Door: Stan van Houcke (16-7-2017)

Kenmerkend voor het mens- en wereldbeeld van een journalist is diens voorstelling van zaken, de wijze waarop hij de werkelijkheid presenteert. Hoewel de westerse mainstream-pers blijft pretenderen onafhankelijk en objectief te zijn in haar oordeel, blijkt in de praktijk van alledag al snel hoe bevooroordeeld en propagandistisch haar werk is. Ik geef een voorbeeld aan de hand van datgene wat Ian Buruma in The New York Times van 29 november 2016 beweerde:

One of the strangest episodes in Donald Trump’s very weird campaign was the appearance of an Englishman looking rather pleased with himself at a rally on Aug. 24 in Jackson, Miss. The Englishman was Nigel Farage, introduced by Trump as ‘the Man Behind Brexit.’ Most people in the crowd probably didn’t have a clue who Farage — the leader of the United Kingdom Independence Party — actually was. Yet there he stood, grinning and hollering about ‘our independence day’ and the ‘real people,’ the ‘decent people,’ the ‘ordinary people’ who took on the banks, the liberal media and the political establishment. Trump pulled his face into a crocodile smile, clapped his hands and promised, ‘Brexit plus plus plus!’
Brexit itself — the decision to withdraw Britain from the European Union, notwithstanding the almost universal opposition from British banking, business, political and intellectual elites — was not the main point here. In his rasping delivery, Trump roared about Farage’s great victory, ‘despite horrible name-calling, despite all obstacles.’ Quite what name-calling he had in mind was fuzzy, but the message was clear. His own victory would be like that of the Brexiteers, only more so. He even called himself Mr. Brexit.
Al meteen in de eerste zin staan twee adjectieven die de lezer vertellen hoe zij de gebeurtenissen dienen te interpreteren, te weten, ‘strangest’ en ‘very weird,’ oftewel ‘vreemd’ en ‘buitengewoon vreemd,’ in de zin van ‘bizar, griezelig, angstwekkend.’  Vervolgens deelt Buruma zijn geschoold lezerspubliek mee dat ‘Brexit itself’ het besluit was van de meerderheid van de Britse kiezers om het lidmaatschap van de Europese Unie op te zeggen, ‘notwithstanding the almost universal opposition from British banking, business, political and intellectual elites.’ Hiermee suggereert de liberal Buruma hoe ongehoord het was dat in een zogeheten ‘democratie’ de meerderheid van het kiezersvolk tegen het ‘bijna universele’verzet van de ‘elites’ inging. Het adjectief ‘universele’ moet de indruk vestigen dat de weerstand tegen Brexit massaal was, terwijl de ‘oppositie’ ook nog eens bestond uit elites die normaal gesproken in het  neoliberale  bestel de dienst uitmaken. Dit alles wordt door Buruma omkleed met begrippen als‘hollering, crocodile smile, rasping, fuzzy’ etcetera, om zijn lezers goed duidelijk te maken dat we hier te maken hebben met een schijnvertoning, een onverwachte opstand van parvenu’s die zich doorgaans laten leiden door ‘banking, business, political and intellectual elites.’ Dat deze ‘elites’ verantwoordelijk zijn voor bijvoorbeeld de permanente oorlogsvoering met de bekende rampzalige gevolgen, voor de kredietcrisis van 2008 en haar even desastreuze gevolgen voor de westerse economie, voor de wereldwijde toenemende kloof tussen rijk en arm — nu ook in het Westen zelf — en voor de klimaatverandering, zijn alle feiten die door Buruma vanzelfsprekend worden verzwegen in zijn voorstelling van zaken. Hoewel president Trump blind is voor de gevaren van klimaatverandering is het zeker niet de schuld van de ‘holloring’ parvenu’s in zijn regering dat ‘The West Is on Fire as Heat Records Fall’ en dat ‘A scorcher of a heat wave broke temperature records across the West and helped fuel new wildfires,’ zoals juli 2017 ‘Climate Central,’ berichtte, een ‘independent organization of leading scientists and journalists researching and reporting the facts about our changing climate and its impact on the public.’ De organisatie  wees erop dat:
[w]hile heat waves are a regular part of summer weather, the steady warming of the planet means those heat waves are getting ever hotter, making record heat more and more likely…
Extreme heat is one of the hallmarks of global warming; as the average temperature of the planet rises, record heat becomes much more likely than record cold. And cities in the Southwest — where most of the region’s population lives — are some of the fastest-warming in the country…
With temperatures continuing to rise — and no substantial effort yet to curtail the greenhouse gas emissions driving that rise — the world at large stands to see more such extreme heat in the future. Another recent study found that half of the world’s population could be exposed to heat that reaches deadly levels by the end of the century even with the most stringent reductions in greenhouse gases. 
These kind of heat waves pose threats to public health, local economies and infrastructure. The increased use of air conditioning can tax the electric grid, while the heat can damage crops and curtail outdoor activities, such as construction. During a June heat wave, planes in Phoenix couldn’t take off because higher temperatures lead to thinner air, making it more difficult for planes to get off the ground.
And searing heat can be deadly to already vulnerable populations, such as the elderly, small children and those suffering from illnesses. High overnight temperatures are a particular concern when it comes to the health effects of heat waves, because they prevent the body from cooling down and recovering from the heat of the day.
Nogmaals, deze ontwikkeling is niet door Trump veroorzaakt, maar blijft het resultaat van een ‘universal’systeem van ‘banks, the liberal media and the political establishment,’ die alle sinds 1945 de globalisering van het kapitalistische model met vuur en vlam hebben verdedigd en nog steeds verdedigen met argumenten als dat het ‘imperialisme’ van  de VS  ‘betrekkelijk goedaardig’ is. En toch probeert opiniemaker Ian Buruma, tegen beter weten in, het ancien regime te verdedigen door ondermeer de aandacht af te leiden naar Trump en de meerderheid van de Amerikaanse kiezers die op hem heeft gestemd. Waarom is het voor Buruma en de andere ‘liberals’ zo onaanvaardbaar dat in een parlementaire ‘democratie’ na een ‘very weird campaign’ de bevolking tegen de gecorrumpeerde oude elites heeft gestemd? Het antwoord is simpelweg dat het nooit de bedoeling is geweest van de ‘elites’dat ‘het volk’ zich ooit werkelijk zou uitspreken. Dat kan doorgaans ook niet aangezien de overgrote meerderheid van de ‘intellectuele elite’ altijd aan de kant staat van de macht. Hoe anders zou zij kunnen overleven? Daarbij geldt de regel dat ‘public opinions must be organized for the press if they are to be sound, not by the press,’ zoals de invloedrijkste Amerikaanse media-ideoloog van de twintigste eeuw, Walter Lippmann, meer dan eens benadrukte, en wel omdat
[w]ithout some form of censorship, propaganda in the strict sense of the word is impossible. In order to conduct propaganda there must be some barrier between the public and the event. Access to the real environment must be limited, before anyone can create a pseudo-environment that he thinks is wise or desirable.
Juist dit propagandistische model, waarbij opiniemakers van de massamedia de gewenste meningen formuleren, hapert momenteel, mede door de opkomst van internet, waardoor de westerse burger meer bronnen tot zijn beschikking heeft gekregen dan voorheen, toen de ‘vrije pers’ nog het monopolie bezat op de berichtgeving en daarmee op de waarheidsvinding. Eén van de wetenschappers die het werk van de Lippmann bestudeerde, de Amerikaanse historicus Stuart Ewen, hoogleraar on mediaen consumer culture,’ constateerde in zijn studie PR! A Social History of Spin (1996) dat ‘[t]hroughout the pages of Public Opinion,’ Lippmann’s standaardwerk uit 1922, de auteur ‘had asserted that human beings were, for the most part, inherently incapable of responding rationally to their world.’  Voor Walter Lippmann:
it was not so much people’s incapacity to deliberate on issues rationally that was the problem; it was that the time necessary to pursue rational deliberations would only interfere with the smooth exercise of executive power… For Lippmann, the appeal of symbols was that they provided a device for short-circuiting the inconvenience posed by critical reason and public discussion. To Lippmann, symbols were powerful instruments for forging mental agreement among people who — if engaged in critical dialogue — would probably disagree. ‘When political parties or newspapers declare for Americanism, Progressivism, Law and Order, Justice, Humanity, ‘ he explained, they expect to merge ‘conflicting factions which would surely divide if, instead of these symbols, they were invited to discuss a specific program… Lippmann added that serious public discussion of issues would only yield a ‘vague and confusing medley,’ a discord that would make executive decision making difficult. ‘Action cannot be taken until these opinions have been factored down, canalized, compressed and made uniform.’ […] The symbol, he wrote, is ‘like a strategic railroad center where many roads converge regardless of their ultimate origin or their ultimate destination.’ Because of this, ‘when a coalition around the symbol has been effected, feeling flows toward conformity under the symbol rather than toward critical scrutiny of the measures under consideration.’ In its adamant argument that human beings are essentially irrational, social psychology had provided Lippmann — and many others — with a handy rationale for a small, intellectual elite to rule over society. Yet a close reading of Lippmann’s argument suggests that he was concerned less with the irrational core of human behavior than he was with the problem of making rule by elites, in a democratic age, less difficult. Educated by the lessons of the image culture taking shape around him, Lippmann saw the strategic employment of media images as the secret to modern power; the means by which leaders and special interests might cloak themselves in the ‘fiction’ that they stand as delegates of the common good. The most compelling attribute of symbols, he asserted, was the capacity to magnify emotion while undermining critical thought, to emphasize sensations while subverting ideas. ‘In the symbol,’ he rhapsodized, ‘emotion is discharged at a common target and the idiosyncrasy of real ideas is blotted out’ […] This general understanding infused Lippmann’s formula for leadership… ‘The process, therefore, by which general opinions are brought to cooperation consists of an intensification of feeling and a degradation of significance.’ Before a mass of general opinions can eventuate in executive action, the choice is narrowed down to a few alternatives. The victorious alternative is executed not by a mass but by individuals in control of its energy.
Walter Lippmann hamerde erop dat de moderne massa’s
have to take sides. We have to be able to take sides. In the recesses of our being we must step out of the audience on to the stage, and wrestle as the hero for the victory of good over evil. We must breathe into the allegory the breath of life.
Het resultaat is een gemanipuleerde schijnwereld om de massamedia en zodoende de massa in het gareel te houden. Ewen concludeert dan ook:
Raised in a world that looked toward fact-based journalism as the most efficient lubricant of persuasion, Lippmann turned toward Hollywood, America’s ‘dream factory,’ for inspiration. Never before had an American thinker articulated in such detail the ways that images could be used to sway public consciousness. Appeals to reason were not merely being discarded as futile, they were being consciously undermined to serve the interests of power. It is here, at the turning point where Lippmann unqualifiedly (onvoorwaardelijk. svh) abandoned the idea of meaningful public dialogue, that the dark side of his ruminations (herhalingen. svh) on the power of the image was most dramatically revealed.
Voor alle duidelijkheid: Walter Lippmann was niet de eerste de beste, maar een gerespecteerde autoriteit op media-gebied. In die hoedanigheid was hij ‘an informal adviser to several presidents… On September 14, 1964, President Lyndon Johnson presented Lippmann with thePresidential Medal of Freedom,’ de
highest civilian award of the United States. It recognizes those people who have made ‘an especially meritorious contribution to the security or national interests of the United States, world peace, cultural or other significant public or private endeavors.’ 
Lippmann ‘has been honored by the United States Postal Service with a 6¢ Great Americans series postage stamp,’ vanwege zijn onschatbare waarde voor het establishment. Wikipedia wijst erop dat
[t]hough a journalist himself, Lippmann did not assume that news and truth are synonymous. For Lippmann, the ‘function of news is to signalize an event, the function of truth is to bring to light the hidden facts, to set them in relation with each other, and make a picture of reality on which men can act.’ A journalist’s version of the truth is subjective and limited to how they construct their reality. The news, therefore, is ‘imperfectly recorded’ and too fragile to bear the charge as ‘an organ of direct democracy.’
Binnen deze nauw begrensde context opereert de opiniemaker Ian Buruma, die als mainstream-journalist rekening moet houden met de opvattingen en vooroordelen van zijn opdrachtgevers en zijn publiek. Uitgangspunt daarbij is dat de
conscious and intelligent manipulation of the organized habits and opinions of the masses is an important element in democratic society. Those who manipulate this unseen mechanism of society constitute an invisible government which is the true ruling power of our country,
aldus de formulering van Edward Bernays, een andere invloedrijke media-ideoloog van de twintigste eeuw, en één van de grondleggers van de public relations-industrie. In zijn boek Propaganda (1928) zette hij tegenover de macht uiteen dat ‘[i]f we understand the mechanism and motives of the group mind,’het mogelijk was ‘to control and regiment the masses according to our will without their knowing about it.’ Hij noemde ‘this scientific technique of opinion-molding’ de ‘engineering of consent.’ Hoe belangrijk zijn bijdrage aan het conditioneren van het publiek in een kapitalistische ‘democratie’ is, blijkt onder andere uit het feit dat tijdschrift Life hem in 1999 uitriep tot ‘one of the 100 most influential Americans of the 20th century.’
Dit propagandamodel functioneerde uitstekend in de 20ste eeuw, maar sinds het begin van de 21ste eeuw heeft het razendsnel zijn effectiviteit verloren. De opiniemakers als woordvoerders van de elite zijn niet langer meer bij machte hun meningen bij een omvangrijke massa geloofwaardig over te brengen. Doordat de ‘vrije pers’ steeds dichter tegen de politici met hun failliete neoliberale beleid was gekropen, verloor zij haar geloofwaardigheid. Met de opkomst van het zogeheten ‘populisme’ werd de commerciële pers als het ware van de ene op de andere dag geconfronteerd met een publiek dat almaar sceptischer reageerde op de journalistieke voorstelling van zaken. Hoe problematisch dit is blijkt wel uit de uitspraak van NRC-hoofdredacteur Peter Vandermeersch dat ‘De krant moet aansluiten bij wat moderne lezer wil.’ Maar kennelijk is ook dit onvoldoende gezien het feit dat Vandermeersch in november 2016 gedwongen was zich verbijstert af te vragen:
Waarom zagen wij media Trumps overwinning niet aankomen? Om maar meteen met de deur in huis te vallen: ook op de redactie van NRC waren we in de nacht van dinsdag op woensdag verrast, en velen van ons zelfs geschrokken en geschokt. Samen met zowat alle Amerikaanse media hadden we de verkiezingsoverwinning van Donald Trump niet zien aankomen. Op Amerikaanse media regent het nu mea culpa’s. Sterker nog. Ik had een déjà vu-gevoel, want ook bij de Brexit en het Oekraïne-referendum geloofden velen op de redactie van deze krant dat de bevolking wel een ‘verstandige’ stem zou uitbrengen.
Met andere woorden: de massa-media zijn het contact met de werkelijkheid kwijt. Maar doordat zij gevangen zitten in een gecorrumpeerd commercieel bestel, zien de broodschrijvers zich gedwongen door te gaan met hun propaganda voor het ancien regime. Juist daardoor waren ze de afgelopen twee decennia niet in staat de historische omslag in de samenleving te signaleren. Het ontbreekt opiniemakers als Ian Buruma aan intellectuele distantie en integriteit om zich aan te passen aan de nieuwe — in wezen — revolutionaire situatie. Reflexmatig blijven mijn collega’s op een simplistische manier reageren op allerlei voor hen onvoorziene ontwikkelingen. En zo ontstaan vanuit een manicheïsch mens- en wereldbeeld Buruma’s met adjectieven doorspekte zinnen als ‘[o]ne of the strangest episodes in Donald Trump’s very weird campaign.’ Ineens bevinden zijn ‘banking, business, political and intellectual elites’ zich in een voor hen onherkenbare werkelijkheid dat geen rekening houdt met de ‘almost universal opposition’van de macht, die Ian met ondermeer de Erasmus-prijs van 2008 beloonde. Maar ondanks alle lof van het establishment,  of beter nog, juist daardoor, blijft het voor de massamedia nagenoeg onmogelijk om hun taak als pleitbezorger van de gevestigde orde naar behoren te vervullen. Elke prijs fungeert nu als een brevet van onvermogen. Het is voor de kranten erop of eronder. Daarover later meer.