Publicatie: StanVanHouckesWeblog, 28-9-2017

 

‘Wat ik tracht weer te geven is geheimzinniger, verstrengelt zich met de wortels zelf van het zijn, aan de ongrijpbare bron van de gewaarwordingen,’ zo verklaarde de Franse kunstschilder Paul Cézanne eens. Mede naar aanleiding daarvan schreef zijn landgenoot, de filosoof Maurice Merleau-Ponty, in L’Oeil et L’Esprit (1964), een ‘essay over de waarneming in de kunst,’ (dat in 1996 in het Nederlands verscheen):
De wetenschap manipuleert de dingen en ziet ervan af hen te bewonen. Ze stelt er haar eigen modellen van op en ze treedt… slechts hier en daar in contact met de actuele wereld. 
Hij zette uiteen dat de wetenschap net doet ‘alsof wij’ met de ons omringende wereld  eigenlijk ‘niets te maken’ hebben, maar dat de materie ‘toch was voorbestemd om door onze kunstgrepen te worden’ gemanipuleerd. Vervolgens wees hij erop dat de
klassieke wetenschap evenwel nog het besef [behield] van de ondoorzichtigheid van de wereld; haar bedoeling was om door haar constructies aansluiting te zoeken bij deze wereld, waardoor ze meende verplicht te zijn voor haar verrichtingen een transcendente of transcendentale grondslag te zoeken…
Denken is uitproberen, uitwerken, omvormen, waarbij als enig voorbehoud een experimentele controle geldt waar slechts uiterst ‘bewerkte’ verschijnselen optreden, en die onze apparatuur eerder produceert dan dat ze hen registreert.
Voor wie dit te abstract vindt, geef ik een concreter voorbeeld, zoals die door Goethe is gegeven. Volgens hem kon het meetbare niet de werkelijkheid blootleggen. Sterker nog het vertekende de werkelijkheid en daarmee de waarheid. Het feit dat Newton een lichtstraal door een prisma in kleuren uiteen had laten vallen en concludeerde dat licht een mengsel van kleuren was, zag Goethe als een verkrachting van de natuur, het licht was door Newton gefolterd. In zijn Zur Farbenlehre (1810), dat hij net zo belangrijk beschouwde als zijn literair werk, schreef hij dat Newton’s ‘zogenaamde experimentum crucis,’ een proef was geweest, ‘waarbij de onderzoeker de natuur op de pijnbank spande om haar te dwingen te bekennen wat hij van tevoren bij zichzelf vastgesteld had.’ De vraag had zijn antwoord al van te voren bepaald. Een trekpaard met oogkleppen op ziet alleen dat wat binnen het gezichtsveld van die oogkleppen valt, alles daar buiten bestaat voor hem domweg niet. Door de werkelijkheid te reduceren, door haar te ontzielen, kan men haar geheimen onmogelijk leren kennen. In ontzielde vorm kan de wetenschapper alleen die ‘dingen’ zien die hij ‘manipuleert,’ voor de rest blijft hij blind. Precies hetzelfde gaat op voor de journalistiek. In de inleiding van zijn fotoboek Minamata over Japanse slachtoffers van de kwikvergiftiging door een grote fabriek  schrijft Eugene Smith:
Dit is geen objectief boek. ‘Objectief’ is het woord dat ik het liefst uit het woordenboek van de journalistiek zou willen verwijderen. Dat zou voor de ‘vrije pers’ een grote stap zijn in de richting van de waarheid. En het woord ‘vrij’ zou misschien daarna moeten sneuvelen. Wanneer journalisten en fotografen verlost zouden worden van deze verdraaiingen van de werkelijke gang van zaken zouden ze eindelijk hun verantwoordelijkheid kunnen nemen… Dit boek is met passie gemaakt.
Helderder kan het niet geformuleerd worden, ‘objectiviteit’ bestaat niet, zelfs niet in de wetenschap. Alles begint met een aanname, een vooronderstelling, en die wordt al dan niet bewezen, tot blijkt dat er op een hoger of dieper niveau weer andere wetmatigheden gelden. In de inleiding van zijn fotoboek Minamata over Japanse slachtoffers van de kwikvergiftiging door een grote fabriek  schreef de grote Amerikaanse persfotograaf Eugene Smith:
Dit is geen objectief boek. ‘Objectief’ is het woord dat ik het liefst uit het woordenboek van de journalistiek zou willen verwijderen. Dat zou voor de ‘vrije pers’ een grote stap zijn in de richting van de waarheid. En het woord ‘vrij’ zou misschien daarna moeten sneuvelen. Wanneer journalisten en fotografen verlost zouden worden van deze verdraaiingen van de werkelijke gang van zaken zouden ze eindelijk hun verantwoordelijkheid kunnen nemen.   
De titel van één van mijn boeken is Overal Ziet Men Zichzelf (1999); ik wilde daarmee tot uitdrukking brengen dat men niet méér kan zien dan men weet, oftewel, de werkelijkheid is een weerspiegeling van de waarnemer. Op die manier kan de lezer de kennis van de schrijver beoordelen. Dus toen in juni 2017 opiniemaker Ian Buruma tegenover een Engelstalig publiek met grote stelligheid beweerde dat ‘even if the end of Pax Americana does not result in military invasions, or world wars, we should ready ourselves for a time when we might recall the American Empire with fond nostalgia,’ dan vertelt dit alles over de huidige hoofdredacteur van The New York Review of Books en in feite niets over ‘het Amerikaanse Rijk.’ Buruma bedrijft hier wat in vakkringen ‘Perception Management’ heet. Ter verduidelijking:
Perception management is a term originated by the US military. The US Department of Defense (DOD) gives this definition:

‘Actions to convey and/or deny selected information and indicators to foreign audiences to influence their emotions, motives, and objective reasoning as well as to intelligence systems and leaders at all to influence official estimates, ultimately resulting in foreign behaviors and official actions favorable to the originator’s objectives. In various ways, perception management combines truth projection, operations security, cover and deception, and psychological operations.’
‘Perception’ is defined as the ‘process by which individuals select, organize, and interpret the input from their senses to give meaning and order to the world around them’ Components of perception include the perceiver, target of perception, and the situation. Factors that influence the perceiver:
 • Schema: organization and interpretation of information based on past experiences and knowledge
 • Motivational state: needs, values, and desires of a perceiver at the time of perception
 • Mood: emotions of the perceiver at the time of perception
Factors that influence the target:
 • Ambiguity: a lack of clarity. If ambiguity increases, the perceiver may find it harder to form an accurate perception
 • Social status: a person’s real or perceived position in society or in an organization
 • Impression management: an attempt to control the perceptions or impressions of others. Targets are likely to use impression management tactics when interacting with perceivers who have power over them. Several impression management tactics include behavioral matching between the target of perception and the perceiver, self-promotion (presenting one’s self in a positive light), conforming to situational norms, appreciating others, or being consistent.
De Amerikaanse bestseller-auteur Kenneth Eade zette uiteen dat
‘Perception Management’ was pioneered in the 1980’s under the Reagan administration in order to avoid the public opposition to future wars that was seen during the Vietnam War…
At the onset of the Iraq war in 2003, journalists were embedded with US troops as combat cameramen. The reason for this was not to show what was happening in the war, but to present the American view of it.  Perception management was used to promote the belief that weapons of mass destruction were being manufactured in Iraq to promote its military intervention, even though the real purpose behind the war was regime change.
Alvin and Heidi Toffler cite the following as tools for perception management in their book, War and Anti-War (1995):
‘accusations of atrocities;
hyperbolic inflations;
demonization and dehumanization;
polarization;
claim of divine sanction; and
meta-propaganda.’
In 2001, the Rendon Group, headed by John Rendon, was secretly granted a $16 million contract to target Iraq with propaganda. Rendon, who had been hired by the CIA to help create conditions to removal Saddam Hussein from power, is a leader in ‘perception management.’ Two months later, in December 2001, a clandestine operation performed by the CIA and the Pentagon produced false polygraph testimony of an alleged Iraqi civil engineer, who testified that he had helped Saddam Hussein and his men hide tons of biological, chemical and nuclear weapons. Of course, we now know that there were no weapons of mass destruction hidden in Iraq.
A study by Professor Phil Taylor reveals the differences between the US and global media over the coverage of the war to be:
‘Pro-war coverage in the US made US media “cheerleaders” in the eyes of a watchful, more scrutinous global media;
Issues about the war were debated more in countries not directly affected by the September 11, 2001 terrorist attacks;
The non-US media could not see the link between the “war on terror” and the “axis of evil”; and,
The US media became part of the information operations campaign, which weakened their credibility in the eyes of global media.’
President Bush himself admitted in a televised interview with Katie Couric on the CBS Evening News that, ‘One of the hardest parts of my job is to connect Iraq to the war on terror.’ Vice President Dick Cheney stated on Meet the Press, ‘If we’re successful in Iraq…we will have struck a major blow right at the heart of the base, if you will, the geographic base of the terrorists who have had us under assault for many years, but most especially on 9/11.’
Prior to 2002, the CIA was the Bush Administration’s main provider of intelligence on Iraq. In order to establish the connection between Iraq and terrorists, in 2002, the Pentagon established the ‘Office of Special Plans’ which was, in reality, in charge of war planning against Iraq, and designated by Defense Secretary Donald Rumsfeld to be the provider of intelligence on Iraq to the Bush Administration.  Its head, the Undersecretary of Defense, Douglas J. Feith, appointed a small team to review the existing intelligence on terrorist networks, in order to reveal their sponsorship states, among other things.  In 2002, Deputy Secretary of Defense Paul Wolfowitz wrote a memo to Feith entitled, ‘Iraq Connections to Al-Qaida,’ which stated that they were ‘not making much progress pulling together intelligence on links between Iraq and Al-Qaida.’
Peter W. Rodman, the Assistant Secretary of Defense for International Security, established a ‘Policy counter Terror Evaluation Group’ (PCTEG) which produced an analysis of the links between Al-Qaida and Iraq, with suggestions on ‘how to exploit the connections.’
‘In February 2003, when former Secretary of State Colin Powell addressed the U.N., he described “a sinister nexus between Iraq and the Al-Qaeda network,’ stating that ‘Iraq today harbors a deadly network headed by Zarqawi’s forces, an associate and collaborator of Osama bin Laden,’ and that Zarqawi had set up his operations, including bioweapons training, with he approval of the Saddam Hussein regime.  This has since been discredited as false.
However, in October 2004, due to the fact that the Iraqi insurgency was catching on as a cause in jihadist circles, Zarqawi pledged his allegiance to Al-Qaeda. This was after his group had exploded a massive bomb outside a Shiite mosque in August 2003, killing one of Iraq’s top Shiite clerics and sparking warfare between the Shiite and Sunni communities.  The tipping point toward a full-blown civil war was the February 2006 attack on the Golden Mosque in Samarra, which is credited to Haythem Sabah al-Badri, a former member of Saddam Hussein’s Republican Guard, who joined Al-Qaeda after the U.S. invasion.  This gave birth to the AQI, Al-Qaeda in Iraq.
General Wesley Clark, the former NATO Allied Commander and Joint Chiefs of Staff Director of Strategy and Policy, stated in his book, Winning Modern Wars:
‘As I went back through the Pentagon in November 2001, one of the senior military staff officers had time for a chat. Yes, we were still on track for going against Iraq, he said. But there was more. This was being discussed as part of a five-year campaign plan, he said, and there were a total of seven countries, beginning with Iraq, then Syria, Lebanon, Libya, Iran, Somalia and Sudan.’
In 2004, John Negroponte, who had served as ambassador to Honduras from 1981 to 1985, was appointed as ambassador to Iraq with the specific mandate of implementing the ‘Salvador Option,’ a terrorist model of mass killings by US sponsored death squads.
In 2004, Donald Rumsfeld sent Colonel James Steele to serve as a civilian advisor to Iraqi Paramilitary special police commandos known as the ‘Wolf Brigade.’ Steele was a counter-insurgency specialist who was a member of a group of US Special Forces advisors to the Salvadorian Army and trained counter-insurgency commandos in South America, who carried out extreme abuses of human rights. The Wolf Brigade was created and established by the United States and enabled the re-deployment of Saddam Hussein’s Republican Guard.  The Brigade was later accused by a UN official of torture, murder and the implementation of death squads.  The techniques used by these counter-insurgency squads were described as ‘fighting terror with terror,’ which was previously done in other theaters, such as Vietnam and El Salvador.
The use of death squads began in 2004 and continued until the winding down of combat operations in 2008. In addition to the death squads, regular military units were often ordered to ‘kill all military age males’ during certain operations; ‘dead-checking’ or killing wounded resistance fighters; to call in air strikes on civilian areas; and 360 degree rotational fire on busy streets. These extreme measures were justified to troops in Iraq by propaganda linking the people to terrorism.
Colonel Steele, with the help of Col. James Hoffman, set up torture centers, dispatching Shia militias to torture Sunni soldiers to learn the details of the insurgency.  This has been attributed as a major cause of the civil war which led to the formation of ISIS.
The operation of death squads as counter-insurgency measures was also common knowledge at the time.
Private contractors, such as Steele, were often subject to different rules than the military forces they served and, in some cases, served with.  As of 2008, an estimated 155,286 private contractors were employed by the US on the ground in Iraq, compared to 152,275 troops. The estimated annual cost for such contractors ballooned to $5 billion per year by 2010.
In August 2006, four American soldiers from a combat unit in Iraq testified in an Article 32 hearing that they had been given orders by their commanding officer, Colonel Michael C. Steele, to ‘kill all military age males.’
According to the journalist Glenn Greenwald, all military age males in strike zones of the latest drone aircraft strike programs are considered militants unless it can be proved otherwise. Some say that this has resulted in more civilian casualties than has been reported by the government.
Een schoolvoorbeeld van ‘perception management,’ oftewel propaganda, was de steun die de ‘vrije pers’ aan de ‘agressie oorlog’ tegen Irak verleende. Zo adviseerde de zelfbenoemde ‘kwaliteitskrant’ NRC Handelsblad op de dag dat de illegale inval begon, 20 maart 2003:
Nu de oorlog is begonnen, moeten president Bush en premier Blair worden gesteund. Die steun kan niet blijven steken in verbale vrijblijvendheid. Dat betekent dus politieke steun – en als het moet ook militaire. 
Veelzeggend daarbij is dat de NRC-redactie zich destijds bewust was van het feit dat de VS een‘agressieoorlog’ was begonnen, aangezien in hetzelfde commentaar het volgende wordt gesteld:
In tijden van oorlog zijn de vragen en de keuzes simpel, in de termen die president Bush al in een vroeg stadium heeft gebruikt: Either you are with us, or you are with the terrorists. Het is een grove simplificatie van een gecompliceerd conflict, dat door de Amerikanen en de Britten echter wel zo wordt beleefd. Met name voor de Amerikanen valt het moorddadige regime van Saddam Hussein samen met de aanslagen op de Twin Towers en het Pentagon.
De wereld is er niet van overtuigd geraakt dat deze zienswijze klopt en dat de oorlog tegen Bagdad een legitieme vergelding is van de aanslagen van 11 september 2001. Deze krant heeft op 8 maart jongstleden geschreven dat de motieven voor een aanval op Irak `niet deugen’ en het `laakbaar’ genoemd een oorlog te beginnen zonder de steun van de Veiligheidsraad. Ook vandaag zien wij weinig in de Bush-doctrine, die een preventieve oorlog mogelijk maakt op basis van indirecte aanwijzingen. Een beleid van assertieve afschrikking — dat in de Koude Oorlog conflicten heeft voorkomen — in combinatie met grootschalige wapeninspecties heeft te weinig kansen gehad.
De toenmalige hoofdredacteur van de NRC, Folkert Jensma, wist als jurist dat volgens het ‘International Military Tribunal in Nuremberg’
[t]o initiate a war of aggression… is not only an international crime; it is the supreme international crime differing only from other war crimes in that it contains within itself the accumulated evil of the whole.
Bovendien kende Jensma de uitspraak van Robert Jackson, de Amerikaanse hoofdaanklager tijdens de Neurenberg Processen, dat:
If certain acts and violations of treaties are crimes, they are crimes whether the United States does them or whether Germany does them. We are not prepared to lay down a rule of criminal conduct against others which we would not be willing to have invoked against us,
en dat,
[t]his trial is part of the great effort to make the peace more secure. It constitutes juridical action of a kind to ensure that those who start a war will pay for it personally.
http://www.nurembergfilm.org/about_the_film.shtml 
Het feit dat de NRC Nederlandse autoriteiten opriep om deel te nemen aan een ‘agressieoorlog’ zou in een democratische rechtstaat hebben moeten leiden tot een juridische vervolging, en wel omdat volgens de NRC zelf ‘de motieven voor een aanval op Irak “niet deugen” en de redactie het “laakbaar”’ had ‘genoemd een oorlog te beginnen zonder de steun van de Veiligheidsraad.’ Maar in tegenstelling tot The New York Times en The Washington Post bood NRC Handelsblad naderhand geen verontschuldigingen aan. Onder de kop ‘Not fit to print,’ schreef in mei 2004 de Amerikaanse journalist en auteur James C. Moore over ‘How Ahmed Chalabi and the Iraq war lobby used New York Times reporter Judith Miller to make the case for invasion.’ Hij begon als volgt:
When the full history of the Iraq war is written, one of its most scandalous chapters will be about how American journalists, in particular those at the New York Times, so easily allowed themselves to be manipulated by both dubious sources and untrustworthy White House officials into running stories that misled the nation about Saddam Hussein’s weapons of mass destruction. The Times finally acknowledged its grave errors in an extraordinary and lengthy editors note published Wednesday. The editors wrote:
‘We have found… instances of coverage that was not as rigorous as it should have been… In some cases, the information that was controversial then, and seems questionable now, was insufficiently qualified or allowed to stand unchallenged. Looking back, we wish we had been more aggressive in re-examining the claims as new evidence emerged — or failed to emerge… We consider the story of Iraq’s weapons, and of the pattern of misinformation, to be unfinished business. And we fully intend to continue aggressive reporting aimed at setting the record straight.’
The editors conceded what intelligence sources had told me and numerous other reporters: that Pentagon favorite Ahmed Chalabi was feeding bad information to journalists and the White House and had set up a situation with Iraqi exiles where all of the influential institutions were shouting into the same garbage can, hearing the same echo. ‘Complicating matters for journalists, the accounts of these exiles were often eagerly confirmed by United States officials convinced of the need to intervene in Iraq. Administration officials now acknowledge that they sometimes fell for misinformation from these exile sources. So did many news organizations — in particular, this one (The New York Times. svh).’  
Beangstigend hierbij is dat er al geruime tijd in het westen sprake is van een toenemende ‘concentration of the media, commercialization of the media, and unequal access to information and communication,’ aldus het uitgebreide onderzoek van het MacBride Report, getiteld ‘Many Voices One World,’ dat al in 1981 verscheen en in opdracht van de UNESCO was geschreven door
the International Commission for the Study of Communication Problems, chaired by Irish Nobel laureate Seán MacBride. Its aim was to analyze communication problems in modern societies, particularly relating to mass media and news, consider the emergence of new technologies, and to suggest a kind of communication order (New World Information and Communication Order) to diminish these problems to further peace and human development.
The commission called for democratization of communication and strengthening of national media to avoid dependence on external sources, among others. Subsequently, Internet-based technologies considered in the work of the Commission, served as a means for furthering MacBride’s visions.
While the report had strong international support, it was condemned by the United States and the United Kingdom as an attack on the freedom of the press, and both countries withdrew from UNESCO in protest in 1984 and 1985, respectively (and later rejoined in 2003 and 1997, respectively).
Hoe noodzakelijk de ‘democratisering’ van de mainstream-media blijkt onder andere uit het feit dat de propaganda tegen een door de elite aangewezen vijand gewoon doorgaat, zoals tevens blijkt uit de huidige anti-Rusland hetze. Een voorbeeld bij uitstek daarvan is de gecorrumpeerde verslaggeving van voormalige NRC-opiniemaker Hubert Smeets, die bijna driehonderdduizend euro van de VVD-PVDA regering ontving om een anti-Poetin website (Raam op Rusland) op te zetten. Smeets, die bekend is vanwege uitspraken als ‘[h]et is typisch Russisch, om altijd alles om te draaien’ en ‘een klassiek Russische koers [is] om verwarring te zaaien,’ en die door het tijdschrift Quote werd aangeduid als ’graai-journalist,’beantwoordde de vraag hoe ‘de samenwerking’ tussen hem en de Nederlandse staat ‘tot stand’ was ‘gekomen’ met de woorden:
[e]r is geen verzoek gekomen vanuit beide partijen. Maar het is een grijs gebied, ik ken natuurlijk ook wel wat mensen en tijdens bepaalde gelegenheden komt dit wel eens ter sprake,
waarmee hij onbedoeld te kennen gaf dat er achter de schermen tussen de macht en ‘de vrije pers’ nauwe banden bestaan, en dat Walter Lippmann’s adagium nog steeds opgaat dat de massa gedwongen moet worden
 
to take sides. We have to be able to take sides. In the recesses of our being we must step out of the audience on to the stage, and wrestle as the hero for the victory of good over evil,
het geen precies de reden is waarom NAVO-lid Nederland bereid was de propaganda-website van de Atlanticus Smeets met belastinggeld te subsidiëren. Typerend voor Smeets corrupte houding is dat hij in NRC Handelsblad de Russische gangster Chodorkovski niet alleen als betrouwbare bron opvoerde, maar tevens als democratisch alternatief voor ‘Poetin’ en diens ‘Poetinisme.’ Chodorkovski, voormalig ‘deputy head of Komsomol (the Communist Youth League),’ wist in het ineengestorte Rusland binnen een decennium de op zestien na rijkste man ter wereld te worden, tot de regering Poetin een einde maakte aan Chodorkovski’s plunder-praktijken. Smeets laat de oligarch, die vijftien miljard bezat, en die vanwege ‘belastingontduiking en fraude,’ tot een gevangenisstraf van negen jaar werd veroordeeld, onweersproken beweren dat Poetin ‘niet op[komt] voor het Russisch belang.’
Witter dan wit, de binnenland-redactie van NRC Handelsblad, vergaderend in hun kantoor in het centrum van Amsterdam, een stad waar ‘meer dan helft van de inwoners allochtoon’ is.
Het blanke bolwerk NRC bezit meer anti-Rusland propagandisten, zoals Michel Krielaars, chef bijlageBoeken, die op zijn beurt stelligheden verkondigt als dat het ‘Westen met zijn ethische normen en waarden wezenlijk aan de ontwikkeling’ in Rusland kan ‘bijdragen,’ zodat dit land net zo’n bewonderenswaardige beschaving wordt als bijvoorbeeld de VS. Daarom droomt hij van ‘een Moskouse Maidan,’ de staatsgreep die ondermeer is uitgelopen op het feit dat Ukraine Tops World Corruption Rating.’ Maandag 10 April 2017 berichtte The UNZ Review dat
Ernst & Young regularly carries out large-scale surveys of corporate employees across a range of countries on issues such as ethics and corruption in the workplace.
In the latest Global Fraud Survey (PDF), which took place at the end of 2016, 88% of Ukrainian employees thought that bribery and corrupt practices are widespread in business in this country.
Incidentally, this figure was 85% in the 2013 survey, the last year of ‘normalcy’ before the Maidan. It was also at 80% in 2015. In short, overthrow of the ‘kleptocratic’ Yanukovych made no difference to these figures.
Zijn in 2014 verschenen pamflet Het Kleine Koude Front, dat in het kader van ‘de maand van de geschiedenis’ werd uitgegeven, bevat tot nu toe onbewezen zekerheden als dat ‘separatisten in Oost-Oekraïne vlucht MH17 neerhaalden.’ Alleen op die manier kan  ‘de geschiedenis’ de macht blijven dienen, en kan het beeld blijven bestaan dat ‘Poetin’ druk doende is de Sovjet Unie ‘te herstellen.’ 
Dan is er nog de NRC opiniemaker Bas Heijne, die in 2017 de P.C. Hooftprijs ontving, omdat hij, volgens de jury, ‘schrijft als een denker én denkt als een lezer,’ en die kennelijk in het kader daarvan in zijn column van 21 juli 2014 op hoge toon liet weten dat ‘[d]e terreurdaad met het vliegtuig van Malaysia Airlines het moment [is] voor Nederland om eens te stoppen met zijn knuffelhouding tegenover Rusland,’ terwijl hij, vier dagen na de tragedie, over geen enkel bewijs beschikte wie de daders waren. Maar omdat de hetze tegen ‘Poetin’ in de Nederlandse mainstream-media al ruimschoots vóór het neerstorten van de MH17 was begonnen, eiste hij als opiniemaker van de ‘kwaliteitskrant’ op martiale toon dat er ogenblikkelijk stappen tegen Rusland zouden worden genomen. In staat van grote opwinding bespeelde hij de anti-Russische sentimenten door te stellen:
Nederland is een klein land, dus de afschuwelijke dood van 193 landgenoten bij de aanslag op vlucht MH17 zal jarenlang zijn weerslag hebben in de Nederlandse samenleving, misschien wel heel veel jaren. Zo veel mensen staan in een directe relatie met de slachtoffers of hun familieleden; een aantal vrienden van mij hebben een goede vriend of kennis verloren. De afgelopen dagen vulden de sociale media zich met uitroepen van ongeloof, rauw verdriet en hartverscheurende getuigenissen van verlies, vriendschap en liefde. Dit is een nationale tragedie.
Toch klonk de eerste reactie van de regering op deze terreurdaad erg voorzichtig of zelfs vreemd gedempt. De minister-president weigerde zich te laten verleiden tot speculaties over de daders en sprak slechts van een reusachtige ‘ramp.’ Eerst moesten alle feiten bekend zijn, sprak hij — in zijn geval een bekend refrein.
Zonder enig juridisch bewijs had ‘de minister president’ zich moeten ‘laten verleiden tot speculaties over de daders,’ die zoals viel op te maken uit Heijne’s tekst, vanzelfsprekend Russen waren. Ik moest hier vorige week vrijdag 22 september 2017, aan denken nadat ik in de Openbare Bibliotheek Amsterdameen lezing had bijgewoond van René Foqué, de Belgische emeritus hoogleraar Rechtswetenschappen van de Katholieke Universiteit Leuven en de Erasmus Universiteit Rotterdam. Foqué, die in het kader van het Freudfestival ‘Scheurende Democratie’ was uitgenodigd, zette op een heldere wijze nog eens het belang uiteen van een democratische rechtsstaat, en benadrukte dat de huidige ‘zelfgenoegzaamheid’ onder politici en academici ‘een grote bedreiging van de democratie’ vormt. Daarnaast verklaarde hij dat — verwijzend naar de Franse filosoof Paul Ricoeur — ‘de politiek tegen haar eigen willekeur moet worden beschermd,’ vooral ook omdat de ‘macht’ in staat is anderen haar wil op te leggen. Daarom is het toelaten van twijfel een eerste voorwaarde voor een democratie, de waarheid kan in een democratie nooit absoluut zijn. ‘De dissidente burger is de belangrijkste steunbeer van een democratische samenleving,’ aldus Foqué, die eindigde met een verwijzing naar de trias politica van Montesquieu, de scheiding van de staatsmachten, waarbij de burger een beroep kan doen op het recht om de willekeur van de staat in te perken. Men dient dan wel geloof te hechten aan de nationale en international rechtsorde, en hier doemt het grote probleem op van de politiek en in haar voetspoor de mainstream-journalistiek.
Rechtsfilosoof René Foqué en het belang van ‘de dissident.’ 
 
Zoals ik hierboven met voorbeelden heb proberen aan te tonen is ‘de vrije pers’ nauwelijks tot niet bereid om het recht zijn rechtmatige, democratische, rol te laten spelen, zodra ‘onze’ geopolitieke vraagstukken aan de orde komen. Vandaar de steun van mijn mainstream-collega’s aan de Amerikaanse, c.q. NATO-agressieoorlogen tegen Afghanistan, Irak, Libië en Syrië, en aan de vele al dan niet gewelddadige interventies, waarbij de VS sinds ’45 overal ter wereld betrokken is geweest, en nog steeds is. Het recht speelt bij hen geen enkele rol van betekenis, de trias politica bestaat voor de ‘vrije pers’ domweg niet zodra het om politieke besluiten gaat. Toen de hoofdstedelijke advocaat, mr. Phon van den Biesen, in 1984 namens de Stichting Verbiedt de Kruisraketten en 20.000 Nederlandse burgers, de Nederlandse staat voor de rechter daagde, vertelden mijn collega’s van de commerciële media elkaar dat de rechter niet op de stoel van de politicus mocht plaatsnemen, en dat dit proces dus onzinnig was. Als ik hen erop wees dat Nederland, evenals alle andere democratische staten, gescheiden staatsmachten kende die elk op hun gebied evenveel macht bezaten, werd dit argument weg gehoond. Precies hetzelfde gebeurde toen het Internationaal Gerechtshof (ICJ) in Den Haag gevraagd werd zich uit te spreken over de legitimiteit van kernwapens. In 1996 stelde mr. N. Steijnen als secretaris van de Vereniging van Juristen voor de Vrede, dat
Duidelijk is dat het gebruik van kernwapens in het algemeen onvermijdelijk een inbreuk op het humanitaire oorlogsrecht impliceert.
Allereerst zijn er ondanks de inmiddels doorgevoerde kernwapenreducties die zeker ook psychologisch een zeer bemoedigend teken zijn, nog voldoende kernwapens operationeel om de wereld vele malen te vernietigen en het ziet er niet naar uit dat daarin spoedig verandering zal komen. Bovendien is weliswaar het gevaar van een nucleaire confrontatie tussen oost en west op de achtergrond geraakt, maar dat betekent niet dat daarmee de dreiging van daadwerkelijk gebruik van kernwapens is verdwenen. Integendeel, de mogelijkheid van inzet elders in de wereld is daarmee zeker niet kleiner geworden, misschien zelfs gegroeid. Dit omdat na het wegvallen van de oost-westspanning er geen angst meer hoeft te bestaan dat inzet van kernwapens elders in de wereld zal leiden tot een totale nucleaire confrontatie tussen de voormalige blokken; die rem is dus weg.
 
Ook zal zeker zolang de kernwapenstaten als ware monopolisten kernwapens als machtsmiddel blijven hanteren naar niet-kernwapenstaten, er bij deze laatste een drang blijven om dit machtsinstrument ook te verwerven, non-proliferatieverdrag (NPV) of niet. En dat geeft dan op zich steeds weer nieuwe internationale spanningen, zoals Irak en Noord-Korea aantonen. En hoe positief de vorig jaar tot stand gekomen verlenging van het NPV voor onbepaalde tijd op zich ook schijnt, een definitieve verdeling van de wereld op dit gebied tussen ‘have’s’ en ‘have-nots’ zal blijven wringen en is ook nu al voor bepaalde staten onaanvaardbaar. Daarmee blijft een verdere verspreiding van kernwapens een permanente dreiging.
Jaar op jaar wordt in de Algemene Vergadering van de VN met overweldigende meerderheid een resolutie aangenomen, die oproept om te komen tot een conventie tot uitbanning van kernwapens. Maar de kernwapenstaten, met name de westerse, liggen dwars en dus komt het er niet van. Tientallen miljoenen mensen hebben de afgelopen decennia rechtstreeks blijk gegeven van hun afschuw van kernwapens. Zonder wezenlijk resultaat.
In deze patstelling heeft een aantal landen, op instigatie van een drietal internationale vredesorganisaties waarbij ook de Vereniging van Juristen voor de Vrede is aangesloten, het initiatief genomen tot een VN-resolutie teneinde het Internationale Gerechtshof van de Verenigde Naties de vraag voor te leggen of kernwapens te beschouwen zijn als geoorloofde wapens of niet.
En toen in april 2014 ‘de Republiek der Marshalleilanden aan het Internationaal Gerechtshof (ICJ) vroeg om te beoordelen of de negen kernwapenstaten – China, Frankrijk, Groot-Brittannië, India, Israël, Noord-Korea, Pakistan, Rusland en de Verenigde Staten – zich wel aan hun verplichting houden om zich, via onderhandelingen, van hun kernwapens te ontdoen,’ wisten mijn collega’s mij wederom te vertellen dat het ICJ niet bevoegd was om hierover te oordelen. Met andere woorden: wanneer de politiek over het voortbestaan van de mensheid heeft beslist, bezit het recht niet de bevoegdheid om de staten te verplichten zich aan het internationaal recht te houden, aldus de gedachtegang van de overgrote meerderheid van de mainstream-pers. Daardoor is in haar optiek slechts één man in de wereld, de Amerikaanse president, bij machte om zonder ruggespraak met de volksvertegenwoordiging een nucleair armageddon te beginnen, zodra hij ervan overtuigd is dat de VS bedreigd wordt door een nucleaire aanval van een andere grootmacht. Van dezelfde minachting voor de internationale en nationale rechtsorde getuigde de journalistieke steun aan de illegale Amerikaanse shock-and-awe aanvallen op soevereine staten. Hoe weinig de mainstream-media zich van de rechtsorde aantrekt, bleek andermaal toen in De Groene Amsterdammer van 4 april 2012 de P.C. Hooftprijswinnaar van 2011, opiniemaker H.J.A. Hofland — in 1999 uitgeroepen tot de ‘journalist van de eeuw’ —  lovend schreef over ‘De Libische manier.’ 
Zonder ook maar enige rekening te houden met het internationaal recht gaf de toenmalige eminence grise van de polderpers als verklaring voor het feit dat de NAVO niet ogenblikkelijk met grootscheeps geweld een regime-change in Syrië afdwong:
[t]en eerste is het Westen na de slepende deconfitures in Irak en Afghanistan niet meer bereid zich in het volgende overzeese avontuur te storten. De publieke opinie zal zich heftig tegen zo’n onderneming verzetten, en zeker in dit verkiezingsjaar kan Obama zich dit niet veroorloven. Ten tweede hebben Rusland, China en Iran zich steeds tegen interventie verzet, een extra complicatie. En ten slotte vormden de opstandelingen geen duidelijke eenheid; het was een onoverzichtelijk conglomeraat van stammen, belangengroepen en misschien godsdienstige fracties. Deze algemene situatie zal Assad de overtuiging hebben gegeven dat hij de langste adem had. 
Met het oog op het fysiek uitschakelen van Assad, dus, in de praktijk, het vermoorden van een politiek leider, net als Saddam en Gaddafi, schreef Hofland enthousiast over wat hij de ‘Libische manier’betitelde, waarbij de NAVO het Libische leger had gebombardeerd, waardoor de naar ‘democratie’strevende ‘vrijheidsstrijders’ de macht konden veroveren. Althans, dat was de officiële propagandistische versie. Met betrekking tot Syrië schreef de toenmalige opiniemaker van De Groene hoopvol over de mogelijkheid van
een nieuwe fase in de trage ontwikkeling naar solidariteit door gewapende interventie. Maar wapenleveranties blijven nog altijd taboe, al tonen Saoedi-Arabië en Qatar nu tekenen van bereidheid. Tekenen, daar schiet je in Homs nog niets mee op. 
Ondanks het feit dat een dergelijk NAVO‘avontuur’ in Syrië in strijd was met het internationaal recht, en ook dit land — net als Afghanistan, Irak en Libië — in totale chaos zou storten, bleef de Atlanticus Henk Hofland onweersproken door de Nederlandse ‘politiek-literaire elite’ pleiten voor het schenden van de rechtsorde. Hofland was voorjaar 2012 zelfs ingenomen met het feit dat ‘Saoedi-Arabië en Qatar nu tekenen van bereidheid’ toonden om fundamentalistische terroristen in Syrië zwaar te bewapenen, vanzelfsprekend met het oog op het vestigen aldaar van een neoliberale ‘democratie.’ Niemand van de zelfbenoemde ‘politiek-literaire elite’ in de polder vroeg zich intussen af waarom de hoogbejaarde Hofland van mening was dat beide Arabische landen zich zouden inspannen voor een ‘democratie’ in Syrië. Qatar is een absolute monarchie, waar volgens Amnesty International gemarteld wordt, terwijl Saoedi-Arabië wordt gerund door een corrupte wahabitische familie die bekend staat vanwege haar grootschalige mensenrechtenschendingen en haar steun aan fundamentalistische extremisten. H.J.A. Hofland gaf, vier jaar vóor zijn dood, een staaltje van de hem toegedichte ‘onsterfelijke’ inzichten door in 2012 in De Groene te voorspellen dat de ‘internationale gemeenschap’ op een bepaald moment ‘boos’ zou worden en 

zich dan zou herinneren hoe in Libië kolonel Kadhafi ten val is gebracht. Met consequente luchtsteun aan de rebellen, en zonder dat ook maar één vreemde soldaat daar voet aan de grond heeft gezet. Onze luchtmacht heeft er ook nog aan meegedaan. President Obama vond er een naam voor: leading from behind. Het is redelijk goed afgelopen. Libië zien we niet meer op de televisie.
 
 
Het meest relevante criterium voor de man die door een kleine kongsi sycofanten was uitgeroepen tot de beste journalist van de twintigste eeuw, was dat ‘we’ Libië ‘niet meer op de televisie’ zagen. Dit feit was dan ook de reden dat Hofland niet wist dat Libië aan het veranderen was in een uiterst gewelddadige chaos van elkaar bestrijdende milities. ‘We came, we saw, he died,’ had Hillary Clinton, minister van Buitenlandse Zaken in de regering Obama, triomfantelijk lachend uitgeroepen nadat ze vernomen had dat dankzij CIA-steun Khadaffi was vermoord, niet beseffend dat zij daarmee ook haar eigen politieke ondergang had ingeluid, en al snel geconfronteerd zou worden met het feit dat haar eigen land op de drempel van een politieke chaos stond, die dieper en omvangrijker is dan de elite en haar woordvoerders vrezen. Het westerse systeem wordt vandaag de dag geconfronteerd met, wat in de Angelsaksische wereld, ‘a systemic crisis’ wordt genoemd. In zijn internationale bestseller TheTurning Point. Science, Society and The Rising Culture (1982) schreef de Amerikaanse natuurkundige Fritjof Capra dat het overgrote meerderheid van de westerse intellectuelen ‘identified the real problem that underlies our crisis of ideas,’ te weten:
the fact that most academics subscribe to narrow perceptions of reality which are inadequate for dealing with the major problems of our time. These problems, as we shall see in detail, are systemic problems, which means that they are closely interconnected and interdependent. They cannot be understood within the fragmented methodology characteristic of our academic disciplines and government agencies. Such an approach will never resolve any of our difficulties but will merely shift them around in the complex web of social and ecological relations. A resolution can be found only if the structure of the web itself is changed, and this will involve profound transformations of our social institutions, values and ideas…
Studies of periods of cultural transformation in various societies have shown that these transformations are typically preceded by a variety of social indicators, many of them identical to the symptoms of our current crisis. They include a sense of alienation and an increase in mental illness, violent crime, and social disruption, as well as an increased interest in religious cultism — all of which have been observed in our society… 
After civilizations have reached a peak of vitality, they tend to lose their cultural steam and decline. An essential element in this cultural breakdown, according to Toynbee (Britse historicus, die de geschiedenis voorstelde als de opkomst en ondergang van beschavingen. svh), is a loss of flexibility. When social structures and behavior patterns have become so rigid that the society can no longer adapt to changing situations, it will be unable to carry on the creative process of cultural evolution. It will break down, and, eventually, disintegrate. Whereas growing civilizations display endless variety and versatility, those in the process of disintegration show uniformity and lack of inventiveness. The  loss  of flexibility  in  a  disintegrating  society is accompanied by a general loss of harmony among its elements, which inevitably leads to the outbreak of social discord and disruption. 
However, during the painful process of disintegration the society’s creativity — its ability to respond to challenges — is not completely lost. Although the cultural mainstream has become petrified by clinging to fixed ideas and rigid patterns of behavior, creative minorities will appear on the scene and carry on the process of challenge-and-response. The dominant social institutions will refuse to hand over their leading roles to these new cultural forces, but they will inevitably go on to decline and disintegrate, and the creative minorities may be able to transform some of the old elements into a new configuration. The process of cultural evolution will then continue, but in new circumstances and with new protagonists. 
Het is deze laatste fase waarin de westerse wereld momenteel verkeert. De oorspronkelijke impuls, die de opkomst en bloei van de dominante consumptiecultuur mogelijk maakte, is uitgewerkt, de geschiedenis is een herhaling van zetten geworden, de samenleving is versteend geraakt, de instituten bestaan nog wel, maar ze functioneren niet meer. Het leidt tot ‘het bederf van de smaak,’ zoals dat ook het geval was tegen het einde van de Romeinse Imperium en zo treffend beschreven is door Edward Gibbon in zijn Verval en Ondergang van het Romeinse Rijk (1776-1781). De  grote Britse historicus beschreef een algehele nivellering, een gelijkschakeling, en een gebrek aan ‘burgermoed die gevoed wordt door liefde voor onafhankelijkheid.’ Het is het tijdperk waarin ‘the Senate and people would submit to slavery, provided they were respectfully assured that they still enjoyed their ancient freedom,’ aldus Gibbon in zijn meesterwerk. De macht heeft zich bevrijd van elke beperking en volgt haar eigen weg. In zijn roman Wachten op de Barbaren (2002) herinnerde de Zuid-Afrikaanse Nobelprijswinnaar Literatuur in 2003 J.M. Coetzee zijn lezers aan de aloude waarheid dat
[s]lechts één gedachte de onderbewuste geest van het Imperium [beheerst], hoe niet te eindigen, hoe niet te sterven, hoe zijn tijdperk te verlengen. Overdag achtervolgt het zijn vijanden. Het is sluw en meedogenloos, het stuurt zijn bloedhonden overal op af. ’s Nachts voedt het zich met beelden van rampspoed: de plundering van steden, de verkrachting van de bevolking, piramides van beenderen, akkers van troosteloosheid.
Het is het tijdperk van de onbeperkte macht, die maar één drijfveer kent, namelijk de macht, en letterlijk alles zal doen om de macht in handen te houden. Tegelijkertijd daarmee is het tijdperk van de conformist aangebroken. Ik moest hieraan denken toen ik René Foqué’s ode aan de trias politica hoorde uitspreken, maar tegelijk besefte dat zijn lofrede mij in de oren klonk als een requiem. Net als ten tijde van de ondergang van de Romeinse Republiek, is nu sprake van de ondergang van de Amerikaanse Republiek, de democratie is slechts een naam geworden, een inhoudsloze huls, geprezen door alleen nog conformistische opiniemakers. Nadat Foqué was uitgesproken schoot mij tijdens een fietstocht langs het IJ een uitspraak te binnen van de Duitse historicus Joachim Fest die in zijn boek Tegenlicht. Een Italiaanse reis (1988) de vraag opwierp:
of een groot historisch verband reeds ten einde loopt wanneer de stenen verweren, of pas wanneer ze niets meer betekenen voor de voorbijganger, zelfs al staan ze nog overeind. Misschien, zo dacht ik in het gedrang op het Forum, te midden van de dagjesmensen, is het niet-meer-weten de eigenlijke ondergang van Rome.
Ik vrees dat de voormalige hoofdredacteur van de Frankfurter Allgemeine Zeitung gelijk heeft. Nu zelfs de herinnering is verdwenen, is tevens de verbeeldingskracht gestorven, het vermogen zich een andere werkelijkheid voor te stellen. Het toont de ware kracht van het totalitarisme. In het rijk van het conformisme is het recht geen doorleefde werkelijkheid meer. Een concreet voorbeeld daarvan gaf opiniemaker Ian Buruma, Erasmusprijs-winnaar 2008, die, volgens de jury, een ‘especially important contribution to culture, society or social science in Europe,’ heeft geleverd, en die van mening is dat ‘even if the end of Pax Americana does not result in military invasions, or world wars, we should ready ourselves for a time when we might recall the American Empire with fond nostalgia.’ In de NRC formuleerde herhaald hij dit nog eens door te stellen dat ‘we ons moeten voorbereiden op een tijd waarin we met weemoed [zullen] terugkijken op het betrekkelijk goedaardige imperialisme uit Washington.’ De‘we,’ die slachtoffer van dit ‘imperialisme’ werden, spelen geen enkele rol in deze zienswijze. Bij navraag, verklaarde hij met ‘we,’ te hebben bedoeld, ‘de meeste lezers van NRC/Handelsblad,’ die ‘zich onder de west Europeanen kunnen scharen.’ Met andere woorden, ‘we’ sloot de rest van de wereldbevolking uit. In Buruma’s beschouwing is de werkelijkheid van de overgrote meerderheid op aarde irrelevant bij het bepalen wat ‘betrekkelijk goedaardige imperialisme’ is. Zijn voorspelling over ‘nostalgie’ en ‘weemoed’ typeert een geesteshouding waarop Joachim Fest wees toen hij opmerkte dat ‘[a]lle perioden van verval beginnen met de macht van het historische. Wie alleen maar wil behouden, is al aan het einde.’ 
Buruma’s ‘nostalgie’ verraadde het verlangen naar en het verdriet over het ‘einde’ van de ‘Pax Americana.’ Het willen ‘behouden’ van het ‘Amerikaanse Rijk’ kenmerkt zijn minachting voor de nationale en internationale rechtsorde, die door ‘Washington’ keer op keer werden geschonden. En zo is er sprake van een opmerkelijke continuïteit. Als zoon van iemand die in 1941 tijdens de nazi-bezetting aan de Universiteit Utrecht rechten was gaan studeren, verbaasde hij zich niet over het feit dat zijn vader deze keuze had gemaakt, terwijl diens joodse landgenoten vanaf 11 februari van hetzelfde jaar niet meer een universitaire opleiding mochten volgen, en de Nederlandse grondwet fundamenteel was geschonden, maar vond hij het wel ‘verbijsterend’ dat zijn vader zich had laten ‘feuten,’ dat wil zeggen: zich had laten ‘vernederen met allerlei sadistische spelletjes’ om zo ‘een toekomst te hebben als jurist.’ Om carrière te kunnen maken ‘moest’ zijn vader ‘wel lid worden van het corps (dat moet je tot op zekere hoogte nog steeds),’ aldus de uiteindelijke rechtvaardiging van zoon Ian voor het conformisme en opportunisme van zijn vader. Vandaar het ‘Dachautje spelen’ om ergens bij te kunnen horen. ‘Hoe kon mijn vader dat idiote gedrag nou pikken na alles wat hij had meegemaakt? Was er niemand die dit op zijn minst een beetje vreemd vond?’ Nee, antwoordde mijn vader keer op keer. Nee, het leek normaal. Zo ging dat nu eenmaal. Het was mos. Niemand stelde er vragen over. Later zwakte hij dit af door eraan toe te voegen dat hij het ongepast zou hebben gevonden om een Joodse overlevende te mishandelen, maar dat hij niet voor anderen kon spreken.
Ik vond het verbijsterend, maar later begon ik het geleidelijk te begrijpen. Het idee dat dit normaal was, is denk ik de verklaring. Mensen hunkerden zo naar de wereld van vroeger, de wereld zoals die voor de bezetting, de bommen, de kampen en de massamoorden was geweest, dat het ontgroenen van ‘feuten’ normaal leek. Het was een manier om weer terug te keren naar het oude leven, een manier, als het ware, om weer thuis te komen.
Er zijn andere verklaringen mogelijk. Voor de mannen die getuige waren geweest van serieus geweld, waren deze studentenspelletjes misschien relatief onschuldig, een gezonde manier om lol te trappen. Maar waarschijnlijk waren het juist degenen die niet veel hadden meegemaakt die zich met het grootste enthousiasme op het ontgroenen van feuten stortten. Nu kregen ze eindelijk de kans om te laten zien dat ze een vent waren, en daar beleefden ze waarschijnlijk des te meer genoegen aan als de slachtoffers mensen waren die heel wat meer hadden meegemaakt.
Zonder het te beseffen beschreef de journalist Ian Buruma hier de houding van de conformist, zoals de Italiaans auteur Moravia die geportretteerd heeft in zijn roman Il Conformista (1951). De protagonist is een man die ‘tot elke prijs’ streeft
naar normaliteit; een wil tot aanpassing aan een algemeen aanvaarde norm, een verlangen om gelijk te zijn aan alle anderen, omdat anders-zijn hetzelfde was als schuldig zijn.
Dit ‘verlangen’ veroorzaakte ‘een zucht tot behagen die aan slaafsheid of aan koketterie grensde,’ en resulteerde in het geval van Moravia’s hoofdpersoon tot collaboratie met het fascisme, destijds de modieuze ideologie, waarin de conformist weliswaar niet gelooft, maar die hem door middel van een valse identiteit de schijn van normaliteit verleent. In een cultuur waarin de dissident zich schuldig maakt aan onaangepastheid, gedraagt de conformist zich als alle anderen van de groep waartoe hij wil behoren, en wel ‘omdat anders-zijn hetzelfde was als schuldig zijn.’ En zo kan zoon Ian Buruma menen dat het ‘Dachautje spelen,’ geen manifestatie was van een nazi-mentaliteit, maar integendeel, juist een ‘manier’ was ‘om weer terug te keren naar het oude leven, een manier, als het ware, om weer thuis te komen.’ Het vernederen en het sadisme als ‘aanpassing aan een algemeen aanvaarde norm.’ Geen woord in de proloog van zijn boek 1945. biografie van een jaar besteedt Buruma aan het fenomeen conformisme als verklaring voor het feit dat zijn vader in 1941 besloot rechten te gaan studeren, nadat de grondbeginselen van de rechtsorde door de nazi’s waren geschonden, en niemand destijds met enige zekerheid kon voorspellen dat de nazi’s de oorlog zouden verliezen, integendeel zelfs. Toch is het conformisme van eminent belang, niet alleen omdat Leo Buruma na de oorlog met een ‘joodse’ vrouw trouwde, maar ook omdat Ian zelf, getuige zijn uitspraken, zich conformeerde aan de ‘mos’ van de westerse mainstream-pers. Ook voor hem gold: ‘Zo ging dat nu eenmaal.’ Het opmerkelijke is dat hadden de nazi’s de oorlog gewonnen, Ian en zijn zus nooit waren geboren. Vandaar ook dat zijn weigering om het conformisme van zijn vader te behandelen kenmerkend is, want zo gaat ‘dat nu eenmaal’ wanneer de conformist carrière wil maken. Ik ben het volkomen eens met René Foqué’s stelling dat ‘[d]e dissidente burger de belangrijkste steunbeer [is] van een democratische samenleving,’ maar het probleem is nu juist het bestaan van de conformistische ‘burger,’ die, zoals Ian en zijn vader Leo B., bereid is om het ’normaal’ te vinden dat terwijl de rechtsorde wordt vernietigd samen te werken met de ‘powers that be.’ In het geval van mijn oude vriend Ian is die keuze zo mogelijk nog verwerperlijker, aangezien hij het conformisme van zijn vader aan de mores van het studentencorps zo ‘verbijsterend’ vond, en omdat hij, net als ik, weet dat na de Processen van Neurenberg de Amerikaanse ‘agressieoorlogen’ als de grootst denkbare oorlogsmisdaden worden beschouwd en dat een opiniemaker dus niet kan spreken van het ‘betrekkelijk goedaardige imperialisme uit Washington,’ zeker niet wanneer hij mij vervolgens desgevraagd stelt:
[d]e Amerikaanse interventies in Zuidoost Azië en het Midden Oosten zijn rampzalig geweest. Ook in Zuid Amerika heeft steun aan anti-Communistische juntas veel leed veroorzaakt.
Hoewel de democratie en de internationale rechtsorde zijn uitgehold, en ‘[s]lechts één gedachte de onderbewuste geest van het Imperium [beheerst], hoe niet te eindigen, hoe niet te sterven, hoe zijn tijdperk te verlengen,’ weigert een substantieel deel van de westerse intelligentsia te beseffen dat de rol van de collaborateur weerzinwekkend is, en dat zij daarom moreel verplicht is de rol van de ‘dissidente burger’ op zich te nemen als ‘belangrijkste steunbeer’ van de democratische rechtsorde.

Het zijn niet de barbaren die van buitenaf proberen binnen te dringen die de cultuur vernietigen, maar de barbaren van binnenuit die normen en waarden vernietigen voor eigen gewin. Zodra zij de vitale posten bekleden is het slechts een kwestie van tijd voordat het imperium ineenstort. De façade die zij hebben opgetrokken kan dan niet langer meer de werkelijkheid verhullen.

In verband met de lengte stop ik. Meer de volgende keer.