Door: Stan van Houcke (28-7-2017)

In NRC Handelsblad van vrijdag 9 juni 2017 verklaarde de journalist Ian Buruma onder de kop ‘Pax Americana nadert haar einde’ met grote stelligheid dat ‘we ons [zullen] moeten voorbereiden op een tijd waarin we met weemoed terugkijken op het betrekkelijk goedaardige imperialisme uit Washington.’
Desgevraagd liet Buruma weten dat hij met ‘we’ doelde op de meeste ‘west Europeanen.’ Aangezien er ongeveer 240 miljoen mensen in West-Europa leven en de aarde ruim 7 miljard inwoners telt, betreft het hier dus een kleine minderheid, van wie Buruma aanneemt dat ze allen in de toekomst ‘met weemoed’ zullen ‘terugkijken op het betrekkelijk goedaardige imperialisme uit Washington.’ Gezien het feit dat West-Europa sinds 1945 uitbundig van het Amerikaans imperialisme heeft geprofiteerd is niet duidelijk wat Buruma precies bedoelt met ‘betrekkelijk goedaardig imperialisme,’ zeker niet wanneer ‘we’ daar ook nog eens ‘met weemoed’ op gaan ‘terugkijken.’  Ik vermoed dat ook hij beseft dat ‘goedaardig imperialisme’ per definitie onmogelijk is, maar dat hij als bewonderaar van de VS, en als broodschrijver, financieel afhankelijk is van dit imperium. Hij ziet zich gedwongen zowel de macht als zijn lezerspubliek te vriend te houden, vandaar het begrip ‘betrekkelijk.’ Hoe dan ook, gezien vanuit de overgrote meerderheid van de wereldbevolking blijft ‘betrekkelijk goedaardig imperialisme’ een leugen, aangezien dit ‘imperialisme’ nu eenmaal een systeem in stand houdt dat acht individuen zo rijk heeft gemaakt dat zij nu evenveel bezitten als de helft van de hele mensheid tezamen. Vanzelfsprekend kan dit neoliberale kapitalisme nooit zonder grootschalig geweld tot stand zijn gekomen en in stand worden gehouden. Dat begrijpt ook Ian Buruma.

Het is algemeen bekend dat de westerse mainstream-pers een commerciële taak heeft, namelijk het maken van winst voor de aandeelhouders van de media. Daarnaast bezit zij tevens als taak erop toe te zien dat de maatschappelijke status quo blijft gehandhaafd. Zoals de Amerikaanse auteur A. J. Liebling in 1960 in The New Yorker dan ook constateerde: ‘Freedom of the press is guaranteed only to those who own one.’  Alleen auteurs bezitten de vrijheid de ‘waarheid’ op te schrijven. In The Freedom of the Press wees George Orwell al in 1945 op de volgende feiten die door de mainstream-media angstvallig worden verzwegen:
The sinister fact about literary censorship in England is that it is largely voluntary.
Unpopular ideas can be silenced, and inconvenient facts kept dark, without the need for any official ban. Anyone who has lived long in a foreign country will know of instances of sensational items of news — things which on their own merits would get the big headlines — being kept right out of the British press, not because the Government intervened but because of a general tacit agreement that ‘it wouldn’t do’ to mention that particular fact. So far as the daily newspapers go, this is easy to understand. The British press is extremely centralized, and most of it is owned by wealthy men who have every motive to be dishonest on certain important topics. But the same kind of veiled censorship also operates in books and periodicals, as well as in plays, films and radio. At any given moment there is an orthodoxy, a body of ideas which it is assumed that all right-thinking people will accept without question. It is not exactly forbidden to say this, that or the other, but it is ‘not done’ to say it, just as in mid-Victorian times it was ‘not done’ to mention trousers in the presence of a lady. Anyone who challenges the prevailing orthodoxy finds himself silenced with surprising effectiveness. A genuinely unfashionable opinion is almost never given a fair hearing, either in the popular press or in the highbrow periodicals.
Wereldwijd functioneren journalisten van de commerciële massamedia als de ‘termieten van de reductie,’ zoals de auteur Milan Kundera hen noemden, ’termieten’ die zelfs ‘de grootste liefde terugbrengen tot een geraamte van schrale herinneringen.’ En wel omdat ze:
[o]ver de hele wereld dezelfde simplificaties en cliché’s uit[strooien], waarvan mag worden aangenomen dat ze door de meerderheid zullen worden aanvaard, door allen, door de hele mensheid. En het is niet zo belangrijk dat in de verschillende organen van de media de verschillende politieke belangen tot uiting komen. Achter het uiterlijke verschil heerst een en dezelfde geest. Je hoeft de Amerikaanse en Europese opiniebladen maar door te kijken, van rechts zowel als links, van Time tot Der Spiegel: in al die bladen tref je dezelfde kijk op het leven aan, die zich in dezelfde volgorde waarin hun inhoudsopgave is opgebouwd weerspiegelt, in dezelfde rubrieken, dezelfde journalistieke aanpak, dezelfde woordkeus en stijl, in dezelfde artistieke voorkeuren en in dezelfde hiërarchie van wat ze belangrijk en onbeduidend achten. De gemeenschappelijke geestesgesteldheid van de massamedia, die schuilgaat achter hun politieke verscheidenheid is de geest van de tijd. 
De voormalig New York Times-correspondent, Chris Hedges schreef in juni 2016:
In our system of inverted totalitarianism, the political philosopher Sheldon Wolin pointed out, the object is to demobilize the citizenry, to render it apathetic, to convince the citizen that all political activity that does not take place within the narrow boundaries defined by the corporate state is futile. This is a message hammered into public consciousness by the corporate media, which serve as highly paid courtiers to the corporate elites. It is championed by the two parties that offer up fear of the other as their primary political platform.
Donald Trump and Hillary Clinton hold the highest candidate disapproval ratings in American history—in that order. These two candidates, the system insists, are the only ‘rational’ options. Step outside the system and you are disappeared or ridiculed. Acceptable political opinions, as Wolin wrote, are ‘measurable responses to questions predesigned to elicit them.’ We vote, in the end, for skillfully manufactured personalities. Neither Trump nor Clinton in office will hinder corporate hegemony. Nothing will change until we revolt, until we defy the corporate system, until we wake from our civic stupor. The goal of the elites is to keep us pacified.
‘The crucial element that sets off inverted totalitarianism from Nazism is that while the latter imposed a regime of mobilization upon its citizenry, inverted totalitarianism works to depoliticize its citizens, thus paying a left-handed compliment to the prior experience of democratization,’ Wolin wrote in ‘Politics and Vision’: 
‘Where the Nazis strove to give the masses a sense of collective power and confidence, Kraft durch Freude (or “strength through joy”), the inverted regime promotes a sense of weakness, collective futility that culminates in the erosion of the democratic faith, in political apathy and the privatization of the self. Where the Nazis wanted a continuously mobilized society that would support its masters without complaint and enthusiastically vote “yes” at the managed plebiscites, the elite of inverted totalitarianism wants a politically demobilized society that hardly votes at all.’
De commentaren van die intellectuelen laten zien hoe ‘betrekkelijk’ Ian Buruma’s voorspelling is dat ‘we ons [zullen] moeten voorbereiden op een tijd waarin we met weemoed terugkijken op het betrekkelijk goedaardige imperialisme uit Washington.’ Zijn bewondering voor de Verenigde Staten blijkt tevens uit het volgende:
Tocqueville’s admiring account of American democracy in the 1830s is well known. Much less famous are his writings on Britain in the same period. Born soon after the French Revolution, Tocqueville was haunted by the question of why Britain, with its mighty aristocracy, was spared such an upheaval. Why did the British people not rebel? His answer was that the social system in Britain was just open enough to allow a person to hope that with hard work, ingenuity and luck, he could rise in society. The British version of the American dream: ‘The Great Gatsby’ may be the great American novel, but Gatsby could have existed in Britain too.
Ik beperk me tot twee van Buruma’s beweringen, te weten: ‘Tocqueville’s admiring account of American democracy,’ en ‘The Great Gatsby may be the great American novel, but Gatsby could have existed in Britain too.’  Ik weet niet of mijn goede kennis Buruma de twee delen van Tocqueville’s Democracy in America (1835 and 1840) intensief heeft bestudeerd, maar ik vrees het ergste, want de stelligheid van ook deze bewerking is, laten we zeggen, ‘betrekkelijk.’ Zo meldt de — zelfs voor Nederlandse journalisten makkelijk toegankelijke — website Wikipedia het volgende:
Voor- en tegenstanders van de democratie volgden de Verenigde Staten met argusogen. Doorheen de geschiedenis haalde die meestal een slechte pers. Zowel klassieke auteurs als verlichtingsdenkers stonden afwijzend tegenover de idee dat het volk zichzelf kon besturen. De Franse revolutie leek het gelijk van de sceptici te bewijzen: democratie ontaardde in anarchie en dictatuur. Desalniettemin herkende Alexis de Tocqueville in Europa een democratiseringsbeweging, een proces dat hij als onvermijdelijk beschouwde.
Hij waarschuwde voor de democratische schaduwzijden:
• Vrijheid en gelijkheid staan op gespannen voet met elkaar. Een te grote vrijheid gaat ten koste van de gelijkheid en andersom
• De tirannie van de meerderheid kan minderheden verdrukken waardoor die hun toevlucht zoeken in geweld
• De meerderheid kan hier eveneens het slachtoffer van worden door de neiging tot conformisme, centralisatie en de individualisering.
Wanneer ik denk aan de vorm die deze nieuwe tirannie zal aannemen, zie ik voor mij een massa van in alle opzichten gelijke mensen die rusteloos onbeduidende en banale genoegens najagen; die op zichzelf zijn teruggeplooid, die zich louter op hun gezin en een handvol kennissen richten en die zich van het bestaan van andere mensen nauwelijks bewust zijn, die nog slechts op zichzelf en voor zichzelf leven. Boven deze geïndividualiseerde massa troont een bevoogdend machtsapparaat dat over het wel en wee waakt, dat alles voorziet en alles regelt, maar dat de mensen in een staat van onmondigheid houdt. Het garandeert de burgers een veilig en welverzorgd bestaan, maar staat er op zelf uit te maken wat goed is voor hen. Zo zullen de mensen steeds minder gebruikmaken van hun eigen oordeelskracht; de individuele wilskracht zal zich op een steeds beperkter terrein laten terugdringen.
— uit Over de democratie in Amerika
De idee dat een ‘democratie zich democratisch kan opheffen’ is terug te vinden in Tocqueville’s werken, alsmede De Republiek van Plato. Om een absoluut en despotisch regime te vermijden, stelt Tocqueville maatregelen voor. Zo moet het bestuur niet volledig in handen van de overheid zijn, maar deels uitgevoerd worden door tijdelijk verkozen bestuursambtenaren. Vereniging van burgers, persvrijheid en onafhankelijke rechtspraak zijn belangrijk om te grote staatsmacht te voorkomen.
De overheid zal de samenleving in een net spannen van ingewikkelde, gedetailleerde en eenvormige verordeningen waardoor zelfs de meest originele en wilskrachtige geesten zullen worden gelijkgeschakeld. Men zal mensen tot niets dwingen, maar men zal zoveel belemmeringen aan de persoonlijke activiteiten opleggen, dat uiteindelijk elk initiatief uitdooft. Zonder op enigerlei wijze tiranniek te moeten optreden, worden mensen monddood en willoos gemaakt. De natie zal een kudde angstige en vlijtige schapen worden, met de overheid als zorgzame herder. Deze vorm van gereglementeerde en gemoedelijke slavernij komt tot stand in de schaduw van de volkssoevereiniteit.
— uit Over de democratie in Amerika
Met andere woorden: de stelligheid waarmee Buruma poneert dat er sprake is van ‘Tocqueville’s admiring account of American democracy’ is, op haar minst, onjuist. In 2015 schreef ik op mijn weblog het volgende:
Tocqueville’s visie was juist dat
[h]oe gelijker de standen worden, hoe minder sterk de mensen individueel zijn, des te gemakkelijker laten zij zich meeslepen door de massa en des te moeilijker houden zij als enigen vast aan een opvatting die door die massa is verlaten. 
Vandaar ook het belang van de westerse elite de massamedia in handen te hebben om de berichtgeving te kunnen sturen, een zaak die steeds problematischer wordt aangezien de inkomsten uit reclame almaar dalen. Omdat ‘advertising pays for most of a newspaper’s costs’ en de publieke omroepen in bijvoorbeeld Nederland voor ‘eenderde uit reclamegelden’ worden gefinancierd, zal duidelijk zijn welk stempel de commercie op de berichtgeving kan drukken. Het ‘privé-belang’ van de elite kan en wordt ook beschermd tegen wat de mainstream-journalist ziet als de ‘grillen’ van de meerderheid. Zonder ‘kranten’ is ‘gemeenschappelijk handelen’ inderdaad onmogelijk. Naarmate de kennis en het inzicht van het individu verzwakt, wordt hij ontvankelijker voor de officieel verordonneerde ‘waarheid.’ Daaraan verbond Tocqueville de conclusie dat het rijk van de kranten’ moest ‘groeien.’ Hoe groter de massa des te meer mensen onder het beheer van de media-propaganda moesten worden gesteld, om te voorkomen dat de samenleving onbeheersbaar zou worden, waardoor de belangen van de elite zouden worden geschaad. Steeds urgenter werd de vraag:
hoe men de orde in een grote groep mensen handhaaft en op welke manier men hen eensgezind en methodisch naar hetzelfde doel doet opmarcheren. Zij leren er hun wil te onderwerpen aan die van alle anderen en hun eigen inspanningen ondergeschikt te maken aan het gemeenschappelijk optreden,
aldus Tocqueville. Van centraal belang daarbij was en is nog steeds het bewaren van de zogeheten ‘sociale vrede,’ in de almaar gestratificeerdere kapitalistische maatschappij. Daarbij ging Tocqueville ervan uit
dat een natie de burgers altijd het absolute recht kan verlenen om politieke associaties op te richten, en ik betwijfel zelfs of het in enig land en enig tijdperk wijs zou zijn geen grenzen te stellen aan de vrijheid van associatie. 
Een volk, zo zegt men, kan de binnenlandse vrede niet handhaven, geen eerbied voor de wet afdwingen en geen duurzaam staatsbestel tot stand brengen, als het aan het recht van associatie geen zeer strikte beperkingen oplegt.
De aristocraat in Tocqueville bleef huiverig voor datgene wat een democratie stelt te zijn, de heerschappij van het volk. De vraag voor de politieke en economische elite is overal en altijd:
hoe men de orde in een grote groep mensen handhaaft en op welke manier men hen eensgezind en methodisch naar hetzelfde doel doet opmarcheren,
en zodoende
hun eigen inspanningen ondergeschikt te maken aan het gemeenschappelijk optreden,
wat in de praktijk wil zeggen: ‘ondergeschikt aan’ de belangen van degenen die de macht in handen hebben, en daarmee bepalen wat onder algemeen belang moet worden verstaan. Tocqueville schreef dit alles toen de VS slechts 17 miljoen inwoners telde, nog geen 6 procent van het huidige bevolkingsaantal. Zijn boek wordt nog steeds in vele talen gelezen door de ‘politiek-literaire elite,’ en kreeg in de Nederlandse vertaling ‘een uitgebreide nabeschouwing’ van Andreas Kinneging, de conservatieve hoogleraar rechtsfilosofie van de Universiteit Leiden, die ondermeer actief was als ghostwriter van de VVD-neoliberaal Frits Bolkestein. Om dit milieu te typeren, de volgende anecdote: Kinneging’s echtgenote betoogde in het televisieprogramma Buitenhof dat journalisten die als doel hebben politici belachelijk te maken, geweerd zouden moeten worden. Kinneging zelf stelt dat
Tocqueville’s invloed wereldwijd is. Zijn boeken zijn in alle grote en veel kleine talen vertaald, vaak meerdere keren. En overal op de wereld wordt zijn werk gelezen en wordt erover geschreven…
Edities die veelal indachtig worden gelezen of zelfs bestudeerd, in ieder geval ten dele, door mensen die invloed hebben of later zullen krijgen. Een aantal van hen schrijft zelf boeken, mede geïnspireerd door de lezing van Tocqueville. Boeken die soms invloedrijk zijn. Conclusie: Tocqueville is invloedrijk, maar hoe de lijnen precies lopen weten we niet zo goed. 
Veelbetekenend is dat professor Kinneging het volgende concludeert:
Net als de traditie geeft Tocqueville in zijn hart de voorkeur aan aristocratie boven democratie. Maar hij is ervan overtuigd dat de tijd van de aristocratie voorbij is. De toekomst is aan de democratie. Daar is niets aan te doen. Daarom moet men zich niet tegen de democratie verzetten, meent hij, maar nadenken over de vraag hoe men haar in goede banen kan leiden. Want democratie kan gemakkelijk ontaarden in een vorm van ochlocratie ofte wel tirannie van de massa. Veel van wat er in ‘Over de democratie in Amerika’ wordt gezegd, is door die angstige overtuiging ingegeven. 
Met andere woorden: ook de huidige elite, die Tocqueville’s studie leest, staat huiverig tegenover de democratie en stelt alles in het werk om haar, ik citeer, ‘in goede banen’ te ‘leiden,’ wat dus in de praktijk betekent in de ‘banen’ die goed zijn voor de gevestigde orde. Zo wordt de politieke koers sinds enkele decennia goeddeels bepaald door de financiële en economische neoliberale elite, daarbij geassisteerd door ‘democratische’ politici en de gecorrumpeerde massamedia. Hoe knap en profetisch ook veel inzichten van Tocqueville zijn mogen, dat ‘de toekomst aan de democratie’ zou zijn, is een grote misvatting gebleken. Tenzij men wil volhouden dat de postmoderne burger een wezenlijke invloed uitoefent op de huidige neoliberale gang van zaken, waarbij het systeem in een permanente staat van oorlog verkeert met mens en natuur, om zoveel mogelijk de belangen van de rijke elite te kunnen beschermen. En dan heb ik het nog niet eens over de enorme culturele deprivatie, die ertoe heeft geleid dat de massa zowel als de ‘intelligentsia’ in bijvoorbeeld Nederland niet in staat zijn een alternatief te bedenken voor de almaar uitdijende chaos. Nog geen 18 decennia na Tocqueville’s voorspelling wordt de ‘democratische’ werkelijkheid in de VS  door de eerder geciteerde Chris Hedges als volgt beschreven:
The vast disconnect between the official narrative of reality and reality itself creates an Alice-in-Wonderland experience. Propaganda is so pervasive, and truth is so rarely heard, that people do not trust their own senses. We are currently being assaulted by political campaigning that resembles the constant crusading by fascists and communists in past totalitarian societies. This campaigning, devoid of substance and subservient to the mirage of a free society, is anti-politics. 
No vote we cast will alter the configurations of the corporate state. The wars will go on. Our national resources will continue to be diverted to militarism. The corporate fleecing of the country will get worse. Poor people of color will still be gunned down by militarized police in our streets. The eradication of our civil liberties will accelerate. The economic misery inflicted on over half the population will expand. Our environment will be ruthlessly exploited by fossil fuel and animal agriculture corporations and we will careen toward ecological collapse. We are ‘free’ only as long as we play our assigned parts. Once we call out power for what it is, once we assert our rights and resist, the chimera of freedom will vanish. The iron fist of the most sophisticated security and surveillance apparatus in human history will assert itself with a terrifying fury.
Het probleem met Tocqueville is dat hij ‘de belangrijkste politiek filosoof’ van de negentiende eeuw was, met de nadruk op ‘politiek.’ Hij was op zoek naar ‘politieke’ waarheden, en niet naar de ‘waarheid’ an sich. Hij schreef in een tijd dat voor het eerst in de geschiedenis een massa aan het ontstaan was, die beheerst en geconditioneerd moest worden om de belangen te dienen van een puissant rijke bovenlaag, met haar, in intellectueel opzicht, simplistisch mens- en wereldbeeld. Na twee verwoestende wereldoorlogen met als dieptepunten Auschwitz en Hiroshima, na de nucleaire gevaren van de Koude Oorlog, na de nog steeds voortdurende grootschalige westerse terreur in het Midden-Oosten en de dreigende nieuwe gewelddadige conflicten met Rusland en China, na het begin van de klimaatverandering, is het geenszins overdreven te stellen dat de hegemonie van het Westen onder zware druk staat. Van de Europese en Amerikaanse dynamiek is niet veel meer overgebleven dan het op hol geslagen consumentisme én de doodsdrift van het machtige Amerikaanse militair-industrieel complex.
Als Buruma werkelijk Tocqueville’s Over de Democratie in Amerika had bestudeerd, dan zou hij nooit bij zijn volle verstand hebben beweerd dat er sprake is van ‘Tocqueville’s admiring account of American democracy.’ Tocqueville realiseerde zich dat door het ver doorgevoerde individualisme een gemeenschap uiteenvalt. Een maatschappij waarin de massa der mensen niet gedreven wordt door rationele motieven, maar door gemanipuleerde impulsen, onderbewuste instincten, geconditioneerde reflexen, kortom, door begeerte die noodzakelijk is om het alles verslindende kapitalistische systeem in stand te houden, vernietigt zichzelf van binnen uit. In het begin van de twintigste eeuw formuleerde de Wall Street-bankier Paul Mazur de cultuur van het onverzadigbare egoïsme als volgt:
We must shift America from a needs- to a desires-culture. People must be trained to desire, to want new things, even before the old have been entirely consumed. […] Man’s desires must overshadow his needs.
En dit betekende weer:
we must learn to sell better and to advertise better. We must convert a basic economic desire — to acquire more and more things — which has no limitation, I assume, among human beings, into actual demand for goods… it is vital that the levels of consumption be high and constantly rising.
Omdat deze ‘orde’ een permanente staat van oorlog betekende met de mens en de natuur, kon het kapitalisme alleen bestaan door groei van productie en consumptie. Tot midden jaren zeventig was dit ook het geval, maar na de uiterst kostbare Vietnam-oorlog bleek dit systeem financieel onhoudbaar te zijn, en werd vervangen door het neoliberalisme. Als dominante ideologie weet het te overleven, niet door productie en consumptie, maar  door het speculeren met niet bestaand geld, tot er weer een periodieke ineenstorting plaatsvindt, zoals in 2008. Toen verklaarden de politiek verantwoordelijken dat de speculerende banken met miljarden aan belastinggeld overeind moesten worden gehouden, om zo het vertrouwen van de corrupte bankiers te herstellen.
Deze cultuur werd al eind jaren vijftig getypeerd door de grote Amerikaanse socioloog C. Wright Mills als ‘rationality without reason.’ Aangezien daarin geen plaats is voor ratio en logica, voor zelfbeheersing, hoeft het zij zich niet te onderwerpen aan de wensen van de gemeenschap. De scherpzinnige Tocqueville voorzag al ruim 170 jaar geleden de zwarte kant van de Amerikaanse psyche:
Whatever pains are taken to distract it from itself, it soon grows bored, restless, and anxious among the pleasures of the senses. If ever the thoughts of the great majority of mankind came to be concentrated solely in the search for material blessings, one can anticipate that there would be a colossal reaction in the souls of men.
Tocqueville waarschuwde ervoor dat de onverzadigbare hunkering naar status en daarmee naar identiteit nooit bevredigd zou kunnen worden, want hoe gelijker men wordt des te heviger het verlangen naar nog meer gelijkheid. Tocqueville:
Among democratic republics men easily obtain a certain quality, but they will never get the sort of equality they long for. That is a quality which ever retreats before them without getting quite out of sight, and as it retreats it beckons them on to pursue. Every instant they think they will catch it, and each time it slips through their fingers. They see it close enough to know its charms, but they do not get near enough to enjoy it, and they will be dead before they have fully relished its delights.
Vanzelfsprekend kan het onverzadigbare zichzelf nooit verzadigen, en het zal pas stoppen wanneer het daartoe gedwongen wordt, dus op het moment dat al het andere is uitgeput of verwoest. In de studie Eugene O’Neill’s America. Desire Under Democracy (2007) schreef de Amerikaanse historicus en hoogleraar, wijlen, John Patrick Diggins met betrekking tot dit fenomeen:
Liberal, capitalist democracy makes formal, institutional freedom possible, but it also reveals the human condition in all its alienated longing. With this perspective, Alexis de Tocqueville, Eugene O’Neill, and Karl Marx are all in agreement. ‘No stigma attaches to the love of money in America,’ wrote Tocqueville in Democracy in America, ‘and provided it does not exceed the bonds imposed by public order, it is held in honor.’ But money seeking, Tocqueville adds, has people withdrawing into themselves and ‘constantly circling around in pursuit of the petty and banal pleasures with which they glut their souls.’
Tocqueville zocht naar de oorzaken van de Amerikaanse onrust. In hoofdstuk dertien, getiteld ’Why the Americans are so restless in the midst of their prosperity’  stelde hij:
It is strange to see with what feverish ardor the Americans pursue their their own welfare; and to watch the vague dread that constantly torments them, lest they should not have chosen the shortest path which may lead to it.
A native of the United States clings to this world’s goods as if he were certain never to die; and he is so hasty in grasping at all within his reach, that one would suppose he was constantly afraid of not living long enough to enjoy them. He clutches everything, he holds nothing fast, but soon loosens his grasp to pursue fresh gratifications.
De Franse aristocraat en politiek filosoof voorzag de onverzadigbaarheid van de Amerikaanse cultuur, het voortdurende gewelddadige expansionisme toen hij stelde dat
He who has set his heart exclusively upon the pursuit of worldly welfare is always in a hurry, for he has but a limited time at his disposal to reach, to grasp, and to enjoy it.
Het viel hem op dat de Amerikaanse bourgeoisie:
swept away the privileges of some of their fellow-creatures which stood in their way, but they have opened the door to universal competition; the barrier has changed its shape rather than its position…
Tegelijkertijd, zo waarschuwde Tocqueville, ontstond door het Amerikaans egocentrisme een ander groot probleem:
A nation which asks nothing of its government but the maintenance of order is already a slave at heart — the slave of its own well-being, awaiting the hand that will bind it.
Immers, zoals we nu ook zien
upon the great stage of the world, as we see at our theaters, a multitude represented by a few players, who alone speak in the name of an absent or inattentive crowd:  they alone are in action, whilst all others are stationary; they regulate everything by their own caprice; they change the laws, and tyrannize at will over the manners of the country; and then men wonder to see into how small a number of weak and worthless hands a great people may fall.
De reden waarom opiniemaker Ian Buruma in The New York Times oordeelt dat Tocqueville een ‘admiring account of American democracy’ gaf, is dat hij als broodschrijver zijn publiek en opdrachtgevers dient te behagen. Het is deze houding waarnaar Milan Kundera verwees toen hij met betrekking tot de auteur Hermann Broch schreef
over de heroïsche inspanningen van de moderne roman die zich verzet tegen de golf van kitsch, maar er tenslotte door gevloerd zal worden. Het woord kitsch verwijst naar de houding van degene die tot elke prijs zoveel mogelijk mensen wil behagen. Om te behagen dien je je te conformeren aan wat iedereen wenst te horen, in dienst te staan van de pasklare ideeën, in de taal van de schoonheid en de emotie. Hij beweegt ons tot tranen van zelfvertedering over de banaliteiten die wij denken en voelen. Na meer dan vijftig jaar wordt de kernspreuk van Broch nu alleen nog maar meer waar. Op grond van de dwingende noodzaak te behagen en zo de aandacht van het grootst mogelijke publiek te trekken, is de esthetiek van de massamedia onvermijdelijk die van de kitsch en naarmate de massamedia ons gehele leven meer omsluiten en infiltreren, wordt de kitsch onze dagelijkse esthetiek en moraal. 
Kundera benadrukte dat
[j]e je de toekomst wel [kunt] voorstellen zonder de klassenstrijd of zonder de psychoanalyse, maar niet zonder de onweerstaanbare opkomst van pasklare ideeën die, ingevoerd in computers, gepropageerd door de massamedia, het gevaar met zich meebrengen binnenkort een macht te worden die elk oorspronkelijk en individueel denken verplettert en zo de werkelijke essentie van de Europese cultuur van onze tijd verstikt.
De mainstream-media zijn kitsch, hun mens- en wereldbeeld is kitsch, hun verlangens en dromen zijn kitsch, hun opinies zijn kitsch, en gevaarlijk. De bewering dat ‘we ons [zullen] moeten voorbereiden op een tijd waarin we met weemoed terugkijken op het betrekkelijk goedaardige imperialisme uit Washington,’ is gevaarlijke kitsch in het kwadraat. In verband met de lengte stop ik hier. Volgende keer Buruma’s bewering dat
The British version of the American dream: ‘The Great Gatsby’ may be the great American novel, but Gatsby could have existed in Britain too.
Ook in dit geval geldt dat Buruma’s bewering bezijden de waarheid is.