& Solidaire economie in het Eindhovens Dagblad

 

Door: John Hogervorst

Publicatie: Driegonaal, 4-9-2017
Het gebeurt wel vaker: in de zomer wil de ene of andere organisatie het gebrek aan hard nieuws in media nog wel eens benutten om een plannetje of idee op te laten, een ballonnetje dat in de betrekkelijke medialuwte door een zuchtje media-aandacht kan worden meegevoerd naar grotere hoogten en misschien in de zomerse discussie wordt opgepakt.

Zo kwam FNV Bondgenoten (Volkskrant, 19 juli) met een heel eenvoudig en feitelijk heel interessante gedachte: zou het gezien de economische groei en de hier en daar al gesignaleerde krapte op de zogenaamde ‘arbeidsmarkt’ niet slim zijn om het werk anders te verdelen en daardoor meer mensen een baan te kunnen geven? Er zijn immers nog altijd ruim 400.000 werkzoekenden, schoolverlaters en afgestudeerden komen nog steeds moeizaam aan de slag en moeten het soms doen met ‘nep-banen’, wat opgepoetste vrijwilligers- of stageplekken, waar zij weliswaar ‘echt’ werken, maar niet op basis van ‘echte’ arbeidsvoorwaarden. En dat terwijl, dat was het nieuws in juli, werknemers gemiddeld drie uur per week (onbetaald) overwerken!
Het FNV-ballonnetje werd nog dezelfde dag uit de lucht geschoten door de werkgevers (‘Een moderne economie heeft flexibiliteit nodig’, aldus de werkgevers. Benieuwd hoe men de flexibiliteit zou waarderen indien werknemers gemiddeld drie uur per week betaald niet werken…).

Jammer. Want mogelijk is de gedachte van de FNV op dit moment niet werkbaar (de bereidheid aan werkgeverskant om het nader te onderzoeken is natuurlijk ook minimaal) maar in een serieuze discussie over het plannetje zou duidelijk kunnen worden gemaakt dat de grondgedachte van waaruit het ballonnetje werd opgelaten juist, en van fundamenteel belang is: arbeid – de benodigde hoeveelheid werk voor het handhaven of realiseren van een wenselijk en haalbaar niveau van welvaart en welzijn – is iets dat eerlijk verdeeld zou moeten worden.
Hoezo blijven we hangen in de situatie dat arbeid wordt vervuld door degene die het eerst komt en anderen, die ook arbeidsvaardig zijn en wíllen werken, gedwongen thuis zitten, worden gedegradeerd tot een reserve-reservoir van werkwilligen, ‘reserve-mensen’ die het onmogelijk wordt gemaakt door middel van werk een zinnige bijdrage aan de samenleving te leveren; tot mensen die hun aspiraties aan de kant moeten zetten en die, vanwege het feit dat zij een uitkering ontvangen – die zij eigenlijk niet willen omdat zij gewoon werk willen hebben – tot ‘tegenprestaties’ worden gedwongen die voor velen van hen een miskenning zijn van hun goede wil en capaciteiten?
Hoezo doen wij het zo?

Door de verknipte manier waarop wij omgaan met arbeid en de beloning van arbeid, zien wij over het hoofd dat het feitelijk in zekere zin eenvoudig, terecht, eerlijk en verstandig is om de hoeveelheid arbeid die gedaan moet worden, te verdelen over allen die daaraan deel willen en kunnen hebben. Dat is wenselijk omdat het rechtvaardig is; het is menselijk omdat ieder mens zo zijn bijdrage leveren kan (en de wil om dat te doen leeft intrinsiek in ieder mens); het is verstandig omdat menselijke talenten en vaardigheden kunnen worden ingezet en niet ‘onbenut’ verkommeren.

Een eerlijke verdeling van arbeid vraagt om het scheppen van een nieuw recht, namelijk het ‘recht op arbeid’. Dat recht zou in de praktijk moeten inhouden dat ieder die werken kan en werken wil, hoe dan ook aan een bij zijn capaciteiten en omstandigheden aansluitende baan geholpen wordt. De kennis en ervaring van uitzendbureaus, UWV, vakbonden en ondernemers kunnen zó worden ‘omgeleid’ en ingezet dat het aan werk helpen van mensen als doelstelling centraal komt te staan en tot levendige dagelijkse praktijk wordt.
Daarbij is het van fundamenteel belang dat er een steeds opnieuw te zoeken balans bestaat tussen de gezamenlijke productiviteit van de mensen die in de economie werkzaam zijn, dat wil hier zeggen mensen die werken in het gebied van het produceren en distribueren van waren, en de totale inkomensbehoefte van de andere mensen, namelijk die werkzaam zijn in alle andere sectoren van de samenleving, zoals dienstverlening, ambtenarij, landsverdediging, politie en justitie, onderwijs, gezondheidszorg, wetenschap, kunst en cultuur.
Voor deze tweede ‘groep van mensen’ geldt namelijk dat zij hun werk alleen kunnen uitvoeren wanneer de eerste groep, de mensen die economische waarde scheppen, zoveel waarde scheppen dat er ook daadwerkelijk geld is om de werkenden die tot de tweede groep behoren financieel in staat te stellen hun werk uit te oefenen (ga maar na: wanneer we allemaal kapper, ambtenaar, militair, politieman, leerkracht, verpleegkundige, wetenschapper of kunstenaar zouden zijn, zouden we allemaal zonder inkomen zitten, dan wel zou ons inkomen geen feitelijke waarde vertegenwoordigen, we zouden er niets mee kunnen kopen).
Anders gezegd: het is zaak permanent waar te nemen hoeveel economische waarde er geschapen wordt, hoeveel van die waarde toe moet vloeien naar degenen die aan het scheppen van die waarde meewerken, en hoeveel er daarnaast beschikbaar is (of: zou moeten zijn) voor degenen die in de andere sectoren werkzaam zijn.

Degenen die betrokken zijn bij het produceren en verdelen (daarmee is bedoeld: distributie en handel van de geproduceerde waren) werken samen aan het scheppen van welvaart; de mensen die in de andere sectoren werkzaam zijn werken aan het scheppen van welzijn (hier ruimer dan gangbaar opgevat). In de samenleving als geheel is het noodzaak deze balans tussen welvaart en welzijn steeds in het oog te houden.
Wanneer er, bijvoorbeeld, behoefte is aan méér (of kwalitatief beter) onderwijs is, dan zal er mogelijk méér waarde (welvaart) gecreëerd moeten worden, opdat er vervolgens meer (of beter gekwalificeerde) mensen in het onderwijs kunnen werken. Welvaart en welzijn zijn als communicerende vaten. Waarbij te bedenken valt dat hier niet wordt gesproken over welzijn dat individueel, subjectief, beleefd wordt, maar over welzijn in termen van het beschikbaar zijn van onderwijs, kunst en cultuur, gezondheidszorg en dergelijke.
Het doorzien van dit grote verband kan nog eens extra duidelijk maken hoe belangrijk het is om tot een nieuw ‘recht op arbeid’ te komen. Mensen hebben een diepe behoefte om  hun bestaan mede zin te geven door een bijdrage te leveren aan het creëren van welvaart of welzijn. Wanneer dit inzicht breed gedragen zou worden, zouden we in de praktijk ook zien en ervaren dat er meer dan voldoende werk is. Het is inhumaan om mensen hiervan uit te sluiten.



Uit het Eindhovens Dagblad
Naar aanleiding van het verschijnen van zijn boek Solidaire economie verscheen er op 16 augustus een interview met Ruud Thelosen in het Eindhovens Dagblad.

„Economie is mensenwerk. We hebben honderden jaren geëxperimenteerd. Maar we moeten constateren dat er een weeffout in zit. Die moeten we herstellen”, vindt Fontys-docent Ruud Thelosen uit Waalre. 
„Het vrije kapitalisme leidt tot een concentratie van geld en macht bij een kleine groep ondernemers. Voedsel en middelen zijn zeer ongelijk verdeeld.” Om dat te veranderen, pleit de docent in zijn boek Solidaire Economie voor een vorm van economie waarbij bedrijven niet het eigendom zijn van particulieren (kapitalisme) of van de staat (communisme). In zijn ideale wereld zijn bedrijven gemeenschappelijk eigendom van coöperaties, stichtingen of verenigingen.
Voor Thelosen is de solidaire economie de ultieme vorm van Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO). „Meestal wordt MVO gedefinieerd als het zorgvuldig en minimaal gebruik van energie en grondstoffen, het beperken van milieuschade, voorkomen van kinderarbeid en tegengaan van corruptie. Maar solidaire economie gaat ook over het eigendom van bedrijven, rechtvaardige inkomensverdeling en nieuwe samenwerkingsvormen.” Als voorbeeld noemt hij associaties, economische samenwerkingsverbanden waarbij de consument aan de handelaar opgeeft wat hij verwacht af te nemen, zodat die de inkoop op de vraag kan afstemmen en de producent weet wat die moet produceren. „Noodzakelijk om roofbouw op grondstoffen en verspilling tegen te gaan”, vindt Thelosen.
Hij illustreert het aan de hand van een verhaal. „In Nederland zijn diverse producenten van betonnen straatstenen. Die worden grotendeels afgenomen door de overheid. Enkele jaren terug hadden die bedrijven onderling een afspraak gemaakt over de verdeling van de orders. Op die manier wisten ze hoeveel stenen ze moesten produceren en hoeveel grondstoffen  en mankracht nodig waren. Maar ze kregen een boete van de Nederlandse Mededinging Autoriteit want hoeveelheidsafspraken zijn net als prijsafspraken verboden. Waanzin”, vindt Thelosen. „Nu gaan orders naar partijen die de druk niet aankunnen en extra mensen moeten aannemen, terwijl andere bedrijven mensen zonder werk zitten en mensen moeten ontslaan. Pure verspilling.”
Het gedachtegoed van Thelosen is terug te brengen op de uitgangspunten van Rudolf Steiner. De grondlegger van de antroposofie zag de maatschappij als een sociale driegeleding: het culturele of geestesleven (onderwijs en wetenschap), het rechtsleven (sociale structuren) en het economische leven (banken, bedrijven, handel). Deze drie gebieden zouden volgens Steiner onafhankelijk, zonder inmenging van elkaar moeten bestaan in de samenleving. „Hij baseerde dit op de idealen van de Franse revolutie: vrijheid, gelijkheid, broederschap”, legt Thelosen uit. „Idealen die volgens hem pas begrepen kunnen worden wanneer ze worden nagestreefd in een eigen werksfeer. Vrijheid in het culturele of geestesleven, gelijkheid in het rechtsleven en broederschap in de economie.” „Broederschap of solidariteit zou hét leidmotief moeten zijn in het economisch verkeer”, benadrukt Thelosen. „Terwijl daar nu het misplaatste idee leeft dat het gaat om vrijheid. Vrij ondernemerschap, vrije concurrentie en vrije marktwerking. Maar dat is puur gericht op winst en houdt geen rekening met een duurzame toekomst. Dat moet echt veranderen.”

Meer over het boek Solidaire economie, KLIK HIER