“Voor Damascus is wat vandaag gebeurt een déja-vu”- Westerse interventies als wortel van conflicten in Midden-Oosten

Zo eenzijdig als de blik van de mainstream van de westerse politiek op het Midden-Oosten met zijn verschillende conflictgebieden is, zo manicheïsch is haar indeling daarvan in goede en kwade actoren. Goed zijn vooral diegenen die met dit manicheïsche wereldbeeld instemmen en de de opvatting van de westerse politiek bevestigen. Wie daarentegen een gedifferentieerd beeld van de situatie uitwerkt en de conflicten in hun veelkleurigheid probeert te vatten, wordt al snel bij de As van het Kwaad ingedeeld.

Zo ook de Duitse journalist en islamoloog Michael Lüders, die met ‘Wer den Wind sät’ en ‘Die den Sturm ernten’ twee met elkaar samenhangende boeken over de gevolgen van de westerse politiek in het Midden-Oosten en Noord-Afrika heeft uitgebracht. In het eerste boek, dat een iets algemenere scope heeft en twee jaar geleden voor het eerst verscheen, belicht Lüders eerst de omverwerping van de Iraanse premier Mohammed Mossadegh door de CIA, die hij als blauwdruk voor vergelijkbare operaties ziet: “De staatsgreep in 1953 laat een basismodel zien, dat de VS en hun bondgenoten nog altijd aanwenden bij een voorgenomen wisseling van regime: de demonisering van de tegenstander voorafgaand aan de eigenlijke operatie”, aldus Lüders. Zo wordt Mossadegh bijvoorbeeld in campagnes herhaaldelijk met Hitler vergeleken. Vergelijkbare formuleringen als in die campagnes steken later “bijna woord voor woord het zelfde” de kop op in campagnes tegen Saddam Hoessein, Moeammar Khadaffi of Bashar al-Assad.

Blow back

Deze eerste regime change is de haast ideaaltypische illustratie van een steeds terugkerende figuur bij Lüders, de ‘blow back’ van westerse politiek. Interventies in de islamitische wereld, moreel  opgeblazen als bevrijding of democratisering, in werkelijkheid echter uitdrukking van door belangen geleide machtspolitiek, zetten processen in gang die zich tegen de oorspronkelijke of voorgewende doelstellingen keren. In het geval van Iran had de interventie op de langere termijn de islamitische revolutie van 1979 tot gevolg.

Knap is ook Lüders portret van het conflict tussen Afghanistan en de Sovjet-Unie als kiem van Al Qaida en het ‘jihad-toerisme’, dat aanvankelijk door het Westen gestimuleerd werd. Ook het portret van ‘Islamitische Staat’ en zijn wortels in Saoedi-Arabië is, ondanks dat het relatief kort is, informatief en opnieuw een goede illustratie van de ‘blow back’ van westerse interventies.

‘Die den Sturm ernten’ concentreert zich op het conflict in Syrië, dat Lüders inleidt met een breder historisch vertoog. Uitgaande van de geleidelijke dekolonisatie en de emancipatie van Arabische naties, beschrijft Lüders hoe de westerse machten in dit proces hun belangen proberen door te zetten. Met de Verenigde Staten, die daarmee het prestige dat ze daarvoor als niet-koloniale macht in die regio hadden, verspeeld hebben, voorop. Met betrekking tot Syrië: “Zonder Syrisch gebied te doorkruisen, laat zich geen rendabele pijpleiding van de Perzische Golf of vanuit Irak naar de Middellandse Zee aanleggen.” En dat geldt al in 1956.

Bezorgd zien de Verenigde Staten en Groot-Brittannië hoe opeenvolgende Syrische machthebbers toenemend ondersteuning zoeken uit de Sovjet-Unie. En die laatsten registreren verontrust de westerse voorbereidingen voor ‘regime change’. Lüders vat de Britse, pas recent publiek geworden plannen samen: “Het [plan]voorzag er in met behulp van terreuraanslagen en het binnensluizen van geld en wapens een opstand van regeringstegenstanders te veroorzaken en vooral ontevreden stammen in het zuiden en oosten van Syrië te mobiliseren.”

Déja-vu

Het plan wordt voortijdig onthuld, de Amerikaanse ambassadeur het land uitgezet en Moskou dreigt met troepenopbouw aan de grens van Bulgarije (dan nog in het Warschaupact) met Turkije. De daaropvolgende consolidatie van een militaire dictatuur aan het hoofd waarvan Hafiz al-Assad zich in 1970 stelt, wordt begrijpelijkerwijs gekenmerkt door paranoia ten aanzien van westerse invloeden die het regime willen destabiliseren. “Voor Damascus is wat vandaag gebeurt een déja-vu.”

Lüders schildert enerzijds duidelijk het rücksichtslose optreden van de dictatuur, maar maakt anderzijds ook duidelijk dat de westerse perceptie, als zou de Syrische ‘oppositie’ het gehele Syrische volk of zelfs maar een wezenlijk deel van de bevolking vertegenwoordigen, simpelweg onjuist is. In vrije verkiezingen zouden de opstandelingen geen schijn van kans hebben op een overwinning. De manicheïsche indeling in goed en kwaad kan bovendien niet verder van de waarheid verwijderd zijn. De strijders van de oppositie houden in de schermutselingen net zo min rekening met mogelijke burgerslachtoffers als regeringstroepen, zo vat Lüders samen. “Beide zijden zijn vertrouwd met gruweldaden.”

Goede bedoelingen?

Lüders slaagt er weliswaar in te laten zien hoe de westerse interventiepolitiek onder leiding van de VS tot een destabilisatie van de regio geleid heeft. “Gechargeerd gezegd worden de Europeanen in de vluchtelingencrisis geconfronteerd met de brokken van een mislukt Amerikaans interventiebeleid, en betalen ze gewillig de prijs voor de machtsaanspraken van anderen.” Minder overtuigend werkt daarbij echter Lüders eenzijdige interpretatie als zou de ‘blow back’ louter een irrationele fout van dit beleid zijn.

Dat de Europeanen, Duitsland voorop, allang zelf voorwerp van een interventiebeleid zijn geworden, dat tot uitdrukking komt in de massale instroom van Midden-Oosterse en Afrikaanse immigranten, komt bij Lüders kennelijk niet op. Zo beklaagt hij de verdere opkomst van de radicale islam, omdat deze “niet in de laatste plaats een fontein van de jeugd is voor de rechts-populisten in Europa”. Desalniettemin bevat het boek genoeg waarmee ook ‘rechtspopulisten’ hun voordeel kunnen doen in de bestrijding van het schadelijke beleid van de gevestigde partijen.