(Gepubliceerd) door: Stan van Houcke (28-6-2017)

Op 21 juni 2017 schreef ik de volgende e-mail aan de journalist, auteur en hoogleraar Ian Buruma:
beste ian,
je schreef onlangs in nrc hansdelsblad 
Hopelijk brengt het einde van Pax Americana geen heftige militaire conflicten met zich mee (wat absoluut niet kan worden uitgesloten). Maar dan nog zullen we ons moeten voorbereiden op een tijd waarin we met weemoed terugkijken op het betrekkelijk goedaardige imperialisme uit Washington.
ik heb nu twee vragen:
1. hoe betrekkelijk is het begrip ‘betrekkelijk’ in jouw optiek? Dit is daarom zo belangrijk te weten omdat een alom gerespecteerde onderzoeksjournalist als Tim Weiner, die jarenlang voor The New York Times werkte, in zijn boek Legacy of Ashes: The History of the CIA, 720 pagina’s lang het bloedspoor analyseert dat de CIA door de hele wereld trok. De recensent van The Washington Times kwalificeerde dit boek als:
Een vernietigend rapport van een inlichtingendienst die meestal faalde bij het voorspellen van belangrijke politieke gebeurtenissen op de wereld, mensenrechten schond, Amerikanen bespioneerde, moordaanslagen op buitenlandse regeringsleiders beraamde en geld stak in klungelige doofpotacties dat hij niet toekwam aan zijn eigenlijke werk, het verzamelen en analyseren van informatie.
De titel is afkomstig van president Eisenhower, die na acht jaar presidentschap
called into his office, the former legendary OSS officer and director of the CIA Allen Dulles, and said to him point- blank. ‘After eight years you have left me, a legacy of ashes.’
Concreet gesteld: zijn Vietnam, Afghanistan en Irak voorbeelden van ‘het betrekkelijk goedaardige imperialisme uit Washington’? Of waren de door de VS gesteunde staatsgrepen in Perzië en Guatemala, Chili en Congo voorbeelden van die goedaardigheid? Zo nee, waren dit soort bloedige interventies slechts te verwaarlozen details in een verder goed bedoeld beleid? 
2. Wie zijn ‘we’ die met ‘weemoed terugkijken’ naar zoveel ‘betrekkelijk goedaardige imperialisme’? Toch niet de vele miljoenen slachtoffers van het uiterst gewelddadig Amerikaans imperialisme. Waarom tellen die — gekleurde doden en verminkten — niet mee in jouw beschouwing? 
Ik hoop snel iets van je te vernemen, nu je op het punt staat The New York Review of Books te gaan leiden.
collegiale groet,
 Stan
De dag daarna ontving ik de volgende reactie van hem:
Beste Stan — Leuk van je te horen. Ik hoop dat je het goed maakt. Ik heb af en toe een blik geslagen op je blog, en begrijp je standpunten denk ik goed. De drie kwaadaardigste en gevaarlijkste machten in de wereld zijn de VS, Israel, en Geert Mak. Dit is niet een nieuwe visie (behalve dan Mak, die we even kunnen laten vallen): voor de tweede wereld oorlog was vijandigheid ten opzichte van de VS en de Joden (Israel bestond toen natuurlijk nog niet) iets wat eerder te vinden was in extreem rechtse, en zelfs niet zo extreem rechtse kringen. Aan Joods en Amerikaanse materialisme zou de westerse beschaving ten onder gaan.
In neem niet aan dat je dit standpunt deelt. Jouw ideeën komen eerder uit een wat ouderwetse Amerikaanse hoek, Chomsky, Zinn et al. die door een oudere generatie serieus werden genomen.
Nu over je specifieke vragen. De Amerikaanse interventies in Zuidoost Azië en het Midden Oosten zijn rampzalig geweest. Ook in Zuid Amerika heeft steun aan anti-Communistische juntas veel leed veroorzaakt. Daar kunnen we het over eens zijn. Hier staat tegenover dat in de laatste jaren van de Koude Oorlog het juist Amerikaanse “client states” in Zuidoost en Oost Azië waren (Taiwan, Z. Korea, Filippijnen) die met Amerikaanse steun konden worden gedemocratiseerd. Dat de Filippijnen en Thailand nu worden bestuurd door boeven en militairen kan Washington niet worden aangerekend (wel, natuurlijk, dat Duterte populair is bij Trump).
West Europa (en ook Japan) heeft zeker geprofiteerd van Pax Americana, en het was niet voor niets dat in de jaren tachtig toen het Sovjet imperium op zijn einde begon te lopen, Amerika zeer populair was onder oost Europeanen. Vandaar ook dat mensen als Adam Michnik en Vaclav Havel achter de oorlog in Irak stonden (een standpunt waar ik het niet mee eens was; ik heb er zelfs een debat over gevoerd met Michnik, die ik verder zeer bewonder).
Dus, vanuit mijn optiek, zijn de positieve kanten van Pax Americana inderdaad relatief, en ook het woord “wij”. Aangezien ik denk dat de meeste lezers van NRC/Handelsblad zich onder de west Europeanen kunnen scharen (ik kan dit natuurlijk mis hebben), is het woordje ‘wij’ in deze context, denk ik, vrij duidelijk.
Overigens, als ik zo vrij mag zijn, zou ik je een tip willen geven over je blog (je kunt dit natuurlijk onmiddellijk afslaan): het komt op mij altijd enigszins merkwaardig over als je Nederlanders beschuldigd van polderprovincialisme, maar zelf altijd met overdreven ontzag Amerikanen waar je het mee eens bent in de lucht steekt. Nog een puntje: ik kan me vergissen, maar is het niet de Washington Post die mijn vriend Tim Weiner heeft geprezen? De Washington Times is erg rechts. Maar dat is wellicht niet zo bekend in de polder.
Ik verheug me erop je weer eens te zien. Doe mijn hartelijke groeten aan Heikelien.
Hartelijke groet, Ian
Woensdag 28 juni 2017 stuurde ik Buruma de volgende reactie:
Beste Ian, 
Ik stel het op prijs dat je per ommegaande hebt gereageerd op mijn vragen. Ik ben wat trager, omdat ik jouw reactie in een bredere context wil plaatsen. Allereerst vrees ik dat je mijn ‘standpunten’ niet juist samenvat. Ik verdeel de wereld namelijk niet in goedaardig versus ‘kwaadaardig.’ Het christelijk manicheïsme is mij vreemd, omdat het te simplistisch is. Daarnaast vrees ik dat je niet begrepen hebt dat ik Geert Mak’s beweringen als exemplarisch beschouw voor de propagandistische goed/kwaad voorstelling van zaken die in de Nederlandse mainstream-media de boventoon voert. Ik gebruik mijn oude vriend slechts als voorbeeld van het simplificeren van complexe historische ontwikkelingen. Een dissidente visie is noodzakelijk, aangezien die door de polderpers wordt gemarginaliseerd door een alternatieve kijk volstrekt te negeren of in een incidenteel geval te criminaliseren. Overigens is hetzelfde het geval in de VS, zoals ondermeer uit het volgende blijkt: 
The mainstream media is so hostile to challenges to its groupthink that famed journalist Seymour Hersh had to take his take-down of President Trump’s April 6 attack on Syria to Germany, says ex-CIA analyst Ray McGovern.
Legendary investigative reporter Seymour Hersh is challenging the Trump administration’s version of events surrounding the April 4 ‘chemical weapons attack’ on the northern Syrian town of Khan Sheikhoun — though Hersh had to find a publisher in Germany to get his information out.  
Ander voorbeeld: in zijn boek Pay Any Price . Gree, Power, And Endless War (2014) zette de oud New York Times-journalist  James Risen uiteen hoe de leiding van de krant, na onder druk te zijn gezet door het Witte Huis, zijn onthullingen tot twee maal toe weigerde te publiceren. Hetzelfde gold voor zijn onthullende informatie, voorafgaand aan de agressieoorlog tegen Irak in 2003:
Before the invasion of Iraq, my stories that revealed that CIA analysts had doubts about the prewar intelligence on Iraq were held, cut, and buried deep inside the Times, even as stories by other reporters loudly proclaiming the purported existence of Iraqi weapons of mass destruction were garnering banner headlines on page one. I decided I wasn’t going to let that happen again.
Uiteindelijk besloot Risen een boek te schrijven met daarin de door zijn krant gecensureerde werkelijkheid:
After my manuscript was complete in the late summer of 2005, I told the editors at the Times that I was planning to include both the NSA story and the story about the CIA’s botched Iran program in my book. 
They were furious. For several weeks, the editors refused to reconsider running the NSA story, which, of the two stories, was freshest in their minds and which became the focus of our tense internal negotiations.
Kenmerkend is ook dat nadat het Irak-bedrog van de New York Times’-journaliste Judith Miller door de feiten was achterhaald, en niet langer meer kon worden verzwegen, zij moeiteloos overstapte naar Fox News Channel van Rupert Murdoch, met andere woorden: van ‘de beste krant van de wereld’ naar ‘het slechtste televisienetwerk ter wereld.’ De Amerikaanse auteur James Moore schreef op salon.com van 27 mei 2004 dan ook:
When the full history of the Iraq war is written, one of its most scandalous chapters will be about how American journalists, in particular those at the New York Times, so easily allowed themselves to be manipulated by both dubious sources and untrustworthy White House officials into running stories that misled the nation about Saddam Hussein’s weapons of mass destruction. The Times finally acknowledged its grave errors in an extraordinary and lengthy editors note published Wednesday. The editors wrote:
‘We have found… instances of coverage that was not as rigorous as it should have been… In some cases, the information that was controversial then, and seems questionable now, was insufficiently qualified or allowed to stand unchallenged. Looking back, we wish we had been more aggressive in re-examining the claims as new evidence emerged — or failed to emerge… We consider the story of Iraq’s weapons, and of the pattern of misinformation, to be unfinished business. And we fully intend to continue aggressive reporting aimed at setting the record straight.’
Kortom, Ian, je zult nu de reden begrijpen waarom ik Geert Mak als voorbeeld gebruik van een gecorrumpeerde opiniemaker in Nederland, die zichzelf telkens onweersproken publiekelijk kan tegenspreken. Ik zie hem dus niet als één van de ‘drie kwaadaardigste en gevaarlijkste machten in de wereld,’ zoals jij op zo’n karikaturale manier meent.
Blijven over ‘de VS’ en zijn satellietstaat ‘Israel,’ niet als ‘kwaadaardigste’ maar wel als ‘gevaarlijkste machten in de wereld,’ die een grote bedreiging vormen voor de wereldvrede. Die opvatting wordt gedeeld door talloze Amerikaanse en Europese intellectuelen, die ik regelmatig op mijn weblog aan het woord laat. Een aantal van hen heb ik de afgelopen decennia uitgebreid geïnterviewd. Onder hen is wijlen Chalmers Johnson die naar aanleiding van zijn boek Blowback. The Costs and Consequences of American Empire (2004) desgevraagd tegenover mij uiteenzette dat de Verenigde Staten na de Koude Oorlog in plaats van te demobiliseren zijn wereldwijd imperium in stand hield en zelfs uitbreidde. Toen ik deze oud CIA-adviseur en emeritus hoogleraar in 2006, vier jaar voor zijn dood, over de oorzaken van deze ontwikkeling interviewde, gaf hij de volgende verklaring:
Ik denk dat de belangrijkste reden is wat men met een technische term noemt: ‘Militair Keynesianisme,’ waarmee aangegeven wordt dat het militair-industrieel complex, de wapenindustrie, een integraal onderdeel is geworden van de Amerikaanse economie. In toenemende mate fabriceren wij in de Verenigde Staten niet zoveel. We hebben gezien hoe in de afgelopen decennia onze economie ernstig is uitgehold. Daarentegen produceren we wel massaal wapens, een buitengewoon lucratieve zaak, we verkopen ze wereldwijd. Het heeft nagenoeg niets te maken met de defensie van ons land maar alles met de commerciële belangen van de wapenindustrie. Die industrie is buitengewoon wonderlijk, het heeft maar één klant, er bestaat nauwelijks enige concurrentie en het is geen kapitalisme, maar staatssocialisme. Ik ben van mening dat het belangrijkste punt is dat de beleidsbepalers in de Verenigde Staten zich in 1991, ten tijde van de ineenstorting van de Sovjet Unie, zich simpelweg niet konden voorstellen dat hun economie zou groeien zonder door te gaan met het militair-industrieel complex en dus met de wapenindustrie. Meer algemeen gesproken was de Verenigde Staten eraan gewend geraakt een imperium te bezitten en om op elk continent de dienst uit te maken, te geloven dat het praktisch overal bij elk besluit betrokken moest zijn. Tegelijkertijd was het al in 1991 niet langer meer in een economische positie om zijn wereldwijd imperium te handhaven. Desondanks zocht het onmiddellijk na de val van de Sovjet Unie naar en vervangende vijand terwijl het zich dat niet kon permitteren. Eén van kwalijkste aspecten van het besluit om als het ware de Koude Oorlog voort te zetten was het feit dat de Verenigde Staten geen rekening hield met de mogelijkheid dat het dezelfde weg zou opgaan als de Sovjet Unie. Ook wij zijn in steeds grotere problemen geraakt door ‘imperial overstretch’ (dat wil zeggen: het rijk kost meer dan het opbrengt), door een toenemend economisch verval en door de overmatige afhankelijkheid van de wapenindustrie. Daarnaast krijgen we steeds meer te maken met wat de CIA noemt ‘blowback,’ een term daterend uit 1953 toen de Amerikaanse overheid in het geheim betrokken was bij de omverwerping van een democratisch gekozen buitenlandse regering, te weten de Iraanse premier Mohammed Mossadeq die de oliebronnen had genationaliseerd. Blowback betekent de onbedoelde consequenties van geheime buitenlandse operaties. Het is daarbij belangrijk te benadrukken dat het wraakneming betreft voor buitenlandse operaties die volstrekt geheim gehouden werden voor het Amerikaanse publiek, natuurlijk niet voor de slachtoffers ervan. Het resultaat is dat zodra er represailles volgen de Amerikaanse burger volstrekt onvoorbereid is en de gebeurtenissen niet kan zien in termen van oorzaak en gevolg. De aanslagen van 11 september 2001 zijn het duidelijkste voorbeeld daarvan. In plaats van te vragen waarom ze ons haten, had president Bush zich beter kunnen afvragen wie op aarde ons niet haat, en ons haat met goede redenen.
 
Waar mijn huidige boeken in feite over gaan is de mate waarin de Verenigde Staten een bepaalde macht heeft ontwikkeld die niet toegestaan is in onze bestuursvorm. Het Pentagon, de geheime diensten, de wapenindustrie die totaal verweven is met het Pentagon, zijn machtige instituten die niet meer democratisch gecontroleerd worden. Nagenoeg alles dat ze doen is geheim en ze vergroten de macht van de president enorm. Feiten waarvoor Eisenhower al 45 jaar geleden in zijn presidentiële afscheidstoespraak waarschuwde. Wat we nu zien is vergelijkbaar met de ontwikkeling van het oude Rome. De democratische republiek verandert stap voor stap in een militair imperium. Er is nu sprake van militarisme en niet in de allereerste plaats defensie. Militarisme is een manier van leven, waarbij de strijdkrachten worden verheerlijkt en de natie wordt verheven boven vrijheid en de democratische instituten die de vrijheid moeten garanderen. Bovendien is het gevaar van militarisme dat het instabiel is en net als bij andere imperia bevat het de zaden van zijn eigen vernietiging. Die radicale omslag is door de Koude Oorlog veroorzaakt. Het feit dat de Verenigde Staten na de val van de Sovjet Unie niet demobiliseerde, niet terugkeerde naar een burgerlijke, op vrede gerichte economie toont aan dat het een dekmantel was voor iets fundamentelers, namelijk de poging van Washington om na de Tweede Oorlog een imperium te scheppen dat het Britse rijk zou vervangen. En momenteel hebben we een president en een regering die voor altijd onbeheerste ambitieuze projecten nastreven. President George W. Bush verklaarde zelfs eens dat het zijn taak was om de wereld van boosdoeners te ontdoen, een absurde onderneming die alleen kan eindigen in het definitieve bankroet van de Verenigde Staten. Als grote vijand wordt vandaag de dag nog het islamitisch fundamentalisme gezien, maar geleidelijk aan wordt een nieuwe vijand gecreëerd, te weten China. Tegelijkertijd fabriceert China met zijn lage lonen in toenemende mate onze producten. Zowel de Republikeinse als de Democratische partij zijn volslagen schizofreen over dit onderwerp. De neoconservatieven, de militaristen, waarschuwen voor de opkomst van China, de nieuwe belangrijke macht in Oost Azië met de snelst groeiende economie op aarde, en het bevolkingsrijkste land ter wereld. Het moet zonodig militair in bedwang worden gehouden, er worden al militaire oefeningen daarvoor gehouden. Aan de andere kant staan de Fortune 500, de belangrijkste Amerikaanse industriële concerns, die bijna volkomen afhankelijk zijn van de Chinese productie. Zo is het grootste handelstekort ontstaan dat ooit door een natie is gemaakt. Bovendien zijn we tot op zekere hoogte ook anderszins volledig afhankelijk van China, het behoort tot de belangrijkste financiers van onze ontzagwekkende staatsschuld. Dit soort zaken hebben de Verenigde Staten in een buitengewoon kwetsbare positie gedrongen. Het is wonderlijk om te claimen een nieuwe Rome te zijn en tegelijkertijd de natie te zijn met de grootste buitenlandse schuld. Onze regering beledigt China regelmatig of provoceert het door bijvoorbeeld het voor de Chinese kust militaire oefeningen te houden met vliegtuigschepen en speciale eenheden, of door het steunen van het Indiase kernwapenprogramma. Het is extreem dwaas van ’s werelds grootste schuldenaar om door te gaan met het beledigen van zijn bankier. Onze bankier mag dan wel op dit moment belang hebben bij het drijvende houden van Amerika, maar dat belang kan snel veranderen. Het feitelijke probleem is dit: in de twintigste eeuw was het fundamentele vraagstuk in de internationale politiek of de gevestigde machten, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten, zich konden aanpassen aan de nieuwe machten Rusland, Duitsland en Japan. Zoals we weten konden ze dat niet, en dit leidde tot twee desastreuze wereldoorlogen. De vraag voor de 21ste eeuw is nu of de gevestigde machten daartoe wel in staat zijn, en tot nu toe ziet het er niet goed uit. Onze taak ten opzichte van China is aanpassing, niet omsingeling, niet oorlog. Een oorlog met China zou de machthebbers in Beijing, die zich nu bijna totaal wijden aan de uitbreiding van de commercie, militariseren. En het zou een oorlog zijn die de Verenigde Staten, net als in Vietnam, verliest. Daarom is het speculeren over een oorlog met ’s werelds oudste en bevolkingsrijkste samenleving het toppunt van dwaasheid.
Desondanks blijft de VS zich militair en psychologisch voorbereiden op een gewelddadige confrontatie met onder andere China. Vooruitlopend daarop wordt de Amerikaanse bevolking via de commerciële massamedia rijp gemaakt voor een grootschalig treffen. Een willekeurig voorbeeld daarvan was de voorpagina van de International Herald Tribune van vrijdag 1 juni 2012. Onder de kop ‘U.S.-China tensions grow at sea’ bericht de spreekbuis van de Amerikaanse gevestigde orde dat ‘Naval test of strength revolves around control of potential of energy source.’ Na de context duidelijk te hebben gemaakt, namelijk energiebronnen, vervolgde de Herald Tribune:
Superficially, a recent squabble in the South China Sea was over rare corals, clams and sharks that Philippine Navy seamen were trying to seize from a half-dozen Chinese fishing boats — until two Chinese Marine craft intervened. After tense hours in the tropical waters of the Scarborough Shoal, the Philippine Navy Ship — a refitted U.S. Coast Guard cutter — withdrew. But the real stakes were far larger, as the insistent claims of sovereignity over the shoal by the Philippine and Chinese governments since the standoff in April have made clear. The clash intensified longstanding disputes over the strategic and potentially energy-rich area that have become more urgent as the United States and China expand their naval power in the region. ‘We’re just pawns,’ said Roberto Romulo, a former Philippine foreign secretary who argues that China is flexing its muscles to gain unimpeded access to vast reserves of natural gas and oil believed to be buried under the South China Sea. ‘China is testing the United States, that’s all it is. And China is eating America’s lunch in Southeast Asia.’ A senior Chinese military officer dismissed any legitimate role for the United States in the South China Sea.
Het feit dat tegen 2020 tenminste 60 procent van de Amerikaanse vloot in de Zuid Chinese Zee zal zijn gestationeerd, geeft aan welke richting de VS opgaat.
Ian, sinds de jaren zestig houd ik de ontwikkelingen met betrekking tot de VS in de gaten, sinds de Vietnam-oorlog, en sinds ik senator William Fulbright’s boek The Arrogance of Power (1966) had gelezen. De gerespecteerde en langst zittende voorzitter van de Senaatscommissie voor Buitenlandse Betrekkingen, die uiteindelijk door de zionistische lobby ten val werd gebracht omdat hij kritisch stond tegenover het krankzinnige Israelische expansionisme, wees er destijds al op dat:
America is now at that historical point at which a great nation is in danger of losing its perspective on what exactly is within the realm of its power and what is beyond it. Other great nations, reaching this critical juncture, have aspired to too much, and by overextension of effort have declined and then fallen. 
The causes of the malady are not entirely clear but its recurrence is one of the uniformities of history: power tends susceptible to the idea that its power is a sign of God’s favor, conferring upon it a special responsibility for other nations — conferring upon it a special responsibility for other nations — to make them richer and happier and wiser, to remake them, that is, in its own shining image.  Power confuses itself with virtue and tends also to take itself for omnipotence.  Once imbued with the idea of a mission, a great nation easily assumes that it has the means as well as the duty to do God’s work.  The Lord, after all, surely would not choose you His agent and then deny you the sword with which to work His will. German soldiers in the First World War wore belt buckles imprinted with the words ‘Gott mit uns.’ It was approximately under this kind of infatuation — an exaggerated sense of power and an imaginary sense of mission — that the Athenians attacked Syracuse and Napoleon and then Hitler invaded Russia. In plain words, they overextended their commitments and they came to grief…
The stakes are high indeed: they include not only America’s continued greatness but nothing less than the survival of the human race in an era when, for the first time in human history, a living generation has the power of veto over the survival of the next.  
Our power to kill has become universal, creating a radically new situation which, if we are to survive, requires us to adopt some radically new attitudes about the giving and enforcement of advice and in general about human and international relations.
The enormity of the danger of extinction of our species is dulled by the frequency with which it is stated, as if a familiar threat of catastrophe were no threat at all. We seem to feel somehow that because the hydrogen bomb has not killed us yet, it is never going to kill us. This is a dangerous assumption because it encourages the retention of traditional attitudes about world politics when our responsibility… is nothing less than ‘to re-examine all of the attitudes of our ancestors and to select from those attitudes things which we, on our own authority in these present circumstances, with our knowledge, recognize as still valid in this new kind of world.’ 
The attitude above all others which I feel sure is no longer valid is the arrogance of power, the tendency of great nations to equate power with virtue and major responsibilities with a universal mission…
Maybe we are not really cut out for the job of spreading the gospel of democracy. Maybe it would profit us to concentrate on our own democracy instead of trying to inflict our particular version of it on all those ungrateful Latin Americans who stubbornly oppose their North American benefactors instead of the ‘real’ enemies whom we have so graciously chosen for them…
Traditional rulers, institutions, and ways of life have crumbled under the fatal impact of American wealth and power but they have not been replaced by new institutions and new ways of life, nor has their breakdown ushered in an era of democracy and development. It has rather ushered in an era of disorder and demoralization because in the course of destroying old ways of doing things, we have also destroyed the self-confidence and self-reliance without which no society can build indigenous institutions…
The ‘Blessings-of-Civilization Trust,’ as Mark Twain called it, may have been a ‘Daisy’ in in its day, uplifting for the soul and good for business besides, but its day is past.  It is past because the great majority of the human race is demanding dignity and independence, not the honor of a supine role in an American empire. It is past because whatever claim America may make for the universal domain of her ideas and values is balanced by the communist counter-claim, armed like our own with nuclear weapons. And, most of all, it is past because it never should have begun, because we are not God’s chosen savior of mankind but only one of mankind’s more successful and fortunate branches, endowed by our Creator with about the same capacity for good and evil, no more or less, than the rest of humanity.  
An excessive preoccupation with foreign relations over a long period of time is more than a manifestation of arrogance; it is a drain on the power that gave rise to it, because it diverts a nation from the sources of its strength, which are in its domestic life. A nation immersed in foreign affairs is expending its capital, human as well as material; sooner or later that capital must be renewed by some diversion of creative energies from foreign to domestic pursuits. I would doubt that any nation has achieved a durable greatness by conducting a ‘strong’ foreign policy, but many have been ruined by expending their energies in foreign adventures while allowing their domestic bases to deteriorate. The  United States emerged as a world power in the twentieth century, not bacause of what it had done in foreign relations but because it had spent the nineteenth century developing the North American continent; by contrast, the Austrian and Turkish empires collapsed in the twentieth century in large part because they had so long neglected their internal development and organization. 
Mijn vraag is: beschrijft senator William Fulbright, die — op de rücksichtlose zionistische lobby na — algemeen beschouwd wordt als een groot Amerikaans politicus, hier nu één van de ‘kwaadaardigste en gevaarlijkste machten in de wereld’? Nee, maar hij waarschuwde er wel degelijk voor. Helaas vergeefs, de elite in Washington, gesteund door de elite op Wall Street, heeft ondermeer door haar ‘pre-emptive’ oorlogen, zogenaamd ‘in “defense” of freedom’ de vrijheid van de burgers vernietigd, zoals Fulbright had voorspeld, ‘because one simply cannot engage in barbarous action without becoming a barbarian, because one cannot defend human values by calculated and unprovoked violence without doing mortal damage to the values one is trying to defend.’ Zo verloor het land zijn democratie en is het, volgens de kwalificatie van oud-president Carter, veranderd in een ‘oligarchy with unlimited political bribary,’ terwijl volgens de gerenommeerde Amerikaanse politicoloog Sheldon Wolin de VS een totalitair systeem is geworden.
Wolin throughout his scholarship charted the devolution of American democracy and in his last book, ‘Democracy Incorporated,’ details our peculiar form of corporate totalitarianism. ‘One cannot point to any national institution[s] that can accurately be described as democratic,’ he writes in that book, ‘surely not in the highly managed, money-saturated elections, the lobby-infested Congress, the imperial presidency, the class-biased judicial and penal system, or, least of all, the media.’
Inverted totalitarianism is different from classical forms of totalitarianism. It does not find its expression in a demagogue or charismatic leader but in the faceless anonymity of the corporate state. Our inverted totalitarianism pays outward fealty to the facade of electoral politics, the Constitution, civil liberties, freedom of the press, the independence of the judiciary, and the iconography, traditions and language of American patriotism, but it has effectively seized all of the mechanisms of power to render the citizen impotent.
Met de VS is hetzelfde gebeurd als met alle imperia in de geschiedenis. ‘The price of empire is America’s soul, and that price is too high,’ constateerde Fulbright al meer dan een halve eeuw voordat jij, Ian, tot de slotsom kwam dat ‘we’ misschien ‘het einde van de Pax Americana gelaten tegemoet [moeten] zien,’ waarbij jij je beperkt tot ‘de meeste lezers van NRC/Handelsblad,’ dus wit, behorend tot de welvarende middenklasse, opgegroeid in een christelijke cultuur, met de daarbij behorende, vaak kleinburgerlijke, opvattingen. Die beperking is voor mij opmerkelijk, aangezien ikzelf als journalist, en zelfs als auteur, nooit voor een publiek schrijf, maar altijd mijn eigen morele opvattingen en inzichten als uitgangspunt neem. Ik dacht dat jij al die jaren hetzelfde had gedaan, aangezien ik uitging van jouw eigen adagium dat ‘[w]esterse intellectuelen niets dan hun eigen idealen [vertegenwoordigen].’ Maar nu blijkt ineens dat jij in dit geval de NRC-lezer als maatstaf neemt. Gezien de karakteristieke onverschilligheid deze doelgroep — zolang hun welvaart maar niet aangetast wordt, en zolang het westerse terrorisme maar geen contraterreur in hun directe omgeving veroorzaakt — is het vanzelfsprekend dat zij ‘met weemoed terugkijken op het betrekkelijk goedaardige imperialisme uit Washington.’ Tegelijkertijd is dit voor iemand die een kosmopolitischer mens- en wereldbeeld bezit ronduit onaanvaardbaar in een wereld die al dan niet met geweld is geglobaliseerd. Zo voelden zij zich, bij navraag, ook niet aangesproken door dewe’ in jouw NRC-commentaar. Dit goed geïnformeerd milieu kijkt geenszins ‘met weemoed’ terug ‘op het betrekkelijk goedaardige imperialisme uit Washington,’ aangezien men weet hoeveel leed dit ‘goedaardige imperialisme’ heeft veroorzaakt. Het schrijven voor een tamelijk gezichtloze massa blijft gevaarlijk, niet voor niets wees Fulbright erop dat ‘[i]n a democracy dissent is an act of faith. Like medicine, the test of its value is not its taste, but its effect.’ 
Dan jouw opmerking dat ‘voor de tweede wereld oorlog was vijandigheid ten opzichte van de VS en de Joden (Israel bestond toen natuurlijk nog niet) iets wat eerder te vinden was in extreem rechtse, en zelfs niet zo extreem rechtse kringen. Aan Joods en Amerikaanse materialisme zou de westerse beschaving ten onder gaan.’ Het kan zijn dat je door de drukke bezigheden niet de tijd hebt gehad om het werk van de grote denkers uit het interbellum te lezen. Ik raad je daarom aan om Ortega Y Gasset’s Opstand der Horden (1930) te lezen, en Johan Huizinga’s Mensch en menigte in Amerika: vier essays over moderne beschavingsgeschiedenis (1918), de kritieken van de Frankfurter Schule, enzovoorts, die alle fundamentele kritiek uitoefenden op de platte Amerikaanse cultuur en een zekere ‘vijandigheid’ toonden tegenover het ‘Amerikaanse materialisme.’ Geen van hen behoorde tot de ‘extreem rechtse, en zelfs niet zo extreem rechtse kringen.’ Dan de kennelijk toch onvermijdelijke reflex dat kritiek op het Israelisch zionisme met al zijn terreur, een vorm van antisemitisme zou zijn. Achter dit soort suggesties kan men zich niet langer meer verschuilen zonder zichzelf ongeloofwaardig te maken. De Amerikaanse terreur, die tenminste 7 miljoen Indianenlevens heeft gekost en sinds 1945 ontelbare miljoenen slachtoffers heeft gemaakt, als ‘betrekkelijk goedaardig’ beoordelen, zo ‘goedaardig’ zelfs dat ‘we met weemoed’ erop zullen ‘terugkijken,’ en vervolgens suggereren dat kritiek op Israel op de een of andere wijze te vergelijken is met het antisemitisme van de nazi-tijd, is onfatsoenlijk en ook nog eens stupide. Al in 1981 verklaarde Nahum Goldman, twaalf jaar lang president van de World Zionist Organisation, met betrekking tot het joods slachtofferisme:
We zullen moeten begrijpen dat het joodse lijden tijdens de Holocaust niet langer meer als verdediging zal dienen, en we zullen zeker moeten nalaten de Holocaust als argument te gebruiken om gelijk wat we ook mogen doen te rechtvaardigen. De Holocaust gebruiken als een excuus voor het bombarderen… is een soort ‘ontheiliging,’ een banalisering van de onschendbare tragedie van de Holocaust, die niet misbruikt moet worden om een politiek twijfelachtig en moreel onverdedigbaar beleid te rechtvaardigen.
Vanwege zijn gematigde houding en zijn streven naar vreedzame coëxistentie met Israel’s Palestijnse en andere Arabische buren werd Nahum Goldman tenslotte diep gehaat door zijn mede-zionisten. Vrede had voor hen geen zin, aangezien zij onder aanvoering van Ben Goerion uit waren op de hegemonie in het Midden-Oosten.
In his later life Goldmann had extensive conversations with David Ben-Gurion. In his book The Jewish Paradox, Goldmann recalls a late night conversation he had with Ben-Gurion in 1956 about ‘the Arab problem’. Ben-Gurion told Nahum Goldmann:
‘Why should the Arabs make peace? If I was an Arab leader I would never make terms with Israel. That is natural: we have taken their country. Sure God promised it to us, but what does that matter to them? Our God is not theirs. We come from Israel, it’s true, but two thousand years ago, and what is that to them? There has been anti-Semitism, the Nazis, Hitler, Auschwitz, but was that their [the Arab’s] fault? They only see one thing: we have come here and stolen their country. Why should they accept that? They may perhaps forget in one or two generations’ time, but for the moment there is no chance.’
(Nahum Goldmann, The Jewish Paradox: A Personal Memoir of Historic Encounters that Shaped the drama of Modern Jewry, Grosset & Dunlap, 1978, p. 99)
De Joods-Israelische historicus Tom Segev schrijft over hem:
Goldman believed in the limits of power and in the power of self-restraint. Thus he was in favor of postponing the Declaration of Independence, in the hope of preventing the war, and he thought that the Sinai Campaign and the Six-Day War broke out basically as a result of mistakes made by the government of Israel. After the Six-Day War and until his death, he believed that it was to Israel’s benefit to withdraw from the territories. As opposed to the thesis that Israel’s deterrent power would ensure its existence, he believed that only the Arabs’ agreement to accept it in their midst would ensure this. 
The president of the World Jewish Congress and the president of World Zionist Organization walked a tightrope between the Jewish interest and the Zionist interest, and between both of these and the interest of the State of Israel. In contrast to the founding fathers of the state, and first and foremost Ben-Gurion, Goldman tended to see Israel as one among many possible alternatives for organizing Jewish life, including Jewish life in the Diaspora.
It turns out that he was right and perhaps this was his major sin: Jews can live outside of Israel, they can live well and many of them can live better there than in Israel… He not only aroused the envy of the Israelis, but also subverted some of the basic truths of their existence.
Inderdaad, in de ogen van de zionistische extremisten was Nahum Goldman’s ‘grootste zonde’ zijn overtuiging dat ‘Jews can live outside of Israel, they can live well and many of them can live better there than in Israel.’ Sterker nog, de meeste mensen die zich joods noemen of het ook daadwerkelijk zijn, verkiezen het nog steeds om niet in Israel te leven, maar in hun eigen land, waar dan ook ter wereld. (Opmerkelijk is tevens dat jij in je email ‘Joden’ schrijft met een hoofdletter, als het een volk betreft, terwijl alleen in Israel het ‘Joodse volk’ leeft, terwijl overal elders joden behoren tot het volk waar zij leven. De joods-Britse auteur John Berger schreef op 27 december 2008 het volgende:
We are now spectators of the latest — and perhaps penultimate — chapter of the 60 year old conflict between Israel and the Palestinian people. About the complexities of this tragic conflict billions of words have been pronounced, defending one side or the other. Today, in face of the Israeli attacks on Gaza, the essential calculation, which was always covertly there, behind this conflict, has been blatantly revealed. The death of one Israeli victim justifies the killing of a hundred Palestinians. One Israeli life is worth a hundred Palestinian lives. This is what the Israeli State and the world media more or less — with marginal questioning — mindlessly repeat. And this claim, which has accompanied and justified the longest Occupation of foreign territories in 20th C. European history, is viscerally racist. That the Jewish people should accept this, that the world should concur, that the Palestinians should submit to it – is one of history’s ironic jokes. There’s no laughter anywhere. We can, however, refute it, more and more vocally. Let’s do so.
 
Berger, wiens joodse voorouders uit Polen, Galicië en het Oostenrijks-Hongaarse Rijk kwamen, verklaarde ‘En hier identificeer ik mijzelf zonder te aarzelen met de rechtvaardige zaak en de pijn van degenen die de staat Israël (en neven van mij) veroorzaken in een mate die tragisch totalitair is.’ De auteur liet weten dat hij als kosmopoliet en humanist afstand deed van zijn ‘Recht op Terugkeer,’ dat het elementaire recht van de Palestijnen onvermijdelijk heeft vernietigd. Zijn identiteit ontleent hij niet aan zijn jood-zijn, maar aan zijn mens-zijn, zijn humanistische opvattingen. Ik kan niet aan de indruk ontkomen dat jij Israel er met de haren bijsleept. Alsof de zionistische staat, die geenszins namens alle joden spreekt, een moreel ijkpunt voor jou is geworden. Gisteren wees Philip Giraldi, ‘a former counter-terrorism specialist and military intelligence officer of the United States Central Intelligence Agency (CIA) and a columnist and television commentator who is the Executive Director of the Council for the National Interest, a group that advocates for more even-handed policies by the U.S. government in the Middle East.’
How Israel Manages Its Message
A new app enables instant pushback
PHILIP GIRALDI • JUNE 27, 2017  • 1,500 WORDS • 90 COMMENTS • REPLY
Those of us who are highly critical of Israel’s ability to manipulate U.S. foreign policy frequently note how sites that permit comments on our articles are almost immediately inundated with hostile postings that are remarkably similar in both tone and substance. Given that it is unlikely that large numbers of visitors to the sites read the offending piece more-or-less simultaneously, react similarly to its content, and then go on to express their disgust in very similar language, many of us have come to the conclusion that the Israeli government or some of the groups dedicated to advancing Israeli interests turn loose supporters who are dedicated to combating and refuting anything and everything that casts Israel in a negative light.
The fact is that Israel is extremely active in an enterprise that falls in the gray area between covert operations and overt governmental activity. Many governments seek to respond to negative commentary in the media, but they normally do it openly with an ambassador or press officer countering criticism by sending in a letter, writing an op-ed, or appearing on a talk show. Such activity is generally described as public diplomacy when it is done openly by a recognized government official and the information itself is both plausible and verifiable, at least within reasonable limits. Israel does indeed do that, but it also engages in other activities that are not so transparent and which are aimed at spreading false information.
When an intelligence organization seeks to influence opinion by creating and deliberately circulating ‘false news,’ it is referred to as a ‘disinformation operation.’ But Israel has refined the art of something that expands upon that, what might be referred to more accurately as ‘perception management’ or ‘influence operations’ in which it only very rarely shows its hand overtly, in many cases paying students as part-time bloggers or exploiting diaspora Jews as volunteers to get its message out. The practice is so systemic, involving recruitment, training, Foreign Ministry-prepared information sheets, and internet alerts to potential targets, that it is frequently described by its Hebrew name, hasbara, which means literally ‘public explanation.’ It is essentially an internet-focused “information war” that parallels and supports the military action whenever Israel enters into conflict with any of its neighbors or seeks to influence public opinion in the United States and Europe.
The hasbara onslaught inevitably cranks up when Israel is being strongly criticized. There were notable surges in activity when Israel attacked Gaza in 2009 and 2012, as well as when it hijacked the Turkish humanitarian relief ship the Mavi Marmarain 2011. The devastating 2014 Gaza fighting inevitably followed suit, producing a perfect storm of pro-Israel commentary contesting any published piece that in any way sympathized with the Palestinians. The comments tend to appear in large numbers on websites where moderation and registration requirements are minimal, including Yahoo! News, or Facebook and Twitter.
The hasbara comments are noticeable as they tend to sound like boilerplate, and run contrary to or even ignore what other contributors to the site are writing. They often include spelling and syntactical hints that the writer is not natively fluent in English. As is the practice at corporate customer support call centers in Asia, the commenters generally go by American-sounding names and use fake email addresses. They never indicate that they are Israelis or working on behalf of the Israeli government and they tend to repeat over and over again sound bites of pseudo-information, as when they falsely insist that Hamas was solely responsible for the recent Gaza-wars and that Israel was only defending itself. The commenters operate in the belief that if something is repeated often enough in many different places it will ipso facto gain some credibility and create doubts regarding contrary points of view.
That Israel is engaged in perception management on a large scale has more-or-less been admitted by the Israeli government, and some of its mechanisms have been identified, to include the Strategic Affairs Ministry headed by Gilad Erdan. The most recent wrinkle, focused on countering the nonviolent Boycott, Divest and Sanction (BDS) movement, is an app called ACT.IL, that was developed by Israel’s Interdisciplinary Center Herzliya (IDC) in collaboration with the Israeli American Council, which can be downloaded at iTunes, Apple app store and Google Play. The app enables one to tap into ‘the collective knowledge of IDC students who together speak 35 languages hail from 86 countries and have connections to the pro-Israel community all over the world.’  The Jerusalem Post, in an article praising the new initiative, describes how, ‘in this virtual situation room of experts, they detect instances where Israel is being assailed online and they program the app to find missions that can be carried out with a push of a button.’ What does it do? In a trial run, an Australian business that allegedly refused to serve Israelis was bombarded with negative Facebook comments that reduced its rating from a 4.6 to a 1.4.
The Israeli Foreign Ministry has sent a letter out to a number of pro-Israel organizations emphasizing the ‘importance of the internet as the new battleground for Israel’s image.’ Haaretz reported in 2013 how Prime Minister Netanyahu’s office collaborated with the National Union of Israeli Students to establish ‘covert units’ at the seven national universities to be structured in a ‘semi-military’ fashion and organized in situation rooms. Students are paid as much as $2,000 monthly to work the online targets.
The serious collaboration between government and volunteers actually began with Operation Cast Lead in early 2009, an incursion into Gaza that killed more than 1,800 Palestinians, when the Foreign Ministry pulled together a group of mostly young computer savvy soldiers supplemented by students both overseas and within Israel to post a number of government-crafted responses to international criticism.
Many of the initial volunteers worked through a website giyus.org (an acronym for Give Israel Your United Support). The website included a desktop tool called Megaphone that provided daily updates on articles appearing on the internet that had to be challenged or attacked. There were once believed to be 50,000 activists receiving the now-inactive Megaphone’s alerts.
There have also been reports about a pro-Israel American group called Committee for Accuracy in Middle East Reporting in America (CAMERA) preparing to enter its own version of developments in the Middle East on the popular online encyclopedia Wikipedia. E-mails from CAMERA reveal that the group sought volunteers in 2008 to edit material on Wikipedia ‘to help us keep Israel-related entries … from becoming tainted by anti-Israel editors,’ while also recommending that articles on the Middle East be avoided initially by supporters so as not to arouse suspicions about their motives. Volunteers were also advised to use false names that did not hint at any Israeli or Jewish connection and to avoid any references to being organized by CAMERA. Fifty volunteers reportedly were actively engaged in the program when it was exposed in the media and the program was put on hold.
CAMERA is an Internal Revenue Service-approved 501(c)(3) organization, which means that contributions to it are tax exempt. Such exemptions are granted to organizations that are either charitable or educational in nature and they normally preclude any involvement in partisan political activity. As CAMERA would not appear to qualify as a charity, it is to be presumed that its application for special tax status stressed that it is educational. Whether its involvement in “un-tainting” Wikipedia truly falls within that definition might well be debated, particularly as it appears to have been carried out in semi-clandestine fashion. CAMERA might well also be considered to be a good candidate for registration under the Foreign Agents Registration Act of 1938 (FARA), as its activity is uniquely focused on promoting the perceived interests of a foreign government.
The use of Israel’s universities as propaganda mills by the government also raises other significant issues. The growing BDS movement has included some Israeli universities as targets because of their alleged involvement with the government in the occupation of the West Bank. That the universities are also involved in possible government-sponsored information operations might be an additional convincing argument that BDS supporters might use to justify blacklisting at least some Israeli academic institutions.
Every government is engaged in selling a product, which is its own self-justifying view of what it does and how it does it. But the largely clandestine Israeli effort to influence American opinion is unique in that it comes from a country which receives more than $3 billion annually from the U.S. taxpayer. We Americans are therefore paying to be propagandized by people working for a foreign government who often pretend to be our fellow citizens but are not. What is occurring is essentially an intelligence operation directed against the United States, something that the CIA would have run back in the 1970s and 1980s. That Israel can continue to reap huge amounts of aid and political cover from Washington while it is actively working to make sure that Americans are poorly informed about the Middle East reveals more than anything the corruption of our political class and media, both of which appear to be ready to sell out for thirty shekels to anyone with the cash in hand. Time to drain the swamp, indeed.
← Israel’s Dirty Little Secret
Ian, daar komt nog een element bij, de holocaust is niet uniek. Het was de zwarte Franse dichter Aimé Césaire die erop wees dat het directe gevolg van het westerse koloniale wereldbeeld was dat
de kolonisator, die om zijn geweten te sussen de gewoonte heeft de andere mens als een beest te zien, zichzelf eraan went om hem als een beest te behandelen, en de neiging heeft om zichzelf in een beest te veranderen […] Ze dachten dat ze alleen maar indianen, of Hindoes, of bewoners van Zuidzee eilanden of Afrikanen aan het afslachten waren. Maar in feite hebben ze een voor een de verdedigingswallen vernietigd waarachter de Europese beschaving vrij had kunnen ontwikkelen.
De Zweedse hoogleraar en auteur Sven Lindqvist onderstreepte dit proces nog eens aan het eind van zijn boek Exterminate all the Brutes (1997) over The Origins Of European Genocide,’ door te concluderen:
Auschwitz was de moderne industriële toepassing van een uitroeiingspolitiek waarop de Europese overheersing van de wereld […] lang heeft gesteund.
De titel van zijn boek verwijst naar de zin uit Joseph Conrads  Hart der Duisternis, ‘verdelg al het gespuis.’ Lindqvist vraagt zich af waarom de westerse protagonist ‘Kurtz zijn rapport over de beschavingstaak van de blanke man in Afrika met deze woorden eindigt?’ Hij schrijft dan:
Ik las Conrad als een profetische auteur die alle gruwelijkheden die in het verschiet lagen, voorzien had. Hannah Arendt wist beter. Zij zag dat Conrad over de genocides van zijn eigen tijd schreef. In haar eigen boek The Origens of Totalitarianism (1951), toonde ze hoe imperialisme racisme noodzakelijk maakte als het enig mogelijke excuus voor zijn daden… Haar these dat nazisme en communisme van dezelfde stam komen is algemeen bekend. Maar velen vergeten dat zij ook de ‘verschrikkelijke slachtpartijen’ en het ‘barbaarse moorden’ van Europese imperialisten verantwoordelijk hield voor ‘de zegevierende introductie van dergelijke pacificatie-middelen in de alledaagse, respectabele buitenlandse politiek,’ daarmee totalitarisme en zijn genocides producerend.
Lindqvist ontdekt gaandeweg dat de
Europese vernietiging van de ‘inferieure rassen’ van vier continenten de grond voorbereidde voor Hitlers vernietiging van zes miljoen joden in Europa… Het Europese expansionisme, vergezeld als het was door een schaamteloze verdediging van het uitroeien, schiep manieren van denken en politieke precedenten die de weg baanden voor nieuwe wandaden, die uiteindelijk culmineerden in de gruwelijkste van alle: de Holocaust… En toen hetgeen was gebeurd in het hart der duisternis werd herhaald in het hart van Europa, herkende niemand het. Niemand wilde toegeven wat iedereen wist. Overal in de wereld waar kennis wordt onderdrukt, kennis die als ze bekend zou worden gemaakt ons beeld van de wereld aan gruzelementen zou slaan en ons zou dwingen om onszelf ter discussie te stellen — daar wordt overal het Hart der Duisternis opgevoerd. U weet dat al. Net als ik. Het is geen kennis die ons ontbreekt. Wat gemist wordt is de moed om te begrijpen wat we weten en daaruit conclusies te trekken.
Ian, ook jij verzweeg nog steeds de Amerikaanse bloedbaden tegenover het geprivilegieerde NRC-publiek om te kunnen beweren dat er ‘een tijd’ zal aanbreken, ‘waarin we met weemoed terugkijken op het betrekkelijk goedaardige imperialisme uit Washington.’ Ook daar wordt ‘het Hart der Duisternis opgevoerd,’ ook daar ontbreekt ‘de moed om te begrijpen wat we weten en daaruit conclusies te trekken.’
Welke belangen denk je hiermee te behartigen? Of is dit een poging het witte publiek te behagen? De vraag is: wanneer komen deze brave burgers in verzet? En wanneer komt de Hollandse intelligentsia, die het establishment dient, in verzet? De tijd dringt, het systeem is failliet, het collaboreren ermee is moreel verwerpelijk, net als ten tijde van de nazi’s. Het fascisme is al georganiseerd, alleen manifesteert het zich nu anders. En opnieuw spelen de staat en de financiële macht hierin een centrale rol. Ian, je schrijft:
Overigens, als ik zo vrij mag zijn, zou ik je een tip willen geven over je blog (je kunt dit natuurlijk onmiddellijk afslaan): het komt op mij altijd enigszins merkwaardig over als je Nederlanders beschuldigd van polderprovincialisme, maar zelf altijd met overdreven ontzag Amerikanen waar je het mee eens bent in de lucht steekt.
Ik begrijp niet echt waarom het op jou ‘altijd enigszins merkwaardig’ overkomt. Voor mij is namelijk niet de nationaliteit van doorslaggevend belang, maar de kwaliteit van hetgeen iemand te melden heeft. Ik kan me goed voorstellen dat je, door jouw langdurig verblijf in het buitenland, de benepen, zelfgenoegzame, betweterige polderprovincialisme nauwelijks meer kent. Maar laat ik je één ding verzekeren: die is verstikkend. Je spreekt van ‘overdreven ontzag,’ zonder dit te onderbouwen met argumenten. Mijn reactie hierop is eenvoudigweg: kom op, Ian, ik hoef jou, nu je op het punt staat hoofdredacteur van The New York Review of Books te worden, toch niet duidelijk te maken dat er een kwaliteitsverschil bestaat tussen een essay van bijvoorbeeld de Amerikaanse intellectueel Henry A. Giroux en een gelegenheidsstuk in NRC Handelsblad, waarin de lezer verteld wordt dat hij in de toekomst ‘met weemoed’ zal ‘terugkijken op het betrekkelijk goedaardige imperialisme uit Washington.’ Waarom zou het van ‘overdreven ontzag’ getuigen om een scherpzinnig essay van Giroux te verkiezen boven een doorsnee manstream-artikel? ‘Ontzag’ voor scherpzinnigheid wordt in Nederland algauw gezien als ‘overdreven,’ omdat in de polder geldt ‘doe maar normaal, dan doe je al gek genoeg.’ Je zult het me dan ook niet kwalijk nemen dat ik jouw ‘tip’ laat voor wat die is, zolang je me niet duidelijk kunt maken waarom ‘ontzag’ voor een intelligent betoog ‘overdreven’ is. Overigens, het ironische is dat toen ik eens in gezelschap van collega’s vertelde hoe ik de analyse in jouw boek ‘Erbschaft der Schuld: Vergangenheitsbewältigung in Deutschland und Japan’ bewonderde, mij voor de voeten werd geworpen dat mijn respect ‘overdreven’ was. Dat was nog in de tijd dat jij niet echt bekend was in Nederland.
Tenslotte nog dit: je bent tot hoofdredacteur van de New York Review of Books benoemd. Wat mij als decennialange lezer opvalt is dat de kwaliteit van het blad het laatste jaar sterk achteruit is gegaan. Maak er weer iets bijzonders van. Ik bedoel dit: zoals jij en ik de vooroorlogse generatie beoordelen op hun integriteit, zo zullen ook onze nakomelingen jouw en mijn integriteit be- en veroordelen. Schrijven is blijven. Het is daardoor tevens een oproep ons niet te conformeren aan de gevestigde orde, die altijd slechts een betrekkelijk korte levensduur kent. Lees De conformist van Alberto Moravia nog eens, en je zult begrijpen wat ik bedoel. We leven in een waanzinnige tijd, en de vraag is wie in staat zal zijn die te beschrijven. Ieder ontwikkeld mens ziet zich nu gedwongen de vraag te stellen: ‘Waar sta ik in dit geheel? Collaboreer ik, of verzet ik me?’ Ikzelf heb ‘ontzag’ voor de onbeschroomde rol die bijvoorbeeld Cicero speelde en verafschuw de rol van de opportunistische mainstream-media. Cicero kennen we na twee millennia nog, maar het werk van de commerciële massamedia zijn wij morgen alweer vergeten. Milan Kundera merkte terecht op dat
[o]p grond van de dwingende noodzaak te behagen en zo de aandacht van het grootst mogelijke publiek te trekken, de esthetiek van de massamedia onvermijdelijk die [is] van de kitsch en naarmate de massamedia ons gehele leven meer omsluiten en infiltreren, wordt de kitsch onze dagelijkse esthetiek en moraal.