Door: SOPHIE STADHOUDERS

De samenleving betaalt nog altijd een hoge prijs voor toegang tot wetenschappelijke informatie die zij zelf heeft gefinancierd. Het lukt maar niet om de machtige positie van wetenschappelijke uitgevers te doorbreken. FTM sprak met drie wetenschappers die informatie voor iedereen toegankelijk willen maken.

1984. In Marin County, even ten noorden van San Francisco, komen 150 programmeurs, ingenieurs en designers bijeen. Het is de allereerste hackersconferentie ooit. De intellectuele voorhoede van Silicon Valley is erbij. In The Valley bruist het op dat moment van vooruitgangsoptimisme. Tijdschrift Time heeft de personal computer uitgeroepen tot ‘Man’ of the Year en Apple heeft net zijn eerste Macintosh op de markt gebracht. De nog jonge ICT-industrie explodeert en belooft de gevestigde orde omver te werpen. En dat is precies wat de aanwezige ‘hackers’ — het woord had toen nog een positieve lading — voor ogen staat. De voormalige hippie Stewart Brand spreekt er gevleugelde woorden: ‘Information wants to be free, because the cost of getting it out is getting lower and lower all the time.’ Voor iedereen op elk moment vrij beschikbaar, de ultieme democratisering van informatie en kennis, absolute vrijheid — dat was de droom van die eerste generatie hackers. Het was Nineteen Eighty-Four, hét jaar om een digitale utopie te lanceren. 

Information wants to be free. Het is een gedachte die is blijven hangen, tot op de dag van vandaag. Ook bij idealistische, dan wel armlastige, wetenschappers en onderzoekers. En de opkomst van internet in de jaren ‘90 leek die droom waar te maken. De mogelijkheden van internet leidde tot de ontwrichting van complete industrieën. Van muziek, communicatie tot journalistiek — alles werd anders. Veel informatie werd zo goed als gratis. Met wetenschappelijke informatie — die toch al werd gefinancierd met publieke middelen – zou het ongetijfeld ook die kant op gaan. Het internet maakt het zakelijk model van wetenschappelijke uitgevers achterhaald, zo voorspelden industrie-analisten en futuristen.

‘Information wants to be free’

Het tegendeel gebeurde. Wetenschappelijke informatie werd niet ‘vrij’, maar juist een van de duurste en meest winstgevende informatieproducten van de westerse economieën. In de verhitte jaren ‘90 wisten grote wetenschappelijke uitgevers, zoals Elsevier, Wiley en Taylor & Francis, zich te consolideren. Het leidde tot een oligopolie en logischerwijs ook tot hogere winsten. Inmiddels zijn er nog maar vijf grote uitgeverijen over, die tezamen meer dan de helft van alle academische artikelen publiceren. Winstmarges van tussen de 30 en 40 procent zijn voor deze bedrijven de gewoonste zaak.

Je zou zeggen dat de uitgevers, die voornamelijk elektronische tijdschriftabonnementen aan onderzoeksinstellingen verkopen, hun tarieven sinds het digitale tijdperk in ieder geval flink hebben verlaagd. De distributie- en productiekosten zijn sindsdien immers dankzij ICT en internet sterk gedaald. Maar ook dat is niet het geval. Sterker, de Amerikaanse Association of Research Libraries (ARL) berekende dat de abonnementskosten van bibliotheken in de periode 1986-2015 met 300 procent stegen, bovenop de inflatie in die periode. Nederlandse universiteiten betalen jaarlijks miljoenen euro’s aan enkele uitgeverijen. In 2015 ging het om een totaalbedrag van 43 miljoen euro.

Gouden verdienmodel

Hoe is dat mogelijk? Waarom kon internet juist deze industrie níet ontwrichten? ‘Het probleem is dat wetenschappers zich zo laten leiden door prestige,’ zegt Daniël Lakens, psycholoog en universitair docent aan de TU Eindhoven. Het publiceren in tijdschriften hoort bij het werk van onderzoekers en is belangrijk voor het binnenhalen van onderzoeksgeld én hun carrière. Dit maakt ze enorm afhankelijk van uitgevers. ‘Mijn generatie publiceert zich een slag in de rondte,’ vertelt Miko Flohr, universitair docent Oude Geschiedenis in Leiden. ‘Ik breek me al jaren het hoofd over hoe ik als wetenschapper dit monster [de grote uitgevers, red.] zoveel mogelijk kan omzeilen zonder irrelevant te worden.’

Waarom kon internet juist deze industrie níet ontwrichten?

Wat de positie van wetenschappelijke uitgevers verder versterkt, is dat ze beschikken over een gouden verdienmodel: ze laten de academische gemeenschap via prijzige tijdschriftabonnementenbetalen voor artikelen die onderzoekers zelf aanleveren en waar ze zelf de kwaliteitscontrole (peerreview) van uitvoeren — gratis. Een niet onbelangrijk detail: dit gaat grotendeels om onderzoek dat met publieke middelen is gefinancierd. In feite verdienen uitgevers hun geld dankzij subsidie van de overheid, lees de belastingbetaler. Meer hierover lees je in dit eerste artikel van deze serie over wetenschappelijke uitgevers. Daarnaast hebben ze simpelweg slim ingespeeld op de mogelijkheden die het internet biedt. Zo bracht digitale toegang tot artikelen uitgevers op het idee om zogeheten ‘big deals’ af te sluiten: contracten waarmee universiteitsbibliotheken in één keer online toegang verkrijgen tot een heel portfolio aan tijdschriften. Handig, aangezien er wereldwijd duizenden bibliotheken zijn.

Macht doorbreken

Hoe breek je de macht van de uitgevers? Die vraag houdt duizenden wetenschappers, bibliothecarissen en universiteitsbestuurders over de hele wereld bezig. Zij zien elk jaar de kosten die ze voor informatie moeten betalen stijgen. Al sinds jaren wordt er geprotesteerd, bijvoorbeeld door pogingen om de titels van Elsevier te boycotten. Bovendien wordt er gezocht naar alternatieven, maar die hebben nog geen zoden aan de dijk gezet.

Open access bijvoorbeeld — het online vrij toegankelijk maken van wetenschappelijke kennis voor iedereen — is op het eerste gezicht een manier om het oligopolie van de uitgevers te doorbreken. Maar vooralsnog vormt dat geen grote bedreiging voor de uitgeverijen. Ook met dit model valt namelijk geld te verdienen. Uitgevers vragen hierbij niet de lezer om geld, maar de auteur. Hoe dat precies in zijn werk gaat, heb ik beschreven in mijn tweede artikel in deze reeks over wetenschappelijke uitgevers. De transitie naar een volledig open access-model verloopt dan ook tergend langzaam. 

MIKO FLOHR, UNIVERSITAIR DOCENT OUDE GESCHIEDENIS LEIDEN

“Ik breek me al jaren het hoofd over hoe ik als wetenschapper dit monster kan omzeilen”

Té langzaam, vinden steeds meer wetenschappers en politici. Zo wil de Europese Unie dat vanaf 2020 alle Europese wetenschappelijke artikelen vrij beschikbaar worden. Daartoe besloten de EU-ministers voor Onderzoek en Innovatie vorig jaar mei unaniem. Het akkoord was een belangrijk doel van Sander Dekker, demissionair staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en wordt gezien als een succes van het Nederlandse EU-voorzitterschap destijds. Maar de vraag is of en hoe de EU zoiets kan afdwingen.

Inmiddels er een beweging van wetenschappers op gang gekomen die zélf het heft in handen nemen. Ze komen met verschillende oplossingen, waarbij soms wettelijke grenzen worden afgetast. Ik sprak met drie wetenschappers die er genoeg van hebben en besloten het op te nemen tegen de grote wetenschappelijke uitgevers, ieder op hun eigen manier.

Rebellie 1: tijdschriften ‘flippen’

‘Natuurlijk was ik wel even ongerust toen ik die brief naar Elsevier stuurde. Maar uiteindelijk verliep de transitie vrij gemakkelijk.’ Johan Rooryck, hoogleraar Franse taalkunde aan de Universiteit Leiden, was 17 jaar lang de hoofdredacteur van het prestigieuze taaltijdschrift Lingua, dat werd uitgegeven door Elsevier. In november 2015 besloot hij dat het genoeg was geweest. Rooryck waagde de sprong en stapte, samen met de rest van de redactie, op bij Elsevier. ‘We doen het liever voor niks dan dat we uitgebuit worden,’ vertelt hij erover. De hoogleraar zette met zijn editorial board een nieuw, concurrerend tijdschrift op: Glossa.

Twee andere taalwetenschappelijke tijdschriften volgden Rooryck’s voorbeeld en gingen ook weg bij hun oorspronkelijke uitgever. Ze stapten over naar een open access uitgever, waar ze onder dezelfde naam zijn doorgegaan. ‘Tijdschriften flippen,’ noemt Rooryck dit. De drie journals worden nu door het Britse Ubiquity Press uitgegeven volgens de ‘fair open access principles’. Dit betekent dat vrije toegang en transparantie (o.a. over de kosten) voorop staan, dat de auteurs van artikelen hun auteursrecht behouden en dat alle publicatiekosten laag en in verhouding zijn — maximaal 1000 euro. Rooryck legt uit dat het eigenlijk om fair trade gaat en vergelijkt het met chocolade. ‘Je kan niet verwachten dat we allemaal gratis cacaobonen naar de fabriek brengen, om er zelf chocolade van te maken. Dat we de chocolade vervolgens gratis aan een verpakkingsbedrijf leveren, die er een zilveren wikkel omheen doet en zegt: nu verkopen we deze chocolade aan jullie terug voor 10 keer de prijs.’

‘We doen het liever voor niks dan dat we uitgebuit worden’

Om binnen de relatief kleine taalkundige gemeenschap de overgang van het abonnementenmodel naar fair open access te faciliteren, richtte Rooryck de stichting LingOA op en bedacht hij een transitiemodel bestaande uit drie fases. ‘Je hebt allereerst het abonnementenmodel waarbij universiteitsbibliotheken zich blauw betalen aan abonnementsgelden. Vervolgens flippen de tijdschriften. Die helpen wij door via het LingOA fonds de productie- en publicatiekosten voor auteurs te betalen,’ legt de hoogleraar uit. LingOA beschikt over een soort vijfjarig garantiefonds dat de uittocht van tijdschriften mogelijk maakt. De Haagse onderzoeksfinancier NWO en de brancheorganisatie VSNU stelden hiervoor 500.000 euro ter beschikking. Om het voortbestaan van de fair open access tijdschriften te garanderen, is er een samenwerking met de Open Library of Humanities (OLH). Dit online platform (non-profit) werkt samen met bibliotheken wereldwijd, die allen een bijdrage van tussen de 1000 en 2000 euro betalen. Na vijf jaar ontvangen de tijdschriften de publicatiekosten vanuit de OLH. Uiteindelijk draaien bibliotheken dus gezamenlijk op voor de publicatiekosten van wetenschappers en betalen ze niet meer voor dure abonnementen. ‘Dat is vele malen goedkoper,’ aldus Rooryck.

Dat het flippen van tijdschriften werkt, laat Glossa zien: 18 maanden na de oprichting is het een goedlopend tijdschrift. ‘It’s the place where all the cool kids want to be,’ zegt Rooryck lachend. Glossa is een volwaardig alternatief geworden voor het ooit zo prestigieuze Lingua, dat inmiddels vergane glorie is. Dit is te danken aan de succesvolle campagne van LingOA binnen de taalgemeenschap om Lingua voortaan links te laten liggen. Hoewel er een nieuwe editorial board kwam — die volgens Rooryck voornamelijk uit 75-plussers bestaat — spreekt men in de gemeenschap ook wel van Zombie Lingua: ‘Het waart nog rond, maar is eigenlijk dood.’

LingOA kan als voorbeeld dienen voor andere disciplines. ‘Wij hebben nu een blauwdruk van hoe je het moet aanpakken,’ zegt Rooryck. ‘Als ik het kan, dan kan iedereen het.’ Het principe is al overgeslagen naar andere wetenschappelijke disciplines: sinds ongeveer negen maanden bestaan de zusterorganisaties MathOA en PsyOA. Ook zijn er tijdschriften binnen deze vakgebieden die bereid zijn te flippen zodra er geld beschikbaar is. In de wiskunde is nu zelfs een tijdschrift dat gaat flippen zonder te wachten tot de financiering rond is.

‘Als ik het kan, dan kan iedereen het’

Rooryck denkt dat een complete transitie naar fair open access er uiteindelijk wel komt. Het gaat hem alleen nog niet snel genoeg. Om het overgangsmodel op grotere schaal toe te passen, is vooral geld van de overheid nodig: voor garantiefondsen in de transitiefase, voor een Science-afdeling van de OLH en om bibliotheken voor de publicatiekosten te laten betalen. Het liefst zou Rooryck zien dat een stuk of 10 belangrijke Elsevier-tijdschriften flippen. ‘Kijken hoe de uitgevers dan piepen.’

Rebellie 2: open kitchen science

Microbioloog en schrijver/NRC-columnist Rosanne Hertzberger gaat nog een stapje verder dan Rooryck: ze wil een totaal andere vorm van wetenschap bedrijven. Dat idee ontstond na een conflict met haar begeleiders in de VS, waar zij als postdoc aan de Washington University in St. Louis werkte. Gedesillusioneerd keerde Hertzberger vorig jaar terug naar Nederland. Vooral het gebrek aan openheid onder wetenschappers stuitte haar tegen de borst. Desondanks was de microbioloog haar passie voor onderzoek niet verloren. Ze besloot door te gaan, maar niet op de oude manier. Hertzberger koos voor open kitchen science. Dit is wetenschap gebaseerd op samenwerking en het delen van kennis. Het gaat daarbij niet meer om het publiceren van onderzoeksresultaten in wetenschappelijke journals, maar juist om het delen van alle beschikbare kennis in een vroeger stadium van het onderzoeksproces. Volledige transparantie, zodat anderen er gebruik van kunnen maken en kunnen bijdragen aan het wetenschappelijke proces.

‘Wij laten ons gewoon gijzelen. Die bedrijven houden ons op een verkeerde manier in een kramp’

Wat betreft de rol van uitgevers, vindt Hertzberger de hoge winsten die ze maken op zich niet eens het grootste probleem. Daar zijn het immers ondernemingen voor, zegt ze. Het gaat haar meer om de manier waarop uitgeverijen de wetenschapsbeoefening beïnvloeden: ‘Wij laten ons gewoon gijzelen. Die bedrijven houden ons op een verkeerde manier in een kramp, van “zo moet het en niet anders”.’ Hertzberger staat kritisch tegenover het huidige peerreview-proces als kwaliteitscontrolemechanisme. Een betere manier om onderzoekskwaliteit te waarborgen is volgens haar dat wetenschappers elkaars resultaten valideren door onderzoek te repliceren. ‘Ik wil toe naar meer robuuste wetenschap. Het mag pas in de krant als het door een onafhankelijk lab is herhaald.’

Dit betekent dat onderzoekers meer moeten gaan delen. En dat is niet zomaar iets binnen de wetenschapswereld, waar onderzoekers hun kaarten liever gesloten tegen de borst houden. ‘Er is enorme geheimhouding in de wetenschap,’ vertelt Hertzberger. Dit heeft ermee te maken dat onderzoekers graag als eerste met hun publicatie naar buiten willen komen, liefst in een toptijdschrift. Zo kunnen ze de meeste impact bereiken. Bovendien is een ‘scoop’ belangrijk voor patentaanvragen en voor vervolgfinanciering. ‘Iedereen houdt zich bezig met een soort ratrace. Die competitie leidt tot verkwisting van belastinggeld.’ 

ROSANNE HERTZBERGER, MICROBIOLOOG

“Iedereen houdt zich bezig met een soort ratrace. Dat leidt tot verkwisting van belastinggeld”

Hertzberger, die momenteel als ‘vrijwilliger’ aan de VU in Amsterdam vaginale bacteriën onderzoekt, wil wetenschap weer voor de lol doen. Daarom werkt ze nu volgens eigen methode in ‘een volledig open keuken’. Hertzberger startte een blog, genaamd REBLAB, waarop ze al haar onderzoeksresultaten — positieve én negatieve — zal delen. Het is allemaal nog in een vroeg stadium, maar op deze manier zullen haar bevindingen uiteindelijk meteen voor iedereen openbaar zijn; ook wel real time open science genoemd. De microbioloog liet zich inspireren door biomedicus Rachel Harding, die op deze wijze onderzoek doet naar de ziekte van Huntington.

Hertzberger ziet zichzelf als voorbeeld voor anderen: ‘Ik hoop dat meer mensen dit gaan doen. Ik heb de website expres simpel gehouden, om te laten zien dat iedereen het kan.’ Met haar blog probeert de microbioloog op drie manieren iets te veranderen. ‘Ik wil wetenschap dichterbij het grote publiek brengen, ik probeer andere wetenschappers ertoe te bewegen hun keuken open te gooien en ik hoop mensen die de wetenschap hebben verlaten te verleiden om weer eens wat te beginnen.’

‘Hopelijk durven wetenschappers het experiment aan te gaan’

Bovendien wil Hertzberger ‘de kudde’ stimuleren om de wetenschappelijke uitgevers een keer links te laten liggen. Momenteel is ze bezig met het opzetten van de campagne Negative Result Week. Doel is om onderzoekers uit allerlei vakgebieden zo ver te krijgen om één negatief resultaat te publiceren, zonder peerreview vooraf en op een open platform buiten de journals om. De microbioloog hoopt dat het een succes wordt, al beseft ze dat het een stap uit de comfortzone is. ‘Je hoopt dat wetenschappers het experiment durven aan te gaan. Het voelt alsof de tijdsgeest er is.’

‘Ik weet niet waar het uiteindelijk heen gaat,’ zegt Hertzberger over haar blog en de campagne. ‘Ook voor mij is het één groot experiment.’

Rebellie 3: de piraterij van Sci-Hub

Zolang de volledige transitie naar fair open access of open kitchen science nog niet is gerealiseerd, biedt Sci-Hub altijd nog een uitweg, zij het een omstreden. Deze wereldwijd populaire website is namelijk een soort Pirate Bay voor wetenschappelijke artikelen. De site beschikt over ongeveer 81,6 miljoen papers van talloze uitgevers en groeit nog steeds. Sci-Hub, opgericht in 2011, werkt samen met het Russische Library Genesis Project (LibGen), dat onderzoeksliteratuur van het internet verzamelt en toegankelijk maakt. Sinds 2015 heeft Sci-Hub haar eigen archief.

De werkwijze van de piratensite is kinderlijk eenvoudig, maar desalniettemin zeer schadelijk voor uitgevers. Wanneer gebruikers de URL of het registratienummer van een artikel invoeren, wordt er eerst in de eigen database naar gezocht. Als de gewenste publicatie daar nog niet in staat, maakt Sci-Hub gebruik van proxyservers om deze alsnog te downloaden. Vervolgens maakt het twee kopieën, waarvan de ene bij de gebruiker terechtkomt en de andere wordt opgeslagen in het archief voor toekomstige zoekopdrachten. Aangenomen wordt dat Sci-Hub 99 procent van alle verzoeken op deze manier kan vervullen.

Inmiddels lijkt de beruchte website op het punt te staan om een diepe bres te slaan in de keiharde betaalmuur die rond tijdschriftabonnementen staat. Zo blijkt uit een recente studie van data-wetenschapper Daniel Himmelstein dat Sci-Hub directe toegang geeft tot 85 procent van alle artikelen die achter een paywall staan. Van sommige grote uitgevers, zoals Elsevier, staat zelfs meer dan 97 procent van zijn tijdschriftartikelen op de servers van Sci-Hub opgeslagen.

 Screen Shot 2017-08-07 at 14.39.16.png
De piratensite wordt voornamelijk gebruikt in China, India en Iran, waar universiteiten en wetenschappers over minder geld beschikken. Maar ook in westerse landen is de website een bekend hulpmiddel, vooral vanwege het gebruiksgemak. Vorig jaar werden er in een half jaar tijd 28 miljoen documenten gedownload. Uiteraard is Sci-Hub — dat gefinancierd wordt via bitcoin-donaties — illegaal; het gaat immers om artikelen waarvan de uitgevers over het auteursrecht beschikken. Maar dat kan oprichtster Alexandra Elbakyan niets schelen.

 ‘Het publiek wordt beroofd van kennis’

De 28-jarige Kazachstaanse onderzoeker wordt ook wel de Robin Hood van de wetenschap genoemd: ze steelt artikelen van de ‘rijke’ uitgevers en geeft ze terug aan ‘arme’ wetenschappers. Als neuroscience-student aan de Kazakh National Technical University had Elbakyan geen toegang tot de internationale onderzoekspapers die ze voor haar studie en onderzoek nodig had. Internetpiraterij bleek uitkomst te bieden. ‘Ik was niet de enige met dit probleem. Later ontmoette ik een hele online gemeenschap van onderzoekers die met hetzelfde worstelden,’ vertelt de Sci-Hub-oprichtster per mail vanaf een geheime locatie (‘om onnodige risico’s te vermijden’). Het bracht haar op het idee om een website te creëren voor mensen die moeite hebben om toegang te krijgen tot wetenschappelijke informatie.

Op de vraag waarom ze niet voor een legaal initiatief heeft gekozen, antwoordt Elbakyan dat ze niet bewust voor een bepaald pad koos: ‘Ik ben een computerprogrammeur, deze manier van problemen oplossen is logisch voor mij. Sci-Hub was bedoeld als instrument om de “gebroken toegang” tot onderzoeksliteratuur te repareren.’ Maar Sci-Hub dient ook een morele missie. Volgens Elbakyan is de zoektocht naar kennis veranderd in een zoektocht naar winst. De uitgevers zijn daar schuldig aan. ‘Het publiek wordt beroofd van kennis.’

“Uitgevers zien de piratensite het liefst zo snel mogelijk verdwijnen”

Het zal niet verbazen dat uitgevers de piratensite het liefst zo snel mogelijk zien verdwijnen. Op verschillende manieren proberen ze Sci-Hub te dwarsbomen. ‘Uitgevers proberen de universiteitsaccounts waarmee artikelen worden gedownload op te sporen en te blokkeren, en ze spannen rechtszaken aan,’ vertelt Elbakyan. In juni verloor Sci-Hub nog een rechtszaak in de VS van Elsevier. En niet voor het eerst: in 2015 verloor de website al een kort geding, eveneens aangespannen door Elsevier. Destijds veranderde Sci-Hub simpelweg het domein. Ditmaal oordeelde de rechtbank dat Sci-Hub het auteursrecht heeft geschonden en dat het samen met LibGen een schadevergoeding van 15 miljoen dollar moet betalen. Op de vraag of dit bedrag zal worden betaald, antwoordt de oprichtster: ‘Natuurlijk gaat Sci-Hub dat niet betalen. Het is onethisch om de vrije stroom van wetenschappelijke kennis om welke reden dan ook te verbieden.’

‘Waarom zou je nog betalen als je artikelen gewoon gratis kan downloaden?’

Ondanks de rechterlijke uitspraken gaat Elbakyan dus gewoon door met Sci-Hub. Hoe dat kan zonder die schadevergoeding te betalen? ‘Dat is meer een vraag voor de advocaat,’ zegt ze. Psycholoog Daniël Lakens vindt het mooi dat Elbakyan zo principieel is. ‘Sci-Hub is illegaal, maar het is heel naïef om te denken dat de wet altijd klopt. Zo was er ook een tijd dat mensen slaven mochten houden. Dit is net zoiets. Elbakyan is iemand die zegt: “Deze artikelen leven in slavernij. Ze worden gevangen gehouden, maar zouden vrij moeten zijn.” Volgens mij staat ze aan de goede kant van de geschiedenis.’

Elbakyan hoopt dat haar project het huidige publicatiesysteem zal veranderen. ‘Als Sci-Hub blijft werken, zullen de uitgevers uiteindelijk moeten afstappen van het abonnementsmodel. Waarom zou je immers nog voor een abonnement betalen als je artikelen gewoon gratis kan downloaden?’

Information wants to be free. In de 33 jaar na 1984 is er veel veranderd. Maar dat idee is nog springlevend.

 

Dit artikel maakt deel uit van een serie over wetenschappelijke uitgevers

Lees hier deel 1: Hoe wetenschappelijke uitgevers zich verrijken met onze belastingcenten

Lees hier deel 2: Wetenschappelijke uitgevers nog steeds schatrijk dankzij publiek geld