Door: Koen Bogaert

Gepubliceerd door: De Wereld Morgen (15-6-2017)

Al maanden groeit het protest in het noorden van Marokko. Sinds kort zien we ook in de rest van het land mensen massaal op straat komen in solidariteit met ‘Hirak’ (de beweging). Afgelopen zondag kwamen duizenden mensen op straat in de hoofdstad Rabat. Het was de grootste betoging sinds de massaprotesten van 2011.

Le roi des pauvres a vite fait place á l’homme d’affaires, entouré de vils courtisans. Nous aurions aimé trouver en vous un chef d’Etat qui veille á l’application de la loi, avec un projet de société, pas un promoteur hôtelier ou un chef de chantier.(Abdelhak Serhane in Le Monde, 4 maart 2011)

De internationale media-aandacht neemt ook toe de laatste weken als gevolg van de protesten en de arrestatie van tientallen activisten, waaronder Nasser Zafzafi, één van de leiders van Hirak. En dat is enigszins opmerkelijk. Marokko heeft tot nu toe nooit echt de aandacht opgeëist in de context van de zogenaamde ‘Arabische lente’. De algemene opvatting was dat Marokko een stabiel land was. Nog geen democratie maar wel een land met een populaire en hervormingsgezinde koning die ook tijdens de protesten van 2011 voor een deel tegemoet kwam aan de eisen van het volk (o.a. via de goedkeuring van een nieuw grondwet).
Dit stabiele en hervormingsgezinde imago van het politieke systeem van Marokko in Europa en de rest van de wereld dreigt een aantal misvattingen te creëren met betrekking tot de aard van de protesten. Eerst en vooral worden de protesten vaak gereduceerd tot een particulier Riffijns probleem: de marginalisering van het noorden van Marokko, het rebelse karakter van de Riffijnen zelf en hun historisch moeilijke relatie met het koningshuis. Ten tweede wordt ook vaak het beeld opgeworpen dat sociale protesten in Marokko eerder zeldzaam zijn. In de artikels van Reuters, bijvoorbeeld, staat bijna altijd hetzelfde zinnetje: “Political protests are rare in Morocco”, but… Als gevolg van deze beeldvorming bestaat de kans dat ook de recente massale demonstraties, die zich verspreiden over het hele land, gereduceerd worden tot een loutere ‘solidariteitsbeweging’.Er is echter veel meer aan de hand. De mensen in de rest van Marokko komen niet enkel op straat om hun solidariteit te betuigen maar ook omdat ze zichzelf herkennen in de sociale strijd die nu al maanden aan de gang is in de Rif. Meer nog, veel Marokkanen uit de rest van het land komen vandaag op straat omdat ze dat eigenlijk al jarenlang doen. Ook elders in Marokko wordt er al jaren continue geprotesteerd om gelijkaardige redenen.

Als we de protesten in het noorden vandaag beter willen begrijpen dan moeten we ze kaderen binnen een historisch proces van toenemend protest in heel Marokko als gevolg van een aantal belangrijke politiek-economische verschuivingen sinds het aan de macht komen van Mohamed VI in 1999, en eigenlijk al sinds de jaren 80’. Een beleid van economische liberalisering gecombineerd met machtsmisbruik, corruptie en de systematische toe-eigening van de publieke rijkdom door een kleine elite ligt aan de basis van de sociale onvrede in heel het land. En zolang er daar geen einde aan wordt gemaakt, zal het protest ook blijven terugkomen.

Dit wil niet zeggen natuurlijk dat er geen lokale of particuliere context mee aan de basis ligt van de protesten in de Rif. Maar om de werkelijke impact te begrijpen van de manier waarop de Riffijnse opstand nu geleidelijk aan lijkt te transformeren in een algemene Marokkaanse opstand is het belangrijk om ook de bredere historische context in overweging te nemen.

Een verschuiving van de koninklijke macht

Het beeld van een zogenaamde ‘Marokkaanse uitzondering’ (Marokko als stabiel land in een turbulente regio) bestaat al lang. Vooral sinds het aantreden van koning Mohammed VI in 1999 werd het land beschouwd als een mogelijk schoolvoorbeeld voor een democratiseringsproces in de rest van de Arabische wereld. Velen hoopten dat Mohamed VI van Marokko een moderne constitutionele monarchie zou maken naar het voorbeeld van Spanje en andere Europese monarchieën.

Al vanaf de eerste maanden van zijn regeerperiode werd de jonge koning alom gelauwerd vanwege zijn inzet voor het democratiseringsproces. Hij voerde enkele belangrijke en symbolische hervormingen door: de pers kreeg meer vrijheid, politieke gevangenen werden vrijgelaten, de Moudawana (het familierecht) werd hervormd, wat leidde tot een aanzienlijke verbetering van de rechten van de vrouw (op papier alleszins), een verzoeningscommissie werd opgericht om de repressie en folteringen uit de regeerperiode van zijn vader, Hassan II aan te klagen, allerlei nieuwe economische en sociale programma’s werden gelanceerd, enzovoort. Mohammed VI kreeg zelfs de veelzeggende bijnaam ‘roi des pauvres’ (‘koning van de armen’).

Maar al snel werd duidelijk voor vele Marokkanen dat de monarchie de politieke touwtjes stevig in eigen handen hield. Meer nog, Mohammed VI hield niet alleen stevig vast aan de politieke macht, maar versterkte ook steeds meer zijn economische positie. In de volgende jaren focusten de koning en zijn entourage van raadgevers en vertrouwelingen zich vooral op de uitbouw van een economisch imperium. Mede dankzij hun politieke macht en invloed vergrootten ze hun greep op de Marokkaanse economie. Mohamed VI was niet alleen het staatshoofd maar ook de belangrijkste ondernemer en investeerder van het land.

Er zat ook een belangrijke politieke reden achter de uitbouw van dit economisch imperium. In de jaren ’80 en ’90 werd het koninkrijk, net zoals vele andere landen uit de regio, geconfronteerd met ernstige budgettaire problemen. Marokko zag zich genoodzaakt om aan te kloppen bij het IMF en de Wereldbank. In ruil voor de noodzakelijke leningen moest de Marokkaanse overheid haar financiën op orde brengen, haar schuld afbouwen, en de aanbevelingen van de internationale kredietverschaffers uitvoeren. Structurele aanpassing luidde het begin in van een neoliberale omwenteling.

Door de internationaal opgelegde aanpassingen werd de impact en de controle van de conventionele Marokkaanse staatsstructuren (zoals het parlement, de nationale regering en de centrale administratie) op de binnenlandse economie aanzienlijk beknot. Vanaf de jaren 1990 werd bovendien een rits publieke overheidsbedrijven geprivatiseerd. Toch ging deze economische liberalisering niet gepaard met een substantieel machtsverlies bij de elites van het land. Integendeel, de neoliberale hervormingen concentreerde de economische macht nog meer in de handen van een kleine groep met nauwe banden met de monarchie. De economische rijkdommen en infrastructuur van het land werden voor een groot deel onder elkaar verkocht. Vriendjespolitiek en cliëntelisme zorgden ervoor dat de machtigste families in het land de publieke rijkdommen in eigen handen kregen. De Franse historicus Pierre Vermeren noemde de privatiseringspolitiek in Marokko dan ook een ‘ware economische plundering’.

De toenemende politieke invloed van buitenlands kapitaal

De privatisering van publieke bedrijven en eigendommen bevoordeelde niet alleen de Marokkaanse elites. Ook buitenlandse investeerders profiteerden van de neoliberale hervormingen. Tussen 1993 en 2002 werd zowat de helft van de geprivatiseerde bedrijven verkocht aan buitenlandse (voornamelijk Franse) investeerders. De bevoorrechte relatie tussen het Marokkaanse koningshuis en de Franse economische en politieke elite zorgde de laatste twintig jaar voor een belangrijke toestroom van Frans kapitaal. Verschillende Franse concerns, zoals Suez, Veolia, Alstom en Bouygues deden prima zaken in Marokko.

De laatste jaren zien we ook een zeer snelle stijging van het aantal investeringen uit de Golfstaten. De politieke invloed van het buitenlandse kapitaal groeide dan ook stelselmatig naarmate zijn aandeel in de Marokkaanse economie toenam. Die economische context verklaart ook waarom landen zoals Frankrijk altijd een zeer gematigde houding aannemen tegenover de politieke strubbelingen in Marokko of waarom het Marokkaanse koningshuis kan rekenen op een uitgesproken politieke steun van de monarchieën uit de Arabische Golf.

Nieuwe vormen van machtsconcentratie: het voorbeeld van de Bouregreg vallei

De stad is misschien wel de ruimte waar deze belangrijke politieke en economische machtsverschuivingen het duidelijkst zichtbaar zijn. Het voorbeeld van het stedelijk megaproject aan de Bouregreg rivier tussen de hoofdstad Rabat en haar buur Salé illustreert dit perfect.

Het Bouregreg project werd gelanceerd in 2006 met de bedoeling om een zone van 6000 hectaren economisch te ontwikkelen om op die manier een boost te geven aan de stedelijke economie van Rabat en Salé. In verschillende fases voorziet men de bouw van luxeappartementen, hotels, jachthavens, shoppingcenters, golfterreinen, een archeologisch museum en – als kers op de taart – een megalomaan nieuw theater ontworpen door het architectenbureau van wijlen Zaha Hadid.

Het Bouregreg project (6000 hectaren). Het rode vierkant is de eerste fase, momenteel in ontwikkeling © Béatrice Platet
Nieuwe luxe appartementen in het Bouregreg project (eerste fase)
Nieuwe luxe appartementen in het Bouregreg project (eerste fase)
Plattegrond van de eerste fase van het Bouregreg project
Schets van het Groot Theater (tweede fase van het Bouregreg project). Met toestemming van Zaha Hadid Architects

 Om het project in goede banen te leiden heeft de Marokkaanse overheid een nieuw staatsagentschap opgericht: het Bouregreg Agentschap. Dit agentschap heeft een quasi absolute macht over de 6000 hectaren en beslist autonoom hoe deze moet ontwikkeld worden. Er werd bij wet vastgelegd dat het agentschap alle bevoegdheden overneemt van de lokale en nationale overheidsinstanties (m.b.t. ruimtelijke ordening, stedelijke planning, aantrekken van investeringen, uitvoeren van onteigeningen, enz.).

Het Bouregreg Agentschap kan beschouwd worden als een soort staat binnen een staat. De directeur wordt rechtstreeks benoemd door de koning en is enkel en alleen aan hem verantwoording verschuldigd. Daarnaast moet het agentschap ook opereren als een financieel autonoom orgaan. Haar budget hangt af van (buitenlandse) investeringen en de al dan niet succesvolle commercialisering van de verschillende fases van het project.

Het gevolg van deze verschuiving van statelijke bevoegdheden en de afhankelijkheid van investeerders is dat stadsontwikkeling en economische ontwikkeling eerder tegemoet komt aan de eisen en verlangens van investeerders dan aan de specifieke noden van de mensen die al in de stad wonen. Hoe de Marokkaanse stad van de toekomst er zal uitzien wordt door zulke projecten vooral een beslissing van actoren die niet eens in die stad wonen (i.e. buitenlandse investeerders).

Deze investeerders hebben enorm veel invloed. De eerste fase van het Bouregreg project, bijvoorbeeld, werd al verschillende keren aangepast om aan de eisen van de investeerder uit Abu Dhabi te voldoen. Concreet betekende dit onder andere dat een geplande open groene zone, een publieke plek waar de stadsbewoners elkaar konden ontmoeten en picknicken, moest plaats ruimen voor luxeappartementen en een shoppingcenter omdat dat nu eenmaal meer ‘opbrengt’ (lees meer winst voor de investeerder).

En het Bouregreg project is geen uitzondering. Overal in het land worden gelijkaardige megaprojecten gelanceerd waarbij politieke macht en besluitvorming zich vooral concentreert in handen van technocratische instituties die gerund worden door de entourage van de koning en het (internationaal) kapitaal. In Tanger heb je Tanger Med en Tanger City Center. In Casablanca heb je projecten zoals Casa Marina en Casablanca Finance City. En in het noorden van Marokko, in de buurt van Nador, heb je Marchica Med. Voor dat laatste project werd een vergelijkbaar agentschap opgericht zoals in het Bouregreg project.

Deze megaprojecten symboliseren de belangrijke politiek-economische verschuiving binnen het Marokkaanse autoritaire systeem. Waar Hassan II nog regeerde met ijzeren hand en zware repressie, regeert Mohamed VI vooral via holdings, investeringsmaatschappijen en technocratische staatsagentschappen. Dit betekent niet zozeer dat Mohamed VI minder autoritair is dan zijn vader. Hij hanteert gewoon een heel andere aanpak. Aangepast aan de vereisten van internationale donoren en intergouvernementele instituties.

In een internationaal klimaat waarbij er steeds meer lippendienst moet geleverd worden aan een soort van democratiseringsideaal, zien we dat de bevoegdheden van een conventionele instituties zoals het parlement en de nationale regering al bij voorbaat uitgehold worden. Deze shift betekent natuurlijk niet dat politieke repressie tot het verleden behoort. Integendeel, waar nodig zal het huidige regime ook nog altijd repressie gebruiken. Dat werd de laatste weken nog maar eens bevestigd.

Veel Marokkanen beseffen maar al te goed dat de zogenaamde democratische hervormingen waar het regime zo graag mee uitpakt, vooral naar de buitenwereld toe, in de realiteit weinig of niets voorstellen. De Hirak en Nasser Zafzafi weigerden ook om compromissen te sluiten met de ministerdelegatie die naar Al Hoceima werd gestuurd enkele weken geleden. Weinig mensen, niet alleen in het noorden maar ook in de rest van het land, hebben vertrouwen in hun officiële ‘volksvertegenwoordigers’. De opkomst in Marokkaanse verkiezingen is de laatste jaren historisch laag (rond de 30%).

Hirak richtte zich daarentegen wel rechtstreeks tot de koning omdat ze maar al te goed beseffen waar de werkelijke macht zich situeert. Het toont ook de vastberadenheid van de demonstranten en hun verzet tegen coöptatie door de Marokkaanse overheid (wat in het verleden wel vaker gebeurde).

Dit is ook een van de redenen waarom de nervositeit toeneemt bij het regime. Niet alleen vandaag, maar al een aantal jaar is er een belangrijke evolutie waar te nemen in het sociale protest. Ze wordt stoutmoediger en viseert niet enkel meer de verkozen regering of de politieke partijen maar ook steeds nadrukkelijker de monarchie zelf en haar entourage van elite-netwerken (de zogenaamde ‘makhzen’).

De stad van twee extremen

Om terug te keren naar het voorbeeld van stedelijke megaprojecten zoals het Bouregreg project; de meeste ‘gewone’ Marokkanen weten zeer goed dat deze projecten niet voor hen bedoeld zijn. Meer nog, ze worden dagdagelijkse geconfronteerd met deze nieuwe realiteit. De stedelijke politiek van de laatste tien jaar en de privatisering van publieke diensten veroorzaakt duurdere consumptieprijzen, een stijging van huisvestingskosten, gentrificatie en een steeds beperktere toegang tot publieke dienstverlening. Als gevolg van de neoliberale hervormingen nam de kloof tussen arm en rijk de laatste drie decennia in Marokko sterk toe.

Steden zoals Rabat, Casablanca en Tanger worden steeds meer steden van twee extremen. Enerzijds leiden het gebrek aan kansen, het tekort aan publieke investeringen in sociale voorzieningen en de toenemende werkloosheid ertoe dat de Marokkaanse middenklasse steeds meer verarmt. Anderzijds leveren grote luxeprojecten grote winsten op voor een kleine groep van rijke investeerders, terwijl enkel een elite van ‘superconsumenten’ het zich kan veroorloven om in de nieuw ontwikkelde stadsbuurten te leven.

Het is duidelijk dat de gewone Marokkanen niet de doelgroep van deze speculatieve luxe-industrie uitmaken. Het enige toekomstperspectief dat deze prestigeprojecten de gemiddelde Marokkaan(se) kan bieden, is een job als poetsvrouw, nachtwaker of ober – en dan wellicht nog aan het minimumloon.

Dit gebrek aan toekomstperspectief en de steeds groter wordende sociale ongelijkheid heeft al geleid tot veel protest. Twee jaar geleden kwamen duizenden mensen op straat in Tanger om te protesteren tegen de exuberant hoge waterprijzen van de Franse multinational Veolia. In 2011 was er natuurlijk de 20 Februari beweging die gedurende enkele maanden massale demonstraties organiseerde verspreid over het hele land in het kielzog van de Arabische lente. Maar ook in verder verleden kwamen mensen massaal op straat tegen de toenemende duurte van het leven’.

Tussen 2006 en 2009, bijvoorbeeld, ontstond er een overkoepelend netwerk van acties tegen de prijsstijgingen van primaire consumptiegoederen. De Coordination Nationale contre la Hausse des Prix et la Dégradation des Services Publiques of kortweg tansikiyat (Arabisch voor ‘coördinaties’) bracht verschillende progressieve organisaties, zoals de Association Marocaine des Droits Humains (AMDH), verschillende vrouwenbewegingen, de Amazigh (berber) beweging, jongerenorganisaties, vakbonden en kleine radicaal-linkse politieke partijen samen in een gemeenschappelijke strijd. Op haar hoogtepunt waren er meer dan tachtig lokale secties van deze ‘mouvement contre la cherté de la vie’. Dit verspreid netwerk was cruciaal in ondersteuning van de latere 20 Februari beweging die opkwam in de context van de Arabische lente. En vandaag zien we dat deze bestaande netwerken mee mobiliseren voor de solidariteitsacties voor Hirak.

Maroc utile versus Maroc inutile

De toenemende sociale ongelijkheid is niet alleen zichtbaar in de grote steden. Ze manifesteert zich ook tussen de grote stedelijke centra enerzijds en de kleinere steden en dorpen in de Marokkaanse periferie anderzijds.

Deze kloof versterkt ook een gevoel van marginalisering dat teruggaat tot de koloniale periode. In het begin van het Protectoraat investeerde de Franse en in mindere mate de Spaanse kolonisator massaal in de uitbouw van de stedelijke infrastructuur met de bedoeling de logistieke capaciteiten te bouwen om de economische rijkdommen van het land naar het koloniale moederland te verschepen. Havens, spoorwegen en autowegen moesten de koloniale kuststeden verbinden met het vruchtbare hinterland en de mijnsites.

Aan de andere kant, voerde de kolonisator ook een verbeten strijd met de volkeren uit de bergen en het platteland die zich weigerden neer te leggen bij de koloniale heerschappij. Deze “pacificatie” heeft jaren geduurd en het bekendste voorbeeld van antikoloniaal verzet was uitgerekend de Riffijnse strijd onder leiding van Mohammed Abdelkrim El Khattabi. Abdelkrim’s beeltenis en de vlag van de Rif-republiek zie je vandaag overal tijdens de demonstraties in het noorden.

De moeizame verovering van het Marokkaanse hinterland verleidde de eerste resident-generaal Hubert Lyautey tot de uitspraak dat men Marokko kon onderverdelen in een nuttig Marokko (Maroc utile) en een nutteloos Marokko (Maroc inutile). Dit beeld blijft bestaan in hoofden van veel Marokkanen. Het idee leeft nog altijd – en is niet helemaal onterecht – dat de Marokkaanse autoriteiten vooral investeren in de kuststeden en in de grote agro-industrie terwijl ze de kleinere dorpen en steden negeert en verwaarloost.

Toenemend sociaal protest in heel het land

Sinds de jaren 2000 zien we dat dit gepaard gaat met een duidelijke stijging van het aantal sit-ins, marsen, stakingen, boycots, etc. in die steden en dorpen die steeds minder profiteren van een economisch beleid dat voornamelijk gericht is op de industrialisering van de kuststreek, speculatieve vastgoedontwikkeling in de grootsteden en de uitbouw van het toerisme in Marokko ’s bekendste trekpleisters.

De manier waarop de politieke economie in Marokko is georganiseerd, zorgt ervoor dat grote steden worden ontwikkeld voor een rijke elite en de buitenlandse toerist, terwijl arme bewoners steeds meer geconfronteerd worden met onteigening om plaats te maken voor nieuwe speculatieve ontwikkelingen. De ontwikkeling van het platteland wordt overgelaten aan grote agro-industrieën die vooral gericht zijn op export en ecologische megaprojecten, zoals het Noor zonne-energie complex in de buurt van Ouarzazate, dat eveneens gepaard gaat met onteigening en landverdrijving (het zogenaamde fenomeen van green-grabbing).

Al deze ontwikkelingen zorgen voor toenemende sociale onvrede en een toenemend sociaal protest in heel het land. Een interessant voorbeeld is de bezetting van de berg Monte Alebban. In Imider, een klein dorpje in het Atlas gebergte, bezetten bewoners al meer dan vijf jaar een waterkraan op de top van een berg die een belangrijke waterbron verbindt met een mijnbedrijf dat in handen is van de koninklijke familie. Ze hebben er een permanent kamp gebouwd waar activisten dag en nacht de waterkraan bewaken en daarnaast nog allerlei andere activiteiten organiseren zoals filmfestivals, workshops voor kinderen uit de buurt, algemene vergaderingen met de dorpsbewoners, etc.

De bezetters willen niet alleen de gebrekkige toegang tot water aanklagen maar ook de aanhoudende vervuiling van hun landbouwgrond door het mijnbedrijf en het gebrek aan investeringen in hun streek. Volgens hen wordt er veel geld en invloed geïnvesteerd in het onttrekken van de natuurlijke rijkdommen uit de streek maar wordt de lokale bevolking grotendeels aan hun lot overgelaten. Ze eisen een eerlijke herverdeling van de rijkdommen. Het was niet de eerste keer trouwens dat de bewoners van Imider in opstand kwamen. In 1996 organiseerden de bewoners van Imider al een sit-in die 45 dagen stand hield voordat ze door de politie zeer brutaal werd uiteengejaagd.

 

Monte Alebban
De pijpleiding die vroeger water vervoerde
van de waterbron naar de zilvermijn
De waterkraan die werd afgesloten door de bewoners van Imider
Over de jaren heen hebben de bewoners van Imider de berg omgevormd tot een echt kamp. Ze hebben huisjes gebouwd en sommige activisten verblijven er permanent
Een algemene vergadering met de bewoners van Imider op Monte Alebban. Deze worden tot op vandaag nog heel regelmatig georganiseerd om zoveel mogelijk bewoners te betrekken bij de bezettingsbeweging.

De bewoners van Imider hebben de laatste weken ook hun solidariteit betuigt met Hirak, net als zovele andere dorpen en steden in het land. Zij herkennen zich in de strijd die de mensen van het noorden nu voeren. Ze voeren al jarenlang dezelfde strijd. Ze maken allemaal deel uit van eenzelfde historisch proces van toenemend sociaal verzet in Marokko tegen economische marginalisering, een neoliberale klassenpolitiek en een gebrek aan politieke vrijheid. Een proces dat zeer vergelijkbaar is met wat er gebeurt in Tunesië, Egypte en andere landen in de regio. Marokko is zeker geen uitzondering op dat vlak.