Door: Stan van Houcken (25-6-2017)

En dan was er de euro. Ik zou me niets verbazen als onze toekomstige historicus die een centrale rol zal geven.
Geert Mak. 2017 Jaar van de waarheid. Bronislaw Geremeklezing. 14 februari 2017 in Utrecht.
Het zou opiniemaker Geert Mak ‘niets verbazen als’ een fictieve ‘toekomstige historicus,’ over wiens ‘schouder’ mijn oude vriend meekijkt, het over ‘zo’n halve eeuw allemaal gaat opschrijven.’ De pedanterie grenst zo aan de waanzin, hier neemt een journalist — Mak is geen historicus — alvast een voorschotje op de toekomst. Hoewel het orakel van Bartlehiem suggereert een historicus te zijn, blijken zelfs zijn beschouwingen over het verleden maar al te vaak onjuist. Misschien is dat de voornaamste reden dat hij zich steeds vaker over de toekomst uitspreekt. Niemand kan immers zijn voorspellingen checken. Toch durf ik hier nu al te stellen dat als een ‘toekomstige historicus’ de euro ‘een centrale rol’ zal geven voor het ontstaan van de ‘crisis,’ deze gefingeerde geschiedkundige, net als Mak, niets begrepen heeft over de oorzaken van het groeiende wantrouwen en weerzin tegen het neoliberaal totalitarisme. Ik vrees dat ‘we’ hier opnieuw te maken hebben met het irrationele simplisme van de ‘populairste geschiedenisleraar van het land.’ Volgens Mak was de ‘bankencrisis’ van 2008 — die voor hem en de rest van de mainstream-pers ineens en volkomen onverwacht uit de lucht kwam vallen —
niet alleen een financiële crisis. Het was minstens zo sterk een massale psychologische crisis, waaraan geen reddingsplan iets kon veranderen. Je zou kunnen zeggen dat zowel de Amerikanen als de Europeanen zich toen begonnen te realiseren dat ze van de ene samenleving naar een andere waren verhuisd. En wel van een samenleving met een grote mate van onderling vertrouwen naar een samenleving vol wantrouwen, van een samenleving van optimisme naar een samenleving vol slechte voorgevoelens, van een samenleving waarbinnen bepaalde wetmatigheden golden naar een samenleving waarin alles onzeker was. Het was, in dat opzicht, een Atlantische crisis — misschien wel de laatste.
Mak beweert dat er tot 2008 nauwelijks een vuiltje aarde lucht was, daarom ook eindigde hij in 2004 in zijn nog immer aangeprezen boek In Europa met de rotsvaste overtuiging, kenmerkend voor elke gelovige, dat:
Europa als vredesproces een eclatant succes [was]. Europa als economische eenheid is ook een eind op weg.
Dit schreef hij dus terwijl in Den Haag voor het Joegoslavië Tribunaal oorlogsmisdadigers zich moesten verantwoorden voor de bloedbaden, waarbij zij in het voormalige Joegoslavië betrokken waren geweest. Dat ondanks Srebrenica het Europese ‘vredesproces’ een ‘eclatant succes’ is geweest, is natuurlijk absurd, en hetzelfde geldt voor de naoorlogse koloniale oorlogen die talloze Europese landen in hun overzeese gebiedsdelen hebben gevoerd, en voor de steun aan de illegale inval in Irak die het begin is geweest van de huidige bloedbaden in het Midden-Oosten, en het terrorisme in Europa. En wat betreft ‘Europa als economisch eenheid’ die ‘een eind op weg’ zou zijn, vier jaar later voltrok zich de kredietcrisis, gevolgd door een economische crisis die veel weg had van de beurskrach in 1929. Pas toen de ‘crisis’ zich in volle hevigheid manifesteerde, realiseerden Mak en zijn gevolg zich dat er iets ‘mis’ was gegaan, maar zelfs nu nog, negen jaar later, weet de bejubelde woordvoerder van het establishment nog steeds niet ‘waar’ en ‘wanneer’ het ‘mis’ ging en wat er nu toch ‘in hemelsnaam aan de hand [is] in de wereld?’ Na decennialang met de neoliberale stroom te zijn mee gedobberd werden mijn mainstream-collega’s van de ene op de andere dag geconfronteerd met de werkelijkheid, maar omdat zij intellectueel decennialang stil hadden gestaan, stonden ze met een mond vol tanden, en moest de een na de ander verklaren dat ze zich hadden verkeken. Dat alles in de natuur en dus ook in het menselijk bestaan gedirigeerd wordt door de wetten van oorzaak en gevolg, waren ze inmiddels vergeten, en dus kwamen zij niet veel verder dan de opmerking dat ‘het geld was verdampt,’ en dat ‘we’ juist daarom met honderden miljarden aan belastinggeld de banken, die dankzij de neoliberale politiek van deregulering evenveel miljarden uit de lucht hadden geplukt, overeind moesten houden. Dat de westerse ‘vrije pers’ hierbij een doorslaggevende rol speelden, maakte de VPRO-televisiejournalist Chris Kijne nog eens duidelijk toen hij in 2008 liet weten eraan te twijfelen of het wel zin heeft het publiek eerlijk te informeren. Immers, zo schreef hij in het inmiddels ter ziele gegane blad voor omroepmedewerkers Spreek’buis,
Voor ons journalisten was het natuurlijk niet nieuw dat Wouter Bos ons niet altijd de waarheid vertelde. Wel is het nieuw dat ik op dit moment even niet meer weet of ik wel even hard als vroeger mijn best moet doen om hem die waarheid te laten vertellen. Of er inderdaad niet even een hoger belang is dan ‘de waarheid, niets dan de waarheid.’
Voor de mainstream-journalist blijft ‘de waarheid’ ondergeschikt aan het belang van de macht, in dit geval die van de neoliberale ideologie. Het enige bijzondere hieraan is dat Kijne zo onnozel was zijn corrupte houding publiekelijk bekend te maken. Intussen is, mede dankzij de collaborerende houding van de Kijne’s in de massamedia, de situatie in de financiële wereld op geen enkele manier wezenlijk veranderd. Naderhand schreef Kijne zelf:
Aan dat verschijnsel, in de woorden van Bos de ‘fundamentele oorzaken van deze crisis,’  is dus volgens de voormalig PvdA-leider nog steeds  niets, of in ieder geval veel te weinig, gedaan. Heb ik toch weer een meninkje:  Als hem en al zijn collega-politici  iets valt aan te rekenen, is het dat.
Eén van de grootste media-ideologen, adviseur van meerdere presidenten, was de Amerikaan Walter Lippmannm die al in de jaren twintig van de vorige eeuw erop wees dat
public opinions must be organized for the press if they are to be sound, not by the press… Without some form of censorship, propaganda in the strict sense of the word is impossible. In order to conduct propaganda there must be some barrier between the public and the event. Access to the real environment must be limited, before anyone can create a pseudo-environment that he thinks is wise or desirable.
Vanwege dit en soortgelijke opvattingen ontving Lippmann in 1964, de Presidential Medal of Freedom, de ‘highest civilian award of the United States. It recognizes those people who have made ‘an especially meritorious contribution to the security or national interests of the United States, world peace, cultural or other significant public or private endeavors.’ 
De gevestigde orde was Lippmann dankbaar dat hij zo duidelijk had gemaakt dat de beelden die de massa — in zijn woorden ‘a bewildered herd’ — krijgt voorgeschoteld streng geselecteerd moeten worden, zodat de juiste opvattingen ontstaan aangezien ‘the real environment is altogether too big, too complex, and too fleeting for direct acquaintance.’ De massamens 
is not equipped to deal with so much subtlety, so much variety, so many permutations and combinations. And although we have to act in that environment, we have to reconstruct it on a simpler model before we van manage with it.
De democratie moet geleid worden door de elite en ‘het publiek moet zijn plaats weten,’ zodat ‘verantwoordelijke mensen… niet gestoord door het gestamp en het gebrul van een verbijsterde kudde’ hun beleid kunnen bepalen, aldus Lippmann. De enige ‘functie’ in een ‘democratische’ samenleving van ‘onwetende en bemoeizuchtige buitenstaanders’ moest die zijn van ‘geïnteresseerde toeschouwers.’ Het gevolg is dat nu opportunisten naadloos passen in deze functieomschrijving. Het ene moment is Kijne bereid een niet nader omschreven ‘hoger belang’ te dienen en af te zien van de speurtocht naar wat hij noemt ‘de waarheid, niets dan de waarheid,’ en het volgende moment pleit hij voor ‘nauwgezet, langdurig en onbevooroordeeld onderzoek’ naar diezelfde ‘waarheid.’ In zijn roman Il conformista (1951) geeft Alberto Moravio een genadeloos portret van een man die lijdt aan deze stoornis. De protagonist wordt beheerst door de ‘zucht tot behagen die aan slaafsheid of aan koketterie grensde,’ omdat de conformist ‘tot elke prijs’ streeft ‘naar normaliteit; een wil tot aanpassing aan een algemeen aanvaarde norm, een verlangen om gelijk te zijn aan alle anderen, omdat anders-zijn hetzelfde was als schuldig zijn.’  En dus is hij de ene dag bereid zijn ziel te verkopen om de volgende dag te claimen dat hij ‘nauwgezet,’ en ‘langdurig’ op zoek blijft naar de ‘waarheid, niets dan de waarheid.’  En zo zijn we weer terug bij Geert Mak, die in 2012 ondermeer zijn eigen opportunisme als volgt verwoordde:
Nemen wij, chroniqueurs van het heden en verleden, onze taak, het ‘uitbannen van onwaarheid’, serieus genoeg.  Zeker in deze tijd? Ik vraag het me af. Op dit moment vindt op Europees en mondiaal niveau een misvorming van de werkelijkheid plaats die grote consequenties heeft.
Vandaar dat hij pas begin 2017, het ‘jaar van de waarheid,’ over de kredietcrisis van 2008 durfde te stellen dat ‘we’ plotseling en voor hem in feite onverklaarbaar
van de ene samenleving naar een andere waren verhuisd. En wel van een samenleving met een grote mate van onderling vertrouwen naar een samenleving vol wantrouwen, van een samenleving van optimisme naar een samenleving vol slechte voorgevoelens, van een samenleving waarbinnen bepaalde wetmatigheden golden naar een samenleving waarin alles onzeker was.
Het establishment moet het hebben van dit slag opportunistische chroniqueurs, van conformisten die pas achteraf het publiek met voldongen feiten confronteert. Of in Mak’s terminologie:
Er zijn machten aan de gang boven Europa, ik zeg echt bóven Europa, het klassieke woord grootkapitaal doet hier zijn intrede. Ik heb er nooit zo in geloofd, maar nu wel, die ons totaal ontglipt en waar je niks tegen kunt doen.
Weliswaar vindt hij dit ‘buitengewoon beklemmend,’ maar vervolgens pleit hij, geheel volgens de regels van het opportunisme, enerzijds voor meer steun aan het neoliberale Brussel, dat het dorp Jorwerd in stand moet houden, en anderzijds voor nog meer geld voor de NAVO omdat ‘meneer Poetin’ aan ‘landjepik’ doet, om zich tenslotte in 2017 publiekelijk uit te roepen:
Wat is er in hemelsnaam aan de hand in de wereld? 

Wel, één ding weet mijn oude vriend Geert Mak nog steeds niet wanneer hij deze vraag opwerpt, namelijk  dat ook zijn anti-Rusland propaganda de wereld dichterbij een Derde Wereld Oorlog heeft gebracht. Om het Angelsaksische mainstream-publiek te behagen schreef hij In America. Travels with JOHN STEINBECK (2015) tegen beter weten in:

Russia is on the move again. After the collapse of the Soviet Empire it wants to start history once more, and how! Old myths about Russian greatness and the Russian soul are being dusted off. Borders are being redrawn, spheres of influence determined by force — it’s as if we’re back in the nineteenth century, complete with rigid and short-sighted tsarism. Russians have a sense that the Western world, including Western values and Western ways of thinking, are no longer paramount.
Ik stel met nadruk ‘tegen beter weten in,’ omdat hij al een jaar later moest toegaf dat
Oekraïne een ontzettend labiel land [was en is], op de rand van een failed state, en nog altijd extreem corrupt. En of we dat nu leuk vinden of niet, het is een deel van de Russische invloedssfeer. Als president van Rusland kon Poetin zich niet permitteren niet op het verlies van de Krim te reageren. Als je nog maar een middag de geschiedenis van Rusland en Oekraïne bestudeert, snap je dat. Er is veel te lichthartig met dat probleem omgesprongen.
Geert Mak’s lucratieve maar misdadig opportunisme heeft er mede toe bijgedragen dat in Nederland de veronderstelling is ontstaan dat de Russische Federatie een bedreiging is voor de EU en de NAVO, waardoor het Westen nu ‘Ever Closer to War’ is, zoals de kop luidde boven een artikel van Brian Cloughley, ‘former deputy head of the UN military mission in Kashmir and Australian defense attaché in Pakistan.’ Woensdag 21 juni 2017 schreef hij,
The Science and Security Board of the Bulletin of the Atomic Scientists has warned that the likelihood of a catastrophic nuclear war is closer than since 1953. As explained by the Bulletin, in 1947 it devised the Doomsday Clock ‘using the imagery of apocalypse (midnight) and the contemporary idiom of nuclear explosion (countdown to zero) to convey threats to humanity and the planet.’
Each year ‘the decision to move (or to leave in place) the minute hand of the Doomsday Clock is made by the Bulletin’s Science and Security Board in consultation with its Board of Sponsors, which includes 15 Nobel laureates.’ In 1953 the Clock was at two minutes to midnight. In the worst years of the cold war it was at 3 minutes to midnight when, in 1984 it was recorded that ‘US-Soviet relations reach their iciest point in decades. Dialogue between the two superpowers virtually stops. Every channel of communications has been constricted or shut down; every form of contact has been attenuated or cut off…’
And now, in 2017, it is apparent that channels of communication with Russia are being deliberately cut off — and the hands of the Doomsday Clock have been placed at just two-and-a-half minutes from midnight.
Disaster looms.
And as it looms, the United States Senate is heightening its global confrontational approach and announced that it intends to penalize Russia for a number of supposed misdemeanors. 
Dezelfde dag nog, twee jaar nadat Henry Kissinger had gewaarschuwd dat ‘breaking Russia has become an objective’ voor de beleidsbepalers in Washington, stelde de onafhankelijke journaliste Caitlin Johnstone onder de kop ‘We Are Inches From A New World War, And Clintonists Are To Blame’:
American military provocations against the pro-Assad coalition in Syria are fast becoming a daily occurrence. In response to the US air force’s gunning down of a Syrian military plane on Sunday, Russia has cut off its hotline with which it was coordinating operations with America to avoid aerial collisions, and has warned that all US aircraft west of the Euphrates river will now be tracked and treated as potential targets. Today, 25 miles northwest of the Russian enclave of Kaliningrad, a US reconnaissance plane was intercepted by an armed Russian aircraft which came within five feet of the plane’s wingtip. This on the same day that the US shot down yet another Iranian military drone in Syria.
Clintonists have been working tirelessly since the election to manufacture these new Cold War tensions. Stephen Cohen, easily America’s foremost authority on US-Russia relations, has warned again and again that the political pressures being placed on the Trump administration to maintain escalations with Russia without conceding an inch has placed our species in a situation that is in some ways even more dangerous than those we faced at the height of the Cuban Missile Crisis. If Kennedy had had to negotiate that crisis while being pressured by his entire country to keep escalating tensions with the USSR without yielding an inch, there is no way any terrestrial life would have existed beyond 1962. The Clintonists (along with their neocon buddies on the other side of the aisle) are responsible for creating those pressures.
‘You know it’s easy to joke about this, except that we’re at maybe the most dangerous moment in US-Russian relations in my lifetime, and maybe ever. And the reason is that we’re in a new cold war, by whatever name. We have three cold war fronts that are fraught with the possibility of hot war, in the Baltic region where NATO is carrying out an unprecedented military buildup on Russia’s border, in Ukraine where there is a civil and proxy war between Russia and the west, and of course in Syria, where Russian aircraft and American warplanes are flying in the same territory. Anything could happen.’
~ Stephen Cohen
Zonder overdrijven kan worden gesteld dat Geert Mak — gedreven door zijn onverzadigbaar narcisme — functioneert als een ongeleid projectiel in handen van het Atlantisch establishment. Al in 1971 wees de langst zittende voorzitter van de Senate Foreign Relations Committee, senator William Fulbright, in zijn boek The Pentagon Propaganda Machine op de consequenties van de gemilitariseerde Amerikaanse samenleving. Enkele fragmenten uit zijn betoog:
During the past several years, there have been too many instances of lack of candor and of outright misleading statements in treating with the public. Too often we have been misled by the very apparatus that is supposed to keep us factually informed or, in the very strictest sense, honestly guided.
Even without breaking the limits of honest presentation, any President and the heads of his ‘newsmaking’ departments can shape the flow of information the public gets.
The President has ready access to the nation’s television networks whenever he feels the need to use them, and his press conferences attract hundreds of newsmen. His statements and the statements of the Secretary of State and the Secretary of Defense usually get front page treatment.
Through selectivity and timing, they can command attention that at times is far greater than that deserved by the content of the information released. They can give new luster to old ideas and obliterate embarrassing events with announcements, actions, trips, and ‘summit meetings.’ In a pinch, what have been called ‘pseudo-events’ can be created.
The word ‘propaganda’ […] [stems] from the title Congregatio de propaganda fide (Congregation, or College, for the Propagation of the Faith)-an organization set up in I673 to train Roman Catholic missionaries – the word through usage over the years has taken on the meaning set forth in Webster’s New International Dictionary (Second Edition): ‘Now, often, secret or clandestine dissemination of ideas, information, gossip, or the like, for the purpose of helping, or injuring, a person, an institution, a cause, etc.’
From 1951 to I959, the Congress in its annual appropriations for the military limited the amount that could be spent on public relations to $2,755,000. According to Hohenberg, the services complied with the spending limit:
[…] by specifying that only particular duties could be classified as public relations. They even made out weekly slips giving the total number of hours spent in the “public relations” function-sometimes none at all, sometimes 30 to 45 minutes out of an entire week. It was not considered ‘public relations’ to ‘answer queries from the public,’ i.e. respond to a newspaper inquiry, or to draft statements, write speeches, or do so many of the things that are a normal part of a public relations man’s duty.
 
The congressional restriction on spending was removed in I959.
The military public relations campaign is directed at all of the American people (‘targets,’ they are called in the manuals, a nice military word adopted by Madison Avenue and readopted by military PR people in its new sense). The audience ranges from school children and teachers to ranchers and farmers, from union leaders to defense contractors, from Boy Scouts to American Legionnaires. The principal target of the military PR men, however, is the media.
Very few Americans, I am convinced, have much cognizance of the extent of the military sell or its effects on heir lives through the molding of their opinions, the opinions (and votes on appropriations) of their representatives in the Congress, and the opinions of their presumed ombudsmen in the American press.
When Congress passed the National Security Act in t947, it voted to end the rampant rivalry among the military services and to require each to subordinate its parochial interests to those of the military establishment as a whole. But here we are twenty-three years later with the Army, Navy, and Air Force each spending millions of tax dollars annually on persuasion of the public that its particular brand of weaponry is the best. Competition for the public’s affections-and their representatives’ votes in Congress-rivals the hucksterism of detergent manufacturers. This is hardly the conduct the public deserves from organizations that, taken together, consume almost half of all federal revenue.
Besides the millions spent by the separate services on publicity, other millions are spent by the office of the Secretary of Defense itself in its role as coordinator of military information and as a purveyor, too.
There is little doubt that the Department of Defense and the separate services are hard at work providing positive information to the American public and initiating and supporting activities to build up good public relations, but these efforts, in my view, are more designed to persuade the American people that the military is ‘good for you’ than genuinely to inform.
The seminars are heavily larded with discussions of foreign affairs covering such topics as Africa, South Asia, Comparative Political Systems, Geopolitics, International Economics, Communist China, and World Agriculture. The contents of those of the lectures that I have reviewed present a simplistic, often outdated, and factually incorrect view of complex world problems. The poor quality of the lectures alone is sufficient justification for abolishing the program. But the real issue is of far more fundamental importance. It is not a proper function of the Department of Defense to educate civilians on foreign policy issues or to teach them to be better citizens, even if the material presented is completely objective, which is frequently not the case.
An Anchorage, Alaska, man who attended one of the seminars wrote to me objecting to the approach taken by the speakers.
‘Charges,’ he wrote, ‘were made at every opportunity against most liberal activities on university campuses and at one point condemnations were made of what were referred to as “skeptical congressional powers.” Outbursts of applause followed charged comments about social disruption and personal testimonials were made by the civilians on the floor of the auditorium after the speakers had effectively silenced a man asking about disarmament. At several points what could be called nothing else but “scare tactics” were used to intimate that long lead [preparation] time considerations necessitated immediately the increase of our nuclear arsenal and strategic bomber squadrons. The C-5-A cost overruns were pooh-poohed as “just one of those things” […] The seminar did suggest one important thing to me. The greatest threat to American national security is the American Military Establishment and the no-holds-barred type of logic it uses to justify its zillion dollar existence.’
The military’s ‘education’ activities are but a small part of the total effort the Department of Defense expends on the citizenry. Like any organization of high visibility, it has to worry about ‘community relations.’ The presence of large military installations and large numbers of military personnel in populated localities naturally cause day-to-day problems with local governments and local residents for, whatever economic advantage may accrue due to the presence of the military near a community, the demands put upon them are burdensome. Community relations programs obviously are necessary. But, as with so many of its activities, the Defense Department carries ‘community relations’ far beyond what would seem to be necessary. Possibly it does so because of the normal panache of the military, but the more likely reason is the enormous resources at its disposal.
The Pentagon can pick up a town’s leading citizens and fly them to Florida or California. It can provide generals and admirals whose names make the headlines as speakers for the local Kiwanis Club or Chamber of Commerce. Military units and bands and color guards are available for celebrations. Skydiving paratroopers can enliven the county fair. Towns with deep water harbors can be visited by impressive Navy ships, open to public visiting. Local high schools can have ROTC units equipped and supported. And all at no expense to the local citizen-except in his tax bill…
The expressed purposes of military community relations programs stretch beyond what would seem to be their normal purview (omvang. svh). Besides ‘developing public understanding of and cooperation with the DOD (Department of Defense. svh) in its community relations program’ and ‘assisting recruiting,’ the purposes include ‘informing the public on the state of preparedness of the DoD’ and ‘promoting national security and stimulating patriotic spirit.’ The multi-million-dollar public relations programs conducted by the Pentagon and the services apparently are not enough to keep people informed. As for ‘stimulating patriotic spirit,’ in our present-day society where patriotism seems to be equated with approval of billions for defense and where superpatriotism is burgeoning, it seems to me that the military is reaching too far.
Of considerable importance to the Defense Department in selling the military point of view is the stream of American citizens who pass through terms of military service. We have become a nation of veterans — now more than 28 million. This means that more than one-fifth of our adult population has been subjected to some degree of indoctrination in military values and attitudes. And all have been, whether they liked it or not, that dream of the public relations man — a captive audience.
The Pentagon today has a captive audience numbering more than 3 million Americans in uniform, and a very large part of Defense Department information activity is directed at them, although not charged to general public relations activities. The responsibility of reaching this audience, in large part, rests with the Office of Information for the Armed Forces, a part of the Office of the Assistant Secretary of Defense (Manpower and Reserve Affairs). The purposes of this office, according to the Defense Department, are ‘to help the commander insure that the military men and women are fully informed in order that they may (I) comprehend the values of our Government and our American Heritage; (2) be fully aware of the threat to free nations; ( 3 ) understand ideologies inimical to the free institutions upon which the United States is founded; and (4) realize the responsibilities and objectives of the individual military citizen.’
Kort samengevat: de VS heeft geen militair-industrieel complex, maar is er één. De VS is een gemilitariseerde samenleving, die sinds de stichting van de staat in 1776 slechts 21 jaar niet in oorlog is geweest, dus ruim 91 procent van haar bestaan massaal geweld heeft gebruikt om de belangen van zijn elite te waarborgen. Dat Geert Mak, volgens eigen zeggen, al zijn bewust eleven lang een ‘geheime liefde’ voor dit totalitair functionerende systeem koestert, is typerend voor de houding van de overgrote meerderheid van de polderpers. Daarentegen bezit de VS, opmerkelijk genoeg nog steeds kritische journalisten, zoals de vooraanstaande Amerikaanse journalist en auteur, Chis Hedges, onderscheiden met de prestigieuze Pulitzer Prijs. Hedges werkte lange tijd als correspondent in verschillende delen van de wereld, 15 jaar lang voor de New York Times, ondermeer als bureauchef voor het Midden Oosten. Hij berichtte uit meer dan 50 landen, was daarna hoogleraar Journalistiek aan de Princeton Universiteit, en is verbonden aan het onafhankelijke Nation Institute dat het oudste weekblad in de Verenigde Staten publiceert. Welnu, hij schreef het volgende over zijn land:
The political philosopher Sheldon Wolin uses the term ‘inverted totalitarianism’ in his book ‘Democracy Incorporated’ to describe our political system. It is a term that would make sense to Huxley. In inverted totalitarianism, the sophisticated technologies of corporate control, intimidation and mass manipulation, which far surpass those employed by previous totalitarian states, are effectively masked by the glitter, noise and abundance of a consumer society. Political participation and civil liberties are gradually surrendered. The corporation state, hiding behind the smokescreen of the public relations industry, the entertainment industry and the tawdry materialism of a consumer society, devours us from the inside out. It owes no allegiance to us or the nation. It feasts upon our carcass.
The corporate state does not find its expression in a demagogue or charismatic leader. It is defined by the anonymity and facelessness of the corporation. Corporations, who hire attractive spokespeople like Barack Obama, control the uses of science, technology, education and mass communication. They control the messages in movies and television. And, as in ‘Brave New World,’ they use these tools of communication to bolster tyranny. Our systems of mass communication, as Wolin writes, ‘block out, eliminate whatever might introduce qualification, ambiguity, or dialogue, anything that might weaken or complicate the holistic force of their creation, to its total impression.’
The result is a monochromatic system of information. Celebrity courtiers, masquerading as journalists, experts and specialists, identify our problems and patiently explain the parameters. All those who argue outside the imposed parameters are dismissed as irrelevant cranks, extremists or members of a radical left. Prescient social critics, from Ralph Nader to Noam Chomsky, are banished. Acceptable opinions have a range of A to B. The culture, under the tutelage of these corporate courtiers, becomes, as Huxley noted, a world of cheerful conformity, as well as an endless and finally fatal optimism. We busy ourselves buying products that promise to change our lives, make us more beautiful, confident or successful as we are steadily stripped of rights, money and influence. All messages we receive through these systems of communication, whether on the nightly news or talk shows like ‘Oprah,’ promise a brighter, happier tomorrow. And this, as Wolin points out, is ‘the same ideology that invites corporate executives to exaggerate profits and conceal losses, but always with a sunny face.’ We have been entranced, as Wolin writes, by ‘continuous technological advances’ that ‘encourage elaborate fantasies of individual prowess, eternal youthfulness, beauty through surgery, actions measured in nanoseconds: a dream-laden culture of ever-expanding control and possibility, whose denizens are prone to fantasies because the vast majority have imagination but little scientific knowledge.
Wikipedia formuleert het als volgt:
Inverted totalitarianism is a term coined by political philosopher Sheldon Wolin to describe the emerging form of government of the United States. Wolin believes that the United States is increasingly turning into an illiberal democracy, and he uses the term ‘inverted totalitarianism’ to illustrate the similarities and differences between the United States governmental system and totalitarian regimes such as Nazi Germany and the Stalinist Soviet Union.
Wolin believes that the United States (which he refers to using the proper noun ‘Superpower,’ to emphasize the current position of the United States as the only superpower) has been increasingly taking on totalitarian tendencies as a result of the transformations that it underwent during the military mobilization required to fight the Axis powers, and during the subsequent campaign to contain the Soviet Union during the Cold War:
While the versions of totalitarianism represented by Nazism and Fascism consolidated power by suppressing liberal political practices that had sunk only shallow cultural roots, Superpower represents a drive towards totality that draws from the setting where liberalism and democracy have been established for more than two centuries. It is Nazism turned upside-down, ‘inverted totalitarianism.’ While it is a system that aspires to totality, it is driven by an ideology of the cost-effective rather than of a ‘master race’ (Herrenvolk), by the material rather than the ‘ideal.’
According to Wolin, there are three main ways in which inverted totalitarianism is the inverted form of classical totalitarianism.
Whereas in Nazi Germany the state dominated economic actors, in inverted totalitarianism, corporations through political contributions and lobbying, dominate the United States, with the government acting as the servant of large corporations. This is considered ‘normal’ rather than corrupt.
While the Nazi regime aimed at the constant political mobilization of the population, with its Nuremberg rallies, Hitler Youth, and so on, inverted totalitarianism aims for the mass of the population to be in a persistent state of political apathy. The only type of political activity expected or desired from the citizenry is voting. Low electoral turnouts are favorably received as an indication that the bulk of the population has given up hope that the government will ever help them.
While the Nazis openly mocked democracy, the United States maintains the conceit that it is the model of democracy for the whole world. Wolin writes:
‘Inverted totalitarianism reverses things. It is all politics all of the time but a politics largely untempered by the political. Party squabbles are occasionally on public display, and there is a frantic and continuous politics among factions of the party, interest groups, competing corporate powers, and rival media concerns. And there is, of course, the culminating moment of national elections when the attention of the nation is required to make a choice of personalities rather than a choice between alternatives. What is absent is the political, the commitment to finding where the common good lies amidst the welter of well-financed, highly organized, single-minded interests rabidly seeking governmental favors and overwhelming the practices of representative government and public administration by a sea of cash.’
Managed democracy
Wolin believes that the democracy of the United States is sanitized of political participation and refers to it as managed democracy. He defines managed democracy as ‘a political form in which governments are legitimated by elections that they have learned to control’. Under managed democracy, the electorate is prevented from having a significant impact on policies adopted by the state through the continuous employment of public relations techniques.
Wolin believes that the United States resembles Nazi Germany in one major way without an inversion: the essential role that propaganda plays in the system. According to Wolin, whereas the production of propaganda was crudely centralized in Nazi Germany, in the United States it is left to highly concentrated media corporations, thus maintaining the illusion of a ‘free press.’ Dissent is allowed, although the corporate media serves as a filter, allowing most people, with limited time available to keep themselves apprised of current events, only to hear points of view which the corporate media deems to be ‘serious.’
According to Wolin, the United States has two main totalizing dynamics:
‘The first, directed outward, finds its expression in the Global War on Terror and in the Bush Doctrine that the United States has the right to launch preemptive wars. This amounts to the United States seeing as illegitimate the attempt by any state to resist its domination.
            The second dynamic, directed inward, involves the subjection of the mass of the population to economic ‘rationalization’, with continual ‘downsizing’ and ‘outsourcing’ of jobs abroad and dismantling of what remains of the welfare state created by U.S. Presidents Franklin D. Roosevelt’s New Deal and Lyndon B. Johnson’s Great Society. Thus, neoliberalism is an integral component of inverted totalitarianism. The state of insecurity in which this places the public serves the useful function of making people feel helpless, thus making it less likely that they will become politically active, and thus helping to maintain the first dynamic.’
Het behoeft geen betoog dat deze scherpzinniger analyse van een geheel andere orde is dan Mak’s wanhopige uitroep: ‘Wat is er in hemelsnaam aan de hand in de wereld?’ Hoewel Mak niet bij machte is zijn eigen vraag te beantwoorden, is de Amerikaanse cultuurcriticus, dichter en boer Wendell Berry daartoe wel in staat. Daarover de volgende keer, in verband met de lengte stop ik hier.