeert. We denken dat we zelf mogen beslissen, dat we bewuste, rationele wezens zijn die weten wat ze willen, maar intussen worden we omringd door bedrijven en instituties die ons vet gezellig in die droom laten, terwijl ze ons intussen ongegeneerd en onzichtbaar nudgen, neuromarketen en influencen. We zijn gewoon een gewillige prooi. Kritiek hierop maakt tot nu toe niet veel indruk… Maar er knaagt iets. En wanneer iets eens niet verleidelijk en comfortabel is, wanneer iets lastig en moeilijk te verteren is, is dat steeds moeilijker te verkopen. Dat kan juist wel vaak op gierend wantrouwen en blinde ontkenning rekenen. Het verklaart de gemakkelijk te organiseren afkeer tegen experts en expertise. Zoals ik Donald Trump begin 2016 hoorde zeggen tijdens een rally: ‘Ze willen dat we over klimaatverandering praten — ik zeg, kijk naar buiten!’ Buiten sneeuwde het. De natte en de opgestoken vinger, ze zijn steeds moeilijker van elkaar te onderscheiden.
Spreekt de zogeheten ‘powerduider pur sang’ Heijne hier nu over zijn eigen rol als opiniemaker van een mainstream-krant, die eerder president Reagan ‘een safe pair of hands’ had genoemd, ‘[i]emand iemand aan wie je de boel kon overlaten,’ terwijl deze Amerikaanse president in werkelijkheid een genocidale terreurcampagne in Midden-Amerika steunde? Ik stel die vraag omdat de meningen van deze columnist doorgaans een schoolvoorbeeld zijn van hoe ‘we worden bespeeld,’ met als gevolg dat ‘onze samenleving,’ ik citeer Bas opnieuw, ‘steeds meer in het teken van manipulatie’ staat. Maar wat werkelijk ‘knaagt,’ is volgens hem toch iets anders, namelijk dat ‘wanneer iets lastig en moeilijk te verteren is, dat steeds moeilijker te verkopen,’ is, met als gevolg dat de zogeheten ‘experts en expertise’ van onder andere de mainstream-media in toenemende mate ‘afkeer’ oproepen. Maar heeft de opportunistische Heijne het nu over zijn eigen werk? Het antwoord is volmondig: NEE, geenszins, integendeel zelfs, hij bekritiseert de houding van ‘het volk,’ op sleeptouw genomen door ‘populisten,’ en merkt in verband hiermee op:
‘People are tired of experts,’ beet de Britse politicus Michael Gove een opposant toe in de aanloop van de Brexit. Onderzoek, rapporten, evaluaties, kennis van zaken, juist wanneer die je een complexe werkelijkheid voorschotelen, die niet aansluit op je beleving, die je niet onderdompelen in een weldadig bad van pleasende verleiding — dan moet er een luchtje aanzitten. Soros! Het verklaart die paradoxale mengeling van hedendaagse gedweeheid en opstandigheid. Wat aangenaam voelt en je goed uitkomt, accepteer je blindelings. Wat je oproept je leven te veranderen, offers te brengen, is manipulatie, maffia, massahysterie.
Hier verspreidt Heijne wederom het aloude elite-standpunt dat ‘het volk’ niet in staat is de eigen werkelijkheid te beoordelen. Dat kunnen alleen de ‘experts’ met hun ‘expertise,’ dezelfde ‘experts’ die met hun briljante ‘expertise’ niet bij machte bleken om de onvermijdelijke kredietcrisis in 2008 te voorspellen, én de daarop volgende economische depressie, dezelfde ‘experts’ die een halve eeuw geleden niet voorzagen hoe de kapitalistische roofbouw op een desastreuze klimaatverandering zou uitlopen, of bijvoorbeeld niet beseften dat de illegale Shock and Awe inval in Irak, onder aanvoering van de VS, tot de ontwrichting van het hele Midden-Oosten zou leiden en tot de opkomst van ISIS. Sterker nog: de journalistieke ‘experts’ bij de NRC, met al hun ‘expertise’ en aangestuurd door hun financiële, politieke en militaire bronnen, adviseerden op de dag van de inval, 20 maart 2003:
Nu de oorlog is begonnen, moeten president Bush en premier Blair worden gesteund. Die steun kan niet blijven steken in verbale vrijblijvendheid. Dat betekent dus politieke steun — en als het moet ook militaire,
een advies waarvoor opiniemaker Heijne nooit zijn excuses heeft aangeboden, aangezien hij ervan uitgaat dat zijn publiek aan dezelfde amnesia lijdt als hijzelf, en dus morgen al niet meer weet wat Bas een dag eerder heeft beweerd. Zich verschuilend achter de waan van de dag, kan elke onbeschaamde broodschrijver voortdurend hoog van de toren blazen, zonder dat iemand van de zelfbenoemde ‘politiek-literaire elite’ in de polder hem ter verantwoording roept. Zonder ‘kennis van zaken’ de kluit belazeren, en vervolgens onweersproken anderen beschuldigen van een gebrek aan ‘expertise,’ kan, want in het land der blinden is éénoog koning, en in zijn blote bips paraderend, heeft hij niemand te vrezen. Heijne bewijst als bijna geen ander van het Nederlandse journaille hoe juist Bill O’Reilly’s opmerking was toen die tegen een studiogast zei: ‘U weet dat in showbusiness, politiek en al het andere perceptie de werkelijkheid is.’ De praatjesmakers van de commerciële massamedia moeten het allereerst en vooral hebben van het managen van die ‘perceptie.’ Een hele klus, omdat door de komst van internet de ‘vrije pers’ niet langer het monopolie bezit op de berichtgeving, en daarmee niet meer exclusief de waarheidsvinding kan bepalen. Vandaar dat de voormalige presentator van RTL Nieuws, Rick Nieman, volgens eigen zeggen, blijft ‘hameren op het feit dat wij als journalisten uit onze bubbel moeten treden,’ vooral ook omdat de platgeslagen, gelijkgeschakelde burger, ‘de héle tijd geconfronteerd’ wordt met  zogenaamd ‘nieuws,’ dat ‘het perspectief van de normale wereld’ onzichtbaar maakt.Als ‘expert’ bij uitstek weet Nieman dat ook hijzelf tijdens zijn negentien jaar durende presentatorschap van RTL Nieuws er niet in is geslaagd uit zijn journalistieke ‘bubbel’ te ‘treden.’ 

Zelfs de lezer van zijn boek Wat Wij van Amerika Kunnen Leren. Een Optimistisch Verhaal over Het Beloofde Land (2016), weet dit, aangezien Nieman afsluit met het betoog dat de VS, in tegenstelling tot Europa, ‘wel een antwoord lijkt te hebben’ op de snel veranderende arbeidsmarkt, waardoor het in ‘het beloofde land’ niet ‘tot een ontwrichting van de maatschappij’ leidt. Want, zo citeert hij een ‘Nederlandse CEO die een gebrek aan urgentie signaleerde bij Nederlandse werknemers’ zodra ‘er geen werk is voor’ hen ‘zullen ze steeds ontevredener worden, waardoor bewegingen als de PVV sterker worden.’ Deze ontwikkeling kun alleen worden voorkomen ‘door het klimaat voor ondernemers zo gunstig mogelijk te houden, en al bestaande ondernemers iets meer te waarderen,’ en juist daarom kunnen ‘wij van Amerika leren,’ aldus Rick vanuit zijn ‘bubbel’ in 2016, het jaar dat presidentskandidaat Donald Trump met zijn optreden het totale failliet van het Amerikaanse systeem aan de kaak stelde, zonder dat de door het polder-publiek als bijzonder ‘betrouwbaar’ geachte Nieman kennelijk iets doorhad. Zo diep afgeschermd van de werkelijkheid was hij dat hij een maand voordat Trump werd gekozen tegenover het weekblad Panorama verklaarde: ‘Echt, ik eet mijn boek op als Trump de presidentsverkiezingen wint. Ik kan me gewoon niet voorstellen dat hij Hillary verslaat.’  Rick Nieman was als mainstream-journalist er honderd procent van overtuigd dat ‘[h]et Amerikaanse stelsel,’ zoals hij het corrupte neoliberale systeem noemde, ‘beter bestand [is] tegen de maatschappelijke onvrede over de politiek,’ en wel omdat ‘[i[n het Amerikaanse tweepartijenstelsel er minder noodzaak [is] tot het sluiten van compromissen. Wie aan de macht komt, kan veel van zijn ideeën doorvoeren,’ aldus de ‘expertise’ van de wereldvreemde journalistieke ‘expert,’ die kennelijk niet weet dat presidentskandidaten zowel worden gekocht als verkocht, en kennelijk ook nooit een kritisch boek van een Amerikaanse intellectueel heeft gelezen, waarmee hij nog eens bewijst hoe waar zijn opmerking tegenover HP/De Tijd was dat
heel veel journalisten die ik door de jaren heen heb leren kennen, helemaal niet nieuwsgierig [zijn]. Dat verbaast me altijd zo. Het kon ze allemaal geen reet schelen hoe de wereld in elkaar zit, want dat wisten ze al. En dus deden ze lekker dat doorgeefwerk. Het zijn er dus niet veel die het kunnen…
Ondanks het feit dat ook hij makkelijk te weerleggen ‘fake news’ verkoopt, maakt hij zich, volgens eigen zeggen, toch ‘meer zorgen als mensen minder nieuws gaan lezen. Steeds meer jongeren keren zich ervan af. Bij de tv noemen ze het cord cutters, ze knippen gewoon de kabelkoorden door, want waarom zou je nog televisie kijken?’ Zonder het te beseffen begaat Nieman hier een schitterende Fehlleistung, want in werkelijkheid verwijst
Cord cutting to the process of cutting expensive cable connections in order to change to a low-cost TV channel subscription through over-the-air (OT) free broadcast through antenna, or over-the-top (OTT) broadcast over the Internet,
terwijl hij in feite bedoelt dat ‘the umbilical cord,’ dus de navelstreng wordt doorgeknipt tussen de kijker en en de televisie, die als een moeder haar kind vertelt hoe de wereld in elkaar zit. De vraag is inderdaad: ‘waarom zou je nog televisie kijken?’ Om het propagandistische ‘fake news’ van Nieman en zijn mainstream-collega’s te blijven slikken? Om hun officieel gesanctioneerde ‘doorgeefwerk’ over zich heen te laten komen? Om hun ‘bubbel’ in stand te houden? Waarom zou de postmoderne burger de commerciële media voortdurend volgen? Omdat de ‘power duider’ Bas Heijne zich bedreigd voelt door het feit dat de burger zijn zogenaamde ‘expertise’ niet meer gedwee slikt? Of omdat Max van Weezel, het voormalige ‘icoon binnen de Haagse journalistiek’ in het maandblad Vrij Nederland van april 2017 meedeelt dat ‘[t]oen ik Mark Rutte in 2002 als beginnend staatssecretaris van Sociale Zaken leerde kennen, hij me een vooruitstrevende VV’er [leek],’ om pas 15 jaar later tot de ontdekking te komen dat de politicus ‘Rutte een man met vele gezichten’ is? Waarom zou iemand überhaupt de parlementaire pers volgen, wanneer men weet dat Van Weezel bij zijn vertrek als ‘icoon’ van de ‘vrije pers’ tegen de Volkskrant opmerkte dat de journalisten en politici al die jaren te ‘dicht op elkaar’ hadden gezeten en dat dit ‘niet bevorderlijk [is] voor een gezonde afstand tussen politici, voorlichters en journalisten,’ een feit dat het publiek al vele jaren eerder doorhad? Bovendien besefte de buitenwereld eveneens allang dat voor de arme Max de regel gold dat ‘je je plek in de pikorde [wilt] behouden,’  en gezien het feit dat hij er decennialang bleef plakken het Binnenhof voor hem ‘een leuke omgeving’ was ‘om je leven te slijten,’ want ‘lang leve de recepties met glazen rode wijn en schalen bitterballen.’ Van Weezel kon zich niks leukers voorstellen, omdat ‘ik me wel aangetrokken [voel] tot een hedonistisch leven. Het is een soort verlengd studentenbestaan tot je 63ste.’ Een heel werkzaam leven lang zocht hij naar erkenning. Als joodse jongen wiens moeder getraumatiseerd de holocaust had overleefd, wilde hij ‘niet zielig gevonden [worden], geen mislukkeling zijn,’ om op zijn oude dag tot het tragische besef te komen dat
[i]k me decennialang [heb] verscholen achter de façade van de geslaagde journalist. In Den Haag stonden de Mark Ruttes en Alexander Pechtolds van deze wereld me op de schouders te slaan, ‘dag Max.’ Daar was ik iemand,
maar die ‘iemand’ was hij niet, want bij zijn afscheid bekende hij:
[a]chteraf denk ik: dat was ik helemaal niet. Ik ben eigenlijk een tamelijk kwetsbare jongen die door zijn ouders is opgevoed met het idee: heel erg dat je geboren bent, vind je niet? 
Als gecorrumpeerde mainstream-journalist zal hij evenwel nooit zichzelf kunnen zijn, want
[i]k merkte het afgelopen week weer: met journalistenvakbond NVJ waren we in Den Haag op bezoek bij burgemeester Jozias van Aartsen. Iedereen kreeg een handje, maar bij mij was het meteen: ‘Hé Max, wat leuk dat je bent gekomen. Je telt toch mee, zij het op Madurodam-niveau.
Nadat de mainstream-journalist Van Weezel de kritische journalist Rob Wijnberg van De Correspondent had geïnterviewd, stelde de Volkskrant-interviewster het ‘icoon’ van de parlementaire pers de vraag wat Wijnberg vond van de werkwijze van de massamedia. Max antwoorde:
[a]lles wat hij vertelde tijdens dat interview was kritiek op wat ik mijn hele leven heb gedaan. Hij vindt het hyperig, nep-nieuws, te veel gericht op de poppetjes. Joris Luyendijk heeft de parlementaire pers in 2010 dezelfde spiegel voorgehouden.
Ja, dat komt even hard aan. Er zit namelijk wel wat in. Ik heb me decennialang bezig gehouden met de dingen die op dat moment, op de vierkante meters van het Binnenhof, belangrijk werden gevonden. Als een staatssecretaris in de problemen kwam door een interview, kreeg ik complimenten van collega’s. Terwijl nu, dertig jaar later, niemand weet wie die staatssecretaris was.
Er lopen talloze Max van Weezel’s rond in de polder-journalistiek. Hij is als het ware exemplarisch voor het nauwelijks verhulde minderwaardigheidscomplex van een aanzienlijk aantal journalisten dat zo dicht mogelijk tegen de macht wil aankruipen. Het problematische is dat, zoals Rick Nieman terecht opmerkte, ‘mensen de wereld zien door de ogen van de media,’ terwijl zij niet weten hoeveel hopeloze, gefrustreerde, narcistische types ‘de media’ bevolken. Ik heb in mijn meer dan vier decennialange ervaring in de journalistiek opmerkelijk weinig journalisten ontmoet die nadachten over hun eigen gevoelens en gedrag, en het effect dat hun verslaggeving op het publiek had. Het is één van de grote tekortkomingen van de Nederlandse journalistiek. De Amerikaanse oud-New York Times correspondent Chris Hedges wees in dit verband tijdens een televisie-uitzending van zondag 23 april 2017 op het volgende:
A society that looses the capacity for introspection ultimately extinguishes itself. The corporate war on the arts, which include the impoverishment and marginalization of the artist, severs us from the forces that hold up a mirror to our true selves. These artistic forces delineate (beschrijven. svh) in a way that a society entrenched by fantasy fails to understand the difference between reality and illusion, between who we are and who we think we are. O’Neill, like James Baldwin, understood that our failure to grasp the reality of what it means to be white Americans keeps us trapped in lives that — as Baldwin said — are empty, tame and ugly. O’Neill in ‘Mourning Becomes Electra’ exposes the evil within us, an evil that has been growing in the American house since it was built. O’Neill wrote ‘one’s outer life passes in a solitude haunted (gekweld. svh) by the masks of others; one’s inner life passes in a solitude hounded (opgejaagd. svh) by the masks of oneself.’
Deze beschrijving is waar het in feite allemaal om draait, de leugen van de virtuele werkelijkheid die de massamedia verspreiden en in stand houden en die de burger steeds meer het gevoel geeft opgejaagd te zijn door een gemaskeerde dwaasheid die doorgaat voor het normale leven, en waaruit maar weinigen weten te ontsnappen. De opiniemakers weten dit, niet voor niets stelde Bas Heijne in zijn NRC-column onder de kop ‘Prooi’ dat iedereen vandaag de dag ten prooi valt aan reclame en ideologie, en dat zodoende je ‘niemand meer’ kunt ‘vertrouwen,’ immers
[i]edereen die tegenwoordig iets te verkopen heeft, weet dat je dat het best kunt doen door ongemerkt te verleiden. Het gaat om een sfeer. Tegen imitatie heeft niemand bezwaar, wel tegen manipulatie, dus moet je vooral voorkomen dat het eerste als het tweede wordt ontmaskerd,
aldus de man die zelf met de regelmaat van de klok vluchtige emoties verkoopt in plaats van rationele argumenten, en dus uit ervaring spreekt. Dat de journalistiek manipuleert en propaganda bedrijft is een al lang wetenschappelijk aangetoond feit, Adam Alter vertelt niets nieuws, maar dat is Bas Heijne al die jaren ontgaan, net zoals hij pas in 2015 tot de ontdekking kwam dat de ‘verlichtingsidealen’ niet verwezenlijkt zijn. ‘[H]oe we mensen kunnen sturen,’ wist de mainstream-journalistiek al een eeuw geleden. Als Heijne zich had verdiept in zijn onderwerp zou hij op de hoogte zijn geweest van het feit dat onder andere de Amerikaanse historicus Stuart Ewen in zijn omvangrijke studie PR! A Social History of Spin (1996) tot de slotsom was gekomen dat al vanaf de jaren twintig van de vorige eeuw ‘the mass media, dominated by commercial interests, would provide subservient channels through which a broad public might be schooled to a corporate point of view.’ In zijn boek Crystallizing Public Opinion uit 1923 (!) zette Edward Bernays, neef van Sigmund Freud en één van de grondleggers van de Public Relations-industrie uiteen:
The minority has discovered a powerful help in influencing majorities. It has been possible so to mould the mind of the masses that they will throw their newly gained strength in the desired direction. Propaganda is the executive arm of the invisible government.
Vanzelfsprekend werd Bernays rijkelijk beloond voor zijn beschouwingen over ‘the concious and intelligent manipulation of the organized habits and opinions of the masses,’ dat een ‘indispensable feature of democratic society’ was geworden, zoals hij zelf het treffend omschreef. Vanaf toen wist de ‘intelligent few,’ deze ‘invisible wire pullers,’ zoals hij hen noemde, hoe ze ‘continuously and systematically’ de voorname taak van ‘regimenting the public mind’ het best konden uitvoeren. Bernays’ inzichten werden zowel door democratische als nationaal-socialistische regimes toegepast, in 1999 werd hij door Life-magazine uitgeroepen tot ‘one of the 100 most influential Americans of the 20th century.’ De nazi-minister van Propaganda, Joseph Goebbels, had Bernays’ werk in de boekenkast staan van zijn werkvertrek om het regelmatig snel te kunnen raadplegen. Bernays stelde al in 1928 in zijn boek Propaganda dat ‘the engineering of consent the very essence of the democratic proces’ was, ‘the freedom to persuade and suggest,’ waardoor ‘[t]hose who manipulate this unseen mechanism of society constitute an invisible government which is the true ruling power of our country.’ In feite paste hij de inzichten toe van zijn oom, de wereldberoemde psycho-analyticus Freud die betoogde dat de macht van het ‘suggereren,’ in feite ‘een onbedwingbaar, primitief verschijnsel is,’ en ‘een fundamenteel feit in het geestelijk leven van de mens,’ datonlosmakelijk verbonden was met zijn seksuele bestaan. Eros en Thanatos, de levensdrift en doodsdrift als ‘onbedwingbare’ primaire krachten, die ook het ‘geestelijke leven’ bepalen. In diezelfde jaren twintig verklaarde de invloedrijke Amerikaanse ‘entrepreneur, economist and business theorist,’ Roger Babson, dat
[t]he war taught us the power of propaganda. Now when we have anything to sell the American people, we know how to sell it. We have the school, the pulpit, and the press.’
Aangezien dit allemaal kennelijk nieuw is voor Bas Heijne en de rest van de Nederlandse mainstream-opiniemakers vertel ik er bij dat ten tijde van de Eerste Wereldoorlog Woodrow Wilson in 1916 herkozen wilde worden als Amerikaanse president, terwijl destijds
most American voters wanted to avoid involvement in the war and preferred to continue a policy of neutrality. Wilson’s campaign used the popular slogans ‘He kept us out of war’ and ‘America First’ to appeal to those voters who wanted to avoid a war in Europe or with Mexico. 
Maar zijn verkiezingsleuze om niet deel te nemen aan de oorlog was een leugen, omdat Wilson, zoals elke Amerikaanse president, allereerst en vooral de ‘America First’ belangen diende van de economische en financiële elite, die ervoor zorgden dat hij naar voren geschoven werd als presidentskandidaat. Tijdens een college aan Columbia University in 1907 vatte Wilson zijn wereldbeschouwing als volgt samen:
Since trade ignores national boundaries and the manufacturer insists on having the world as a market, the flag of his nation must follow him, and the doors of the nations which are closed must be battered down… Concessions obtained by financiers must be safeguarded by ministers of state, even if the sovereignty of unwilling nations be outraged in the process. Colonies must be obtained or planted, in order that no useful corner of the world may be overlooked or left unused.’ 
Om de wereldmarkten te veroveren moest de VS juist wel meedoen aan de Eerste Wereldoorlog, met als gevolg dat ‘America entered the war in April 1917, one month after Wilson’s inauguration as president.’ Om de publieke opinie te enthousiasmeren voor de bloedbaden in de Europese loopgraven werd de ‘Committee on Public Information’ opgericht,
also known as the CPI or the Creel Committee, an independent agency of the government of the United States created to influence U.S. public opinion regarding American participation in World War I. Over just 26 months, from April 14, 1917, to June 30, 1919, it used every medium available to create enthusiasm for the war effort and enlist public support against foreign and perceived domestic attempts to undercut America’s war aims. It primarily used propaganda techniques to accomplish these goals.The Committee on Public Information, also known as the CPI or the Creel Committee, was an independent agency of the government of the United States created to influence U.S. public opinion regarding American participation in World War I. Over just 26 months, from April 14, 1917, to June 30, 1919, it used every medium available to create enthusiasm for the war effort and enlist public support against foreign and perceived domestic attempts to undercut America’s war aims. It primarily used propaganda techniques to accomplish these goals.
Hoewel Geert Mak in zijn bestseller Reizen zonder John. Op zoek naar Amerika (2012) met grote stelligheid verkondigt dat het de ‘Amerikaanse presidenten, Wilson en Roosevelt [waren], die de aanzet gaven tot een hele reeks internationale instituten die, ondanks alle problemen, een begin van orde brachten in de mondiale politiek en economie,’ is de werkelijkheid dat ‘[u]nder Wilson, the United States intervened in Latin America more often than at any other time in our history, en Wilson ‘[i]n the summer of 1918 authorized a naval blockade of the Soviet Union and sent expeditionary forces to Murmansk, Archangel, and Vladivostok to help overthrow the Russian Revolution.’ Over welke ‘orde’ Mak het heeft, blijkt uit het werk van ondermeer de Amerikaanse historicus James W. Loewen, die in zijn ‘National Bestseller,’ getiteld Lies My Teacher Told Me. Everything Your American History Book Got Wrong (1995), dat  
[w]ith hindsight we know that Wilson’s interventions in Cuba, the Dominican Republic, Haiti, and Nicaragua set the stage for the dictators Batista, Trujillo, the Duvaliers, and Somozas, whose legacies still reverberate.
Wilson zond bovendien troepen naar Mexico om daar Amerikaanse investeringen veilig te stellen. Piero Gleijesus, hoogleraar aan de prestigieuze Johns Hopkins University en ‘expert’ op het gebied van ‘US intervention in Latin America,’ schreef:
It is not that Wilson failed in his earnest efforts to bring democracy to these little countries. He never tried. He intervened  to impose hegemony, not democracy. 
Loewen:
The United States also attacked Haiti’s proud tradition of individual ownership of small tracts of land, which dated back to the Haitian Revolution, in favor of the establishment of large plantations. American troops forced peasants in shackles to work on road construction crews. In 1919 Haitian citizens rose up and resisted U.S. occupation troops in a guerrilla war that cost more than 3,000 lives, most of them Haitian […] George Barnett, a U.S. marine general, complained to his commander in Haiti: ‘practically indiscriminate killing of natives has gone on for some time,’
hetgeen de historicus James Loewen tot de conclusie voert dat Wilson’s politiek in de praktijk gebaseerd was op drie drijfveren: ‘colonialism, racism, and anticommunism.’ En het was deze  door Mak zo geprezen, racistische, Woodrow Wilson die
personally vetoed a clause on racial equality in the Covenant of the League of Nations… Wilson’s legacy was extensive: he effectively closed the Democratic Party to African Americans for another two decades, and parts of the federal government remained segregated into the 1950s and beyond… Wilson was an outspoken white supremacist who believed that black people were inferior. During his campaign for the presidency, Wilson promised to press for civil rights. But once in office he forgot his promises. Instead, Wilson ordered that white and black workers in federal government jobs be segregated from one another… When black federal employers in Southern cities protested the order, Wilson had the protesters fired.
Geert Mak’s ‘begin van orde in de mondiale politiek en economie’ is in de praktijk uitgelopen op de wereldwijde wanorde die misschien wel het duidelijkst wordt gemanifesteerd in het feit dat deze chaos acht individuen zo rijk heeft gemaakt dat zij nu evenveel bezitten als de helft van de hele mensheid tezamen. Loewen wijst er terecht op dat Woodrow Wilson ‘displayed little regard for the rights of anyone whose opinions differed from his own.’ Sterker nog:
[i]n fact Wilson tried to strengthen the Espionage Act with a provision giving broad censorship powers directly to the president. Moreover, with Wilson’s approval, his postmaster general used his new censorship powers to suppress all mail that was socialist, anti-British, pro-Irish, or that in any other way might, in his view, have threatened the war effort. Robert Goldstein served three years in prison for producing The Spirit of ’76, a film about the Revolutionary War that depicted the British, who were now our allies, unfavorably. Textbook authors suggest that wartime pressures excuse Wilson’s suppression of civil liberties, but in 1920, when World War I was long over, Wilson vetoed a bill that would have abolished the Espionage and Sedition acts. Textbook authors blame the anticommunist and anti-labor union witch hunts of Wilsons’s second term on his illness and on an attorney-general run amok. No evidence supports this view. Indeed, Attorney General Palmer asked Wilson in his last days as president to pardon Eugene V. Debs (presidentskandidaat voor de Socialistische Partij), who was serving time for a speech attributing World War I to economic interests and denouncing the Espionage Act as undemocratic. The president replied ‘Never!’ and Debs languished in prison until Warren Harding pardoned him.  
Mak’s en Heijne’s gevaarlijke vertekening van de werkelijkheid heeft beide opiniemakers geen windeieren opgeleverd, Mak werd er miljonair mee en Ridder in het Franse Legioen van Eer, Heijne verkoopt weliswaar minder, maar wordt als ‘powerduider pur sang’ even hoog geprezen door het establishment dat voortdurend op zoek is naar bevestiging van de ‘politiek-literaire elite.’  De macht kan niet zonder sycofanten, zij zou anders in de gapende leegte van haar niet te bevredigen begeerte moeten staren. Het gevolg hiervan is dat — in de woorden van ervaringsdeskundige Bas Heijne zelf — We denken dat we spelen, maar we worden bespeeld.’ Ik had het niet scherper kunnen formuleren, en terecht werpt de ‘scherpste pen van NRC Handelsblad’ de vraag op: ‘wat doet dit met onze samenleving?’ Die vraag is al een eeuw geleden uitgebreid en scherpzinnig beantwoord door de grootste westerse denkers, onder wie Amerikaanse sociologen, de Frankfurter Schule, de Franse postmoderne filosofen, Italiaanse marxisten, Britse literatoren van naam en faam, dichters van vele nationaliteiten, maar kennelijk allemaal vergeefs, tenminste als we afgaan op het bewustzijn van de polder-intelligentsia. De volgens Vrij Nederland absoluut‘beste in zijn vak’ laat anno 2017 zijn lezers weten dat  
[w]e denken dat we zelf mogen beslissen, dat we bewuste, rationele wezens zijn die weten wat ze willen, maar intussen worden we omringd door bedrijven en instituties die ons vet gezellig in die droom laten, terwijl ze ons intussen ongegeneerd en onzichtbaar nudgen, neuromarketen en influencen. We zijn gewoon een gewillige prooi. 
Zo, het hoge woord is eruit. Natuurlijk wisten ‘we’ dit lang voordat Heijne hier ineens achter kwam, en de vraag is dus: waarom komt onze Bas daar nu pas mee? Het antwoord is eenvoudigweg dat hij zichzelf ziet als slachtoffer, als ‘prooi’ van degenen die zich bedienen van ‘manipulatie’ en ‘doortrapte trucjes,’ en niet als dader, als manipulator van zijn publiek. En  om de maskerade volledig te maken volgt zijn omkering dat
wanneer iets eens niet verleidelijk en comfortabel is, wanneer iets lastig en moeilijk te verteren is, is dat steeds moeilijker te verkopen. Dat kan juist wel vaak op gierend wantrouwen en blinde ontkenning rekenen. Het verklaart de gemakkelijk te organiseren afkeer tegen experts en expertise.
Dat is slim, door zich als slachtofferist op te stellen, hoeft hij geen verantwoording af te leggen voor zijn eigen ‘manipulatie’ en ‘doortrapte trucjes’ waarvan ik de afgelopen tijd talloze heb beschreven. Het is dezelfde doortraptheid die ‘we’ telkens weer bij zionistische Israeli’s aantreffen zodra zij bekritiseerd worden voor hun terreur tegen de Palestijnse bevolking. Met deze mensen valt niet praten noch te onderhandelen aangezien ze door hun gecultiveerd slachtofferschap blind zijn voor de werkelijkheid. Ondertussen leidt Bas Heijne’s geclaimde ‘expertise’ tot beweringen als het ‘in alle opzichten superieure Amerika,’ en ‘de immer onkreukbare Barack Obama,’ de eerste Amerikaanse president die zijn volle ambtstermijn van acht jaar, oorlog voerde. Daarnaast verzwijgt de opiniemaker dat ‘de eerste zwarte president’ weinig tot niets van zijn verkiezingsbelofte ‘Change We Can Believe In’ heeft waar gemaakt, en zich nu vorstelijk laat belonen door de financiers van zijn verkiezingscampagnes. Een alles behalve revolutionaire commentator van The Huffington Post berichtte woensdag 26 april 2017 onder de kop ‘Obama’s $400,000 Wall Street Speech Is Completely In Character. Ask all the bankers he jailed for fraud’:

The rumors are true: Former President Barack Obama will receive $400,000 to speak at a health care conference organized by the Wall Street firm Cantor Fitzgerald.
It should not be a surprise. This unseemly and unnecessary cash-in fits a pattern of bad behavior involving the financial sector, one that spans Obama’s entire presidency. That governing failure convinced millions of his onetime supporters that the president and his party were not, in fact, playing for their team, and helped pave the way for President Donald Trump. Obama’s Wall Street payday will confirm for many what they have long suspected: that the Democratic Party is managed by out-of-touch elites who do not understand or care about the concerns of ordinary Americans. It’s hard to fault those who come to this conclusion.
Obama refused to prosecute the rampant fraud behind the 2008 Wall Street collapse, despite inking multibillion-dollar settlement after multibillion-dollar settlement with major firms over misconduct ranging from foreclosure fraud to rigging energy markets to tax evasion. In some cases, big banks even pleaded guilty to felonies, but Obama’s Justice Department allowed actual human bankers to ride into the sunset. Early in his presidency, Obama vowed to spend up to $100 billion to help struggling families avert foreclosure. Instead, the administration converted the relief plan into a slush fund for big banks, as top traders at bailed-out firms were allowed to collect six-figure bonuses on the taxpayers’ dime.
Nothing forced Obama to govern this way. Had he truly believed that prosecuting bankers for obvious criminal fraud would cause an economic collapse, Obama would, presumably, have tried to radically reshape the financial sector. He did not. His administration’s finance-friendly policies damaged the economic recovery and generated a new cohort of Trump voters. As Nate Cohn of The New York Times has demonstrated, nearly one-fourth of Obama’s white working-class supporters in 2012 flipped for Trump in 2016. Racism and misogyny were surely part of Trump’s appeal, but not all two-time Obama voters turned to Trump out of bigotry alone.
It’s easier for Democrats to denounce Trump supporters as morally unworthy individuals than to consider whether governing failures in the Obama era contributed to Trump’s popularity. In the final years of his presidency, Obama made clear that he wanted to be remembered as a great Democratic reformer — a leader who expanded access to health care and embodied the humane, egalitarian side of Franklin Delano Roosevelt and Lyndon B. Johnson. But the disconnect between this progressive vision and his Wall Street record is not trivial. The Obama foreclosure plan hurt families. Refusing to punish financial crime has encouraged more of it. Workers are still digging out from the economic wreckage caused by too-big-to-fail banks in 2008, and those banks are bigger today than they were during the meltdown. Wealth accrues to a tiny population of bank executives and shareholders instead of flowing to households. Society is more unequal, and the prospects for progress depend on a financial sector fraught with unnecessary systemic risk.
This risk is not confined to the Trump presidency. Obama once called economic inequality ‘the defining challenge of our time,’ but Democratic leaders have been steadfastly aligning their own personal fortunes with the very elites the system is rigged to favor…
Obama isn’t running for office again, but his sellout sends even uglier signals to the electorate. Clinton had very limited policy power over the financial sector during her time at the State Department. Obama, on the other hand, had plenty. Voters could be forgiven for seeing a president cash out to Wall Street at the end of his term and concluding that maybe he wasn’t immune to those considerations when he was making policy in office…
What’s most baffling about Obama’s $400,000 payday is the fact that he doesn’t need the money. He and his wife, former first lady Michelle Obama, reportedly received $65 million from Penguin Random House for their memoirs. He is an excellent writer who has already written two best-selling books, and he’ll receive a handsome $200,000 pension from the federal government every year for the rest of his life. Several generations of Obamas will be financially secure. His legacy is not nearly as safe.
Zelfs The New York Times, de belangrijkste spreekbuis van de elite, uitte kritiek op Obama:
During his remarks on Monday to students at the University of Chicago, he spoke about the need to pursue the right things in life, not just fame or money.
‘If you’re more concerned with “I want to be a congressman” or “I want to be a senator” or “I want to be rich,” some people may succeed in chasing that goal, but when they get there, they don’t know what to do with it,’ Mr. Obama said.
But the former president’s departure from office was also marked by the mother of all parties: a celebrity-filled White House romp two weeks before Inauguration Day that went past 4 a.m. and included guests like Meryl Streep, Tom Hanks, Stevie Wonder and Paul McCartney.
Mr. Obama’s first few months after leaving the White House were spent kitesurfing with Richard Branson, the billionaire founder of the Virgin Group, and soaking up the French Polynesian sun with Oprah Winfrey, Bruce Springsteen and Mr. Hanks on a yacht owned by David Geffen, a billionaire and Hollywood mogul.
Mr. Obama and his family now live in an 8,200-square-foot, nine-bedroom home in Washington valued at $6 million. The house, which rents for an estimated $22,000 a month, is in one of Washington’s richest neighborhoods, surrounded by ambassadors, executives and other members of the political elite…
Mr. Obama, who grew up without great wealth, had amassed several million dollars by the time he became president, mostly from sales of his first book, ‘Dreams From My Father.’ He and his wife, Michelle, have each received multimillion-dollar contracts to write new memoirs. Some reports pegged the two book deals together at a total of $60 million.
The Cantor Fitzgerald speech will take place at a hotel in New York, where the firm hopes to woo wealthy investors, mutual fund representatives and hedge fund executives to the conference.
Hillary Clinton gave numerous speeches to Wall Street companies before her 2016 presidential campaign, in which she was savaged by her opponents on the left for taking more than $2 million for the appearances.
In a television commercial during the Democratic primary contests, Senator Bernie Sanders of Vermont unleashed a thinly veiled attack on Mrs. Clinton for her speechmaking.
‘Wall Street banks shower Washington politicians with campaign contributions and speaking fees,’ the narrator in the ad says. ‘While Washington politicians are paid over $200,000 an hour for speeches, they oppose raising the living wage to $15 an hour. Two hundred thousand dollars an hour for them, but not even 15 bucks an hour for all Americans. Enough is enough.’
Deze feiten spelen geen rol in de kwalificatie van Bas Heijne. Ook het gegeven dat ‘Barack Obama raised more money from Wall Street than any candidate in history,’ temperde Heijne’s enthousiasme voor de ‘immer onkreukbare’ Obama geenszins. En toch is Obama’s houding typerend is voor de corruptie van de Amerikaanse politieke elite die aan de leiband loopt van de economische en financiële macht, en na gedane arbeid daarvoor beloond wordt. (overigens ook in Nederland waar de PVDA-ers Wim Kok en Wouter Bos vorstelijk beloond werden.) Het is één van de redenen waarom de geloofwaardigheid van en de waardering voor politici en bankiers zo extreem laag is. Desondanks blijft voor Bas Heijne ‘Barack Obama’ de ‘immer onkreukbare.’ De reden is dat hij de oud-president wilde spiegelen aan het vlees geworden Kwaad in de wereld, ‘Vladimir Poetin,’ tegen wie ‘wij’ onder aanvoering van het ‘in alle opzichten superieure Amerika’ één front zouden moeten vormen. Onder de treffende kop ‘Echt nepnieuws’ schreef hij in zijn krant:
Voor veel mensen in de VS en Europa, en ook in Nederland, is Poetin de gedroomde sterke man, het tegenwicht tegen het op de idealen van de Verlichting gebaseerde wereldbeeld van Obama. Hier de mensheid, daar de natie. Hier de gemeenschap op basis van gelijkheid, daar de superioriteit van de eigen cultuur. Poetins ideologische aantrekkingskracht is de enige reden dat een leider van een economisch derderangs wereldmacht erin slaagt het in alle opzichten superieure Amerika zo te ontregelen.
Poseurs als Mak en Heijne die claimen de werkelijkheid te beschrijven terwijl ze domweg propaganda bedrijven, zijn een even grote bedreiging voor de gemeenschap als iemand die zich valselijk voor arts uitgeeft of een populaire politicus met grootheidswaan. Een democratie kan alleen naar behoren functioneren als degenen met macht nauwlettend worden gecontroleerd aan de hand van de feiten. Opiniemakers die onderdrukking en uitbuiting ‘orde’ noemen, en een doortrapte politicus als ‘onkreukbaar’ presenteren, hollen de taal uit en daarmee de democratie. Het is vooral om die reden dat de Britse media-onderzoekers David Cromwell and David Edwards van Media Lens benadrukken dat
The best way to break down the wall of silence surrounding the corporate media’s role in global crimes and abuses – with the liberal media a vital accessory – is to work hard collectively to expose and challenge it. First, one has to show that the corporate media is less a window on the world than a barrier to understanding. Then one has to highlight the hidden assumptions and expose them with rational arguments and credible facts and sources.
At a larger scale throughout society, what needs to be done is the same as it’s always been: to build and strengthen grassroots efforts to raise public awareness of the issues confronting humanity, and to challenge the powerful elite interests that are crushing so much of the planet’s people and ecosystems. Tackling the serious risk of climate instability with the required radical action represents a very real threat to elite interests in the corporate, financial, media, government and military sectors. We could begin by challenging corporate media to reject advertising for climate-wrecking products and services; just as tobacco advertising is now regarded as unacceptable.
We need to challenge the mantra of endless economic growth and rampant mass consumption. We need to expose the myth that ‘our’ leaders have essentially benevolent aims and humane priorities; as opposed to so-called ‘national interests’, a phrase which is all too often newspeak for corporate greed, imperialism and military violence. We need to confront political and media elites, and show that what passes for ‘democracy’ is largely a sham so long as people are immersed in a propaganda system of relentless brainwashing to promote state-corporate goals.
But people can and do resist this brainwashing. The power of propaganda is only as effective as we allow it to be.
Dit besef is dodelijk voor de propaganda van Mak, Heijne en de rest van de gecorrumpeerde mainstream-pers in de polder. Wanneer Mak verkondigt dat ‘Brussel’ niet kan bestaan ‘zonder Jorwerd,’ dan heeft hij helemaal gelijk. Dit zou hem juist juist te denken moeten geven, aangezien ‘Jorwerd’ wel kan bestaan zonder ‘Brussel,’ maar het neoliberale bolwerk met zijn NAVO nooit kan bestaan zonder de machtelozen. Het grote probleem is nu dat de mainstream-media de massamens ‘superverslavend’ heeft gemaakt, verslaafd aan de meningen van de betaalde opiniemakers, die ‘steeds beter weten hoe we mensen kunnen sturen.’ Het feit dat de massamens in  ‘toenemende’ mate aan ‘gedragsverslaving’ lijdt, waardoor ‘we’ in een suikerzoete virtuele realiteit zijn beland, is de genadeklap geweest voor de parlementaire democratie en al haar instituten. Wat de westerse mainstream-opiniemakers doen, is al in het begin van de twintigste eeuw uitvoerig beschreven door Ivy Lee, de
American publicity expert and a founder of modern public relations. He is best known for his public relations work with the Rockefeller family… Lee often engaged in one-way propagandizing on behalf of clients despised by the public. Shortly before his death in 1934, the US Congress had been investigating his work in Nazi Germany on behalf of the company IG Farben.
In 1921 zei hij tijdens een interview ‘I have found the Freudian theories concerning the psychology of the subconscious mind of great interest,’ om hieraan toe te voegen dat ‘[p]ublicity is essentially a matter of mass psychology. We must remember that people are guided more by sentiment than by mind.’ 
Onder Amerikaanse intellectuelen was deze kennis al gemeengoed 96 jaar voordat Bas Heijne tot de ontdekking kwam dat ‘[i]edereen die tegenwoordig iets te verkopen heeft, weet dat je dat het best kunt doen door ongemerkt te verleiden. Het gaat om een sfeer,’ waardoor ‘[w]e gewoon een gewillige prooi [zijn].’  
Dat dit al een eeuw lang de kern is van de kapitalistische consumptiemaatschappij is Heijne ontgaan. In hetzelfde 1921 nodigde Ivy Lee tijdens een bijeenkomst op de prestigieuze School of Journalism van de Columbia University zijn gehoor uit om zijn PR-kantoor te bezoeken om daar ‘our library’ te bekijken en ‘see the extraordinary collection of books on psychology, mass psychology,’ want, zo adviseerde de PR-man,
[y]ou must study human emotions and all the factors that move people, that persuade men in any line of human activity. Psychology, mob psychology, is one of the important factors that underlay this whole business,
waarmee hij ook op de mainstream-journalistiek doelde, zoals bleek uit ondermeer het feit dat hij zijn publiciteitsactiviteiten karakteriseerde als ‘prompt and accurate information’ voor ‘the press and the public of the United States.’ In wezen zag hij, net als Bernays, geen essentieel verschil tussen public relations en de journalistiek. De elite besefte al geruime tijd dat het bewustzijn van de massamens ontvankelijker was voor emotionele impulsen dan voor rationele argumenten, daarbij geholpen door de  wereldberoemde Franse psycholoog en socioloog Gustave Le Bon. Ter verduidelijking, Wikipedia meldt dat Le Bon
[z]ijn beroemdheid had te danken aan zijn in 1895 gepubliceerde werk La Psychologie des foules (De psychologie der massa’s). Le Bon vertolkte hierin de opvatting, dat de individuele persoon, ook als hij lid is van een cultureel hoog ontwikkelde samenleving, in de massa zijn kritische vermogens verliest en zich dan affectief, en vaak ook primitief-barbaars, gedraagt.
Le Bon zag ‘drie mechanismes’ zag die het ‘collectieve gedrag’ of de ‘groepsgeest’ bepaalden:
• anonimiteit, hierdoor voelt men zich minder verantwoordelijk voor het gedrag;
• besmetting, emoties verspreiden zich door de massa als besmettelijke ziekte;
• suggestibiliteit, in een massa accepteert men suggestie eerder als waar zijnde. Zo is de massa gemakkelijker te leiden door haar een vijandsbeeld voor te houden, dan door een logische gedachte uiteen te zetten.
Le Bon was er, net als de invloedrijke Freud, ervan doordrongen dat ‘the part played by the inconscious in all our acts is immense,’ terwijl ‘that played by reason is very small.’ Het verklaart tevens waarom de meningen van mainstream-opiniemakers niet wezenlijk kunnen afwijken van die van hun publiek, en dat daarom emoties een belangrijkere rol spelen dan rationele overwegingen. Le Bon maakte duidelijk dat
[f]rom the intellectual point of view an abyss may exist between a great mathematician and his bootmaker, but from the point of view of character the difference is most often slight or non-existent, 
aangezien:
[t]he conscious life in the mind is of small importance in comparison with its unconscious life. The most subtle analyst, the most acute observer, is scarcely successful in discovering more than a very small number of the unconscious motives that determine his conduct. Our conscious acts are the outcome of an unconscious substratum created in the mind in the main by hereditary influences.
Met deze laatste zienswijze begaf Le Bon zich op glad ijs, vooral ook omdat het nazisme, fascisme, en de Amerikaanse aanhangers van de eugenetica ‘erfelijke invloeden’ als argument gebruikten om hun macht te  legitimeren. Bekend is dat Adolf Hitler Le Bon’s standaardwerk Psychologie des Foules had gelezen en propaganda-technieken van Le Bon gebruikte.
In the book, Le Bon claims that there are several characteristics of crowd psychology: ‘impulsiveness, irritability, incapacity to reason, the absence of judgement of the critical spirit, the exaggeration of sentiments, and others…’ Le Bon claimed ‘that an individual immersed for some length of time in a crowd soon finds himself — either in consequence of magnetic influence given out by the crowd or from some other cause of which we are ignorant — in a special state, which much resembles the state of fascination in which the hypnotized individual finds himself in the hands of the hypnotizer.’
Benito Mussolini also made a careful study of Le Bon. Le Bon also influenced Vladimir Lenin and the Bolsheviks. Edward Bernays, a nephew of Sigmund Freud, was influenced by Le Bon and Trotter. In his influential book ‘Propaganda,’ he declared that a major feature of democracy was the manipulation of the electorate by the mass media and advertising. Theodore Roosevelt as well as Charles G. Dawes (bankier en de 30e vice-president van de Verenigde Staten. svh) and many other American progressives in the early 20th century were also deeply affected by Le Bon’s writings.
Elke macht in de westerse wereld maakt nog steeds gebruik van de propaganda-technieken van Gustave Le Bon, en wel omdat de elite altijd doodsbang is voor de massa. Vandaar dat politici als Trump, Wilders, Le Pen zo gehaat worden door de gevestigde orde en hun woordvoerders in de commerciële massamedia, want zij menen ver boven de primitieve, maar wel geconditioneerde reflexen van de meute te staan. De Amerikaanse hoogleraar Stuart Ewen, auteur van 480 pagina’s tellende PR! A Social History of Spin (1996), schrijft in zijn studie dat Le Bon het volgende beklemtoonde:
[t]hough instinctual traits continues to govern the behavior of inferior beings (onder wie hij ook vrouwen en kinderen rekende. svh), the rise of civilization and its hierarchical structures had — for centuries — kept their unholy tendencies in check.
With the rise of mass democratic politics, however, and with the breakdown of religious and social hierarchies, inborn character was again emerging as the dominant force of history. An ‘unconscious substratum’ that had lurked, all along, beneath the intellectual surface of civilization was again gaining ‘the upper hand.’ For Le Bon the rise of the crowd mind embodied no less than the return of the repressed, the demise of a long-cultivated ‘conscious personality’ in favor of the ‘unconscious activities’ of the ‘spinal cord.’
Omdat ‘het volk’ politiek geëmancipeerd leek te raken in de zich razendsnel ontwikkelende consumptiemaatschappij dreigde de elite in haar zorgvuldig opgebouwde klassenmaatschappij aan macht in te boeten. Ewen:
The revolt of the masses and, with it, the elevation of mass politics, mass aesthetics, and mass destructiveness, meant that the conditions of the crowd were in the process of becoming universal, hegemonic. No one — not even those middle-class individuals who privately upheld the values of civilization — would be spared.
Le Bon waarschuwde de elite dat:
Civilization is now without stability, and at the mercy of every chance. The populace is sovereign (oppermachtig. svh), and the tide of barbarism mounts. The civilization may still seem brilliant because it possesses an outward front, the work of a long past, but is in reality an edifice crumbling to ruin, which nothing supports, and destined to fall in at the first storm,
Dit stelde hij nog geen twee decennia vóórdat de, door de elite veroorzaakte, Eerste Wereldoorlog voorkwam dat de ‘verworpenen der aarde’ werkelijk ‘oppermachtig’ zouden worden, waardoor de elite haar verhulde alleenheerschappij zou verliezen. En zo zijn ‘we’ als het ware via een omweg terug bij Bas Heijne’s recente ontdekking dat ‘[w]e’ vandaag de dag ‘gewoon een gewillige prooi [zijn]’ geworden van degenen die ons aller Geert Mak in 2014 het ‘grootkapitaal’ noemde. Al die jaren gingen Bas en zijn publiek ervan uit ‘dat we zelf mogen beslissen, dat we bewuste, rationele wezens zijn die weten wat ze willen,’ om nu tot ontdekking te komen dat 
[we] intussen omringd [worden] door bedrijven en instituties die ons vet gezellig in die droom laten, terwijl ze ons intussen ongegeneerd en onzichtbaar nudgen, neuromarketen en influencen.
Het meest opmerkelijke is dat Heijne zichzelf in de rol van slachtoffer opvoert, terwijl juist hij als opiniemaker van een mainstream-krant precies hetzelfde doet, te weten: met ‘de zachte hand’ en met een pedant vertoon van ‘expertise’ de kluit belazeren, door bijvoorbeeld het imperium waarin dit ‘ongegeneerd en onzichtbaar nudgen, neuromarkten en influencen’ werd ontwikkeld en verfijnd te kwalificeren als ‘het in alle opzichten superieure Amerika.’ Als getrukeerde opportunist weet hij in elke column weer een nieuw masker op te zetten, zonder dat de ‘politiek-literaire elite’ alhier ook maar iets doorheeft. Zodoende slaagt de  erin het politieke te depolitiseren, het maatschappelijke te individualiseren. Een treffend voorbeeld daarvan is zijn column van zaterdag 29 april 2017, waarin hij onder de kop ‘Mister Integriteit’ bericht dat het ‘[d]eze week ging over het kwestieuze financiële gedoe van VVD-voorzitter Henry Keizer,’ een hedendaagse neoliberale proleet die zijn zakken had gevuld. Niets nieuws onder de zon, desalniettemin besteedde de NRC er dat weekeinde drie columns aan, én een heel artikel. Waar Heijne in deze kwestie staat wordt duidelijk uit zijn opmerking:
Mij interesseert de handigheid van een roofkapitalist ook matig, maar die discrepantie tussen Keizers verheven woorden en daden maakt het interessant.
De ‘powerduider’ komt tenslotte tot de volgende conclusie: 
Wat hier onverkwikkelijk is, is niet eens het gesjoemel, maar juist dat passie preken voor de bühne.
Dit is een opmerkelijke opvatting. Hier staat dat het roofkapitalisme hem ‘matig’ interesseert, maar dat ‘juist dat passie preken voor de bühne’ van de VVD-voorzitter zo ‘onverkwikkelijk’ is. Zodoende wordt het politieke gedepolitiseerd. Niet het systeem van de onverzadigbare begeerte die deze ‘roofkapitalist’ heeft voortgebracht en waarvan hij gebruik maakt, is voor Heijne interessant, maar het feit dat de mateloze Keizer hypocriet is. Zo bespeelt Bas zijn publiek, niet met rationele argumenten maar met emoties, geheel conform Ivy Lee’s stelling dat ‘people are guided more by sentiment than by mind.’ Dit gemanipuleer, waarbij een enkeling wordt gecriminaliseerd om te voorkomen dat de sociaal-economische werkelijkheid van het neoliberalisme wordt belicht, maakt het werk van Bas Heijne zo buitengewoon ‘onverkwikkelijk,’ om nu eens een begrip van hem te lenen. Het was Le Bon die erop wees dat de massa niet in ideeën denkt, maar ‘in images.’ Op zijn beurt zette Freud uiteen dat de gevoeligheid van de massa voor ‘het suggestieve’ in feite ‘an irreducible, primitive phenomenon [is], a fundamental fact in the mental life of man,’ vandaar het belang van het gegeven dat ‘the crowd thinks in images’ en niet in woorden. Daaraan verbond hij de conclusie dat ‘[t]o know the art of impressing the imagination of crowds is at the same time the art of governing them.’ En dit nu is exact wat Bas Heijne doet. Eén blik op het omvangrijke postuur van Henry Keizer, de hollebolle Gijs van de VVD, en u begrijpt onmiddellijk waarom Heijne en de anderen hem er als ‘een gewillige prooi’ uitpikten. Het is nooit fraai om te zien hoe een meute achter een enkeling aan gaat, maar het is nog veel erger wanneer daarmee de aandacht wordt afgeleid. In zijn studie The Behavior of Crowds (1920) stelde de Amerikaanse sociaal psycholoog Everett Dean Martin:
We must become a cult, write our philosophy of life in flaming headlines, and sell our cause in the market. No matter if we meanwhile surrender every value for which we stand, we must strive to cajole (paaien. svh) the majority into imagining on our side… only with the majority with us, whoever we are, can we live. It is numbers, not values that count — quantity not quality.
Dat Bas Heijne de P.C. Hooftprijs 2017 ontving omdat, volgens de jury, ‘hij schrijft als een denker én denkt als een lezer,’ onderstreept nog eens hoe juist de inzichten zijn van Gustave Le Bon, Sigmund Freud en de Amerikaanse PR- en media-ideologen. In een massamaatschappij verliest de kwaliteit het altijd van de kwantiteit. Juist de opiniemaker ontkomt daar niet aan omdat hij zijn publiek moet behagen, met als gevolg dat zijn opinies hoogst zelden het niveau van de kitsch overstijgen.  Volgende keer meer daarover.