Door: Ewald Engelen

Gepubliceerd door: De Groene Amsterdammer (10-5-2017)

Ergens in 2013 werd ik omarmd door de FNV. Ik werd binnengehaald als een van de helden van de koopkracht die de vakbeweging van nieuwe argumenten moesten voorzien om werkgevers ervan te overtuigen dat het maar eens uit moest zijn met loonmatiging. Het waren de dagen van de eurocrisis die in Nederland harder toesloeg dan elders. Ieder kwartaal werd de economie een pietsie kleiner. Ieder kwartaal gingen er meer bedrijven op de fles. Ieder kwartaal werden meer mensen werkloos.

Langzaam werd duidelijk dat bezuinigen na het spatten van een financiële zeepbel zo ongeveer het stomste was dat je kon doen. Maar ja, die Europese regels hè. En die vermaledijde dwangbuis van de euro hè. Om maar te zwijgen van politici die zichzelf in een hoek hadden geschilderd maar dat niet wilden erkennen. En dus pleitten ik en anderen voor meer koopkracht. Voor de vakbeweging was het een buitenkansje: looneisen stellen niet uit eigenbelang maar om het land te redden.

Ik herinner me in het Utrechtse Jaarbeurscomplex ruim drieduizend vakbondsleden te hebben toegesproken. Die onderbraken iedere zin van mij met luid applaus en instemmend gebrul. En er moet op de rommelzolder van YouTube nog een filmpje rondslingeren waarin ik, wandelend over de Albert Cuyp, in een minuut uitleg hoe de fnv Nederland zou kunnen redden. Antwoord: fuck de polder en eis op wat je toekomt.

Het zijn zoete herinneringen omdat ik even daarvoor als nieuwbakken columnist van het huisblaadje van de Sociaal-Economische Raad (SER) mijn congé had gekregen. In mijn laatste column schreef ik dat het schandalig was dat je in de grootste crisis van het kapitalisme sinds de jaren dertig de vakbeweging niet hoorde. Navelstaren, elkaar de tent uitvechten en de rechten van niet-werkenden beschermen (pensioenen) – meer deed zij niet. Mijn slotzin luidde: waarom ben je nog lid? Dat kon niet door de beugel. ‘Wij opereren nu eenmaal in een gevoelige context’, heette het.

In diezelfde periode kwam er bijval uit onverwachte hoek. Klaas Knot van De Nederlandsche Bank maakte zich dezelfde zorgen en riep de sociale partners op om de koopkracht te herstellen. Niet alleen bleek de reële koopkrachtontwikkeling van huishoudens al jaren negatief. Ook het deel van de toegevoegde waarde dat naar werknemers gaat bleek sinds eind jaren zeventig gedaald van tegen de negentig procent tot even boven de zeventig procent.

De FNV hecht meer aan polderen dan aan het belang van werkenden

De zorgen van Knot waren niet ingegeven door sociale betrokkenheid, maar kwamen voort uit de vrees dat het aantal wanbetalers op hypothecaire leningen zo groot zou worden dat banken opnieuw in de problemen zouden komen. Financiële stabiliteit is namelijk de missie van Knot. Wat meer koopkracht zou huishoudens lucht geven waardoor zij versneld hun schulden konden aflossen en hij niet langer voor de banken hoefde te vrezen. Het verraadde hoe wankel de Nederlandse banken nog altijd waren.

Daarna werd het stil rond de fnv. Dat kan twee dingen betekenen. Ten eerste dat de vakbeweging daadwerkelijk koopkrachtherstel heeft weten af te dwingen. En dan bedoel ik reële loonstijgingen die ten minste in de pas lopen met de productiviteitsontwikkeling en idealiter zo hoog zijn dat ze weer iets terugpakken van de toegevoegde waarde die werkgevers zich de afgelopen decennia hebben toegeëigend. Dat blijkt echter niet uit de cijfers. Het laatste jaar dat productiviteitsstijgingen volledig werden vertaald in loonstijgingen was 2004. Sindsdien blijven de lonen ieder jaar met vier tot zes procentpunt achter bij de productiviteitsgroei. Geen wonder dat Knot maar blijft hameren op hetzelfde aambeeld: loonstijgingen, loonstijgingen, loonstijgingen. Vorige maand deed hij het weer.

Maar het kan ook betekenen dat de vakbeweging opnieuw is gezwicht voor de verleiding van de polder. Kenmerkend voor Nederlandse vakbonden is namelijk dat ze via de SER medebestuurder zijn van het land. En als medebestuurder stel je je coöperatief en verstandig op. Zo werkt dat in de polder. Alle neuzen dezelfde kant op. Allemaal hetzelfde technocratische gereutel. En geen ruzie vooral.

Het levert looneisen op waarin de tegenargumenten van werkgevers vooraf al ruimhartig zijn verdisconteerd. En loonstijgingen die dus steevast achterblijven bij de productiviteit. Waardoor het aandeel van de factor arbeid nog verder daalt.

Zeldzaam is het land waar de president van de centrale bank de vakbonden oproept hogere looneisen te stellen en diezelfde vakbond de oproep nu al jaren negeert. Wie laag inzet krijgt minder dan wie hoog inzet. Dat weet een kind. Zo niet de Nederlandse vakbeweging. Die hecht meer aan harmonie in de polder dan aan het belang van werkenden. En daarmee blijft mijn vraag van destijds pertinent.