door: Sarah van Liefferinge

Gepubliceerd door: De Wereld Morgen (18-7-2017)

Tijdens de Gentse Feesten vindt de 28ste editie plaats van de Gentse Feestendebatten. Iedere dag wordt gediscussieerd over hete maatschappelijke hangijzers. Op zondag 16 juli werd gedebatteerd over het onvoorwaardelijke basisinkomen. Sarah Van Liefferinge gaf deze inleiding.

piccolo-principe-estirpa.jpg

Ik werk deeltijds in het onderwijs, als GON-leerkracht. Mijn job bestaat erin om blinde, slechtziende en autistische leerlingen en studenten te helpen integreren in ons onderwijs en onze maatschappij.

Op hun 21ste krijgen veel van die jongeren met een beperking recht op een uitkering. En terecht, want slechts weinigen slagen erin een volwaardige positie te verwerven op de arbeidsmarkt.

Ik wil benadrukken dat ik op mijn blote knieën dankbaar ben aan alle vakbondsmensen die gestreden hebben voor de opbouw van de sociale zekerheid. Dankzij hen is het in onze samenleving normaal dat we zorg dragen voor zij die het moeilijk hebben.

“Hoe hulpelozer en dommer mijn studenten zich voordoen bij de controle-arts, hoe meer geld ze krijgen.”

Maar… er schort wat aan het systeem, en aan de stimulansen die het geeft. De hoogte van de uitkering is afhankelijk van de graad van onzelfredzaamheid. Hoe hulpelozer en dommer mijn studenten zich voordoen bij de controle-arts, hoe meer geld ze krijgen.Jongeren die al heel hun leven het gevoel hebben dat ze minder waard zijn dan een ander, worden zo formeel gestimuleerd en bevestigd in hun minderwaardigheid.

Terwijl ik hele dagen probeer om hen te emanciperen en te empoweren, om hen het beste van zichzelf te laten zoeken, vinden en tonen, zegt dit systeem hen dat ze beter zo ziek en zwak mogelijk zijn, want dát wordt beloond met de zekerheid op een leefbaar inkomen, een basisinkomen als het ware. Ik vind dit pervers.

Jongeren met een goeie thuissituatie, die krijgen genoeg steun en bevestiging om hun eigenwaarde te redden. Maar zij die geboren worden in armoede of kansarmoede, met een alleenstaande moeder die nauwelijks de eindjes aan elkaar kan knopen, of in een allochtoon gezin met ouders die zelf niet gestudeerd hebben, zij zijn een vogel voor de kat.

“Kansarmoede is nog steeds een erfelijke ziekte. Het is onze verdomde plicht om deze ziekte uit te roeien.”

Ze belanden in een neerwaartse spiraal van kansarmoede, waarin miserie beloond wordt, en initiatief afgestraft. Ze moeten constant hulp vragen om hun weg te vinden in het doolhof dat de sociale zekerheid is. Ze worden gestigmatiseerd en uitgesloten, gecontroleerd en afgestraft, betutteld en vernederd. En wat je kent van thuis, dat herhaal je in je volwassen leven.

Kansarmoede is nog steeds een erfelijke ziekte, die zinvol en kwaliteitsvol leven verhindert. Het is onze verdomde plicht om deze ziekte uit te roeien.

Of neem het verhaal van Jolien, een jonge dertiger met muco en grote fan van het basisinkomen. Zij woonde samen met haar vriend, maar stond nog gedomicilieerd bij haar ouders. Ze werd beticht van sociale fraude en bracht de laatste jaren van haar leven door in strijd, want ze kon die duizenden euro’s aan uitkering niet terugbetalen. Zij zei me: “Iedereen denkt dat mensen die ziek zijn geholpen worden in dit land, dat zij een uitkering krijgen die voldoende is om van te leven. Maar dat is niet zo, ik kan niet leven op deze manier. Men ziet me niet als een mens, maar als een last, een kostenpost.” Jolien stierf enkele maanden geleden.

Het is makkelijk om de verworpenen der aarde te vergeten, als geprivilegieerde, gezonde, blanke en hoogopgeleide middenklasser. Om te denken dat het wel zo erg niet zal zijn, daar aan de onderkant van de samenleving. Maar de toestand is schrijnend, en een welvaartsstaat onwaardig.

“Het is makkelijk om de verworpenen der aarde te vergeten, als gepriviligeerde, gezonde, blanke en hoogopgeleide middenklasser.”

Dit debat, deze strijd, gaat niet over intellectualistische theorieën, koude berekeningen en het eigen grote gelijk. Het gaat over mensen, over tijd, ruimte en geld om menswaardig te kunnen leven, over de zoektocht naar een solidariteitsmechanisme dat beter en respectvoller werkt voor iedereen.

Momenteel worden we allemaal gedwongen om te leven als homo economicus, constant concurrerend met elkaar en op zoek naar geld om te leven. We zijn vergeten dat we ook moeten spelen, genieten en samenwerken om echt mens te kunnen zijn.

Ik geloof in een basisinkomen dat hoog genoeg en onvoorwaardelijk is,
dat uitgekeerd wordt aan iedereen,
dat toelaat om bij te werken zonder afgestraft te worden,
dat tijd en ruimte biedt voor zorg en zelfzorg,
dat de welvaart die er is beter weet te verdelen,
dat ingebed is in een andere economie, die de grenzen van mens en planeet respecteert.
Een basisinkomen dat mensen in staat stelt om hun leven in eigen handen te nemen, in plaats van geleefd te worden door economische principes.

Voor mij is het onvoorwaardelijk basisinkomen dan ook een logische volgende stap in de ontwikkeling van de mensheid.

STELLINGEN

Ik heb drie stellingen geformuleerd voor dit debat. De eerste stelling gaat over invulling van het begrip: “Waarover spreken we?” De tweede gaat over de rol van arbeid in onze levens en over zingeving: “Moeder, waarom werken wij?” De derde gaat over de nood aan een nieuw hoopgevend verhaal voor de toekomst: “Hoe maken we de wereld beter?”

  • Stelling 1: “Waarover spreken we?”

Hét basisinkomen bestaat niet. ‘Basisinkomen’ is een begrip dat op vele manieren ingevuld kan worden. Daarom is de vraag ‘Bent u voor of tegen het basisinkomen?’ eigenlijk oninteressant en onproductief. Betere vragen zijn: Voor welk soort basisinkomen wil u strijden? Hoe hoog moet het bedrag zijn? Hoe verhoudt dat basisinkomen zich tot de sociale zekerheid? Welke tax shift is nodig en wenselijk om dat basisinkomen te financieren? Hoe kan een basisinkomen bijdragen aan de opbouw van een circulaire en coöperatieve netwerkeconomie? En welke zijn de eerste stappen die gezet kunnen worden?

Om te vermijden dat het basisinkomen uitdraait op een neoliberale armoedeval die ongelijkheid, precariteit, loonslavernij en eco-destructie versterkt, zal de linkerzijde een eigen invulling van het basisinkomen moeten formuleren. 

  • Stelling 2: “Moeder, waarom werken wij?”

Steeds meer werknemers werken enkel en alleen voor het geld, met tegenzin. Ze vinden geen of nauwelijks uitdaging, plezier, autonomie, zingeving of vakmanschap in hun betaalde job. Een duizelingwekkende één op drie Vlaamse werknemers zegt zelf dat zijn of haar werk niet zinvol is. En naast het aantal bullshit jobs, blijft ook het aantal werkende armen toenemen.

De hedendaagse arbeidsmarkt maakt ons ziek. Burn-outs en bore-outs nemen epidemische vormen aan. Het zijn uitwegen om even te ontsnappen aan het beslag dat de loonslavernij legt op onze levens en op onze vrije tijd. Want Arbeit macht nicht frei.

Als we niet willen aanvaarden dat een leger aan opgebranden het nieuwe normaal wordt, zullen we een andere visie op arbeid en inkomen moeten ontwikkelen. Het basisinkomen biedt inkomenszekerheid, en versterkt zo de onderhandelingspositie van werknemers op de arbeidsmarkt, waardoor zij laagbetaalde en onaantrekkelijke jobs kunnen weigeren. Het basisinkomen wordt zo in feite een stakingskas.

Bovendien biedt de piste van het basisinkomen een antwoord op een toekomst waarin talloze jobs zullen overgenomen worden door robots. Dat is geen ramp maar een zegen, als we ons tenminste kunnen ontdoen van de diep verankerde verheerlijking van jobs om de jobs, en van de illusie dat volledige tewerkstelling mogelijk en wenselijk is.

  • Stelling 3: “Hoe maken we de wereld beter?”

We beleven een scharniermoment, de overgang van het industriële naar het digitale tijdperk. Dit krakend tijdsgewricht zorgt voor nieuwe mogelijkheden, maar ook voor onrust en onzekerheid. Bovendien laten de bestaande machten zich niet zomaar ontmantelen.

Terwijl precariteit en inkomensonzekerheid rijzen, wordt de surveillance- en politiestaat opgetuigd. Verzet wordt hardhandig de kop ingedrukt. Haat en angst worden gezaaid om conflict en verlamming te oogsten. Besparingen fileren het socio-culturele weefsel en de welvaartsstaat. Wanhoop en woede groeien, dag na dag.

Er is nood aan een hoopgevend en verbindend verhaal om het geloof dat er geen alternatief is te bestrijden. De 19de eeuwse taal en recepten die dienden om het proletariaat te definiëren, te verenigen en te mobiliseren, die werken niet meer voor de diverse groepen die het precariaat vormen. Deze nieuwe klasse van onzekeren bestaat uit arbeiders en ondernemers, uit freelancers en kunstenaars, uit studenten en gepensioneerden, uit werknemers en werklozen, uit flexwerkers en alleenstaande ouders, uit langdurig zieken en zij die arbeidsongeschikt zijn.

Een basisinkomen voor iedereen verlegt de focus van controle naar vertrouwen, van loonslavernij naar zelfbeschikkingsrecht, van arbeidsonzekerheid naar inkomenszekerheid, en van artificiële schaarste naar ‘er is genoeg welvaart om iedereen in de basisbehoeftes te voorzien’. Daarom is het basisinkomen een essentieel element van het discours dat nodig is om het tij te keren. Het basisinkomen is de basis van een hoopvol mens- en wereldbeeld voor de 21ste eeuw.

Afsluiten wil ik doen met een quote van Antoine de Saint-Exupery, auteur van ‘De kleine prins’:

‘Wanneer je een schip wil bouwen,
roep dan geen mensen bij elkaar
om hout te verzamelen,
het werk te verdelen,
en orders te geven.
Maar leer hen verlangen naar de eindeloze zee’