Publicatie: SatnVan HouckesWeblog, 1-10-2017

 

Wanneer op grond van zijn uitspraken gesteld wordt dat mainstream-opiniemaker Ian Buruma de ‘meeste affiniteit voelt met de familietraditie van het geassimileerde jodendom van zijn moeder,’dan roept dit de vraag op wat hij daarmee bedoelt. Het  tamelijk neutrale Wikipedia stelt namelijk dat

Culturele assimilatie (ook wel kortweg assimilatie) het socialisatieproces [is] van acculturatie waarbij leden van een niet-dominante groep zich mengen met de dominante groep en daar de cultuur van overnemen, terwijl de eigen cultuur wordt losgelaten en contact met de andere leden van de eigen groep niet wordt nagestreefd op basis van afkomst. Er is dus een hoge graad van participatie met en aanpassing aan de andere groep (outgroup), maar nauwelijks van cultuurbehoud en geen opzettelijke participatie met de eigen groep (ingroup). Er wordt ook wel gesproken over een smeltkroes.
Kortom, in Buruma’s claim manifesteert zich onmiddellijk het proces van mystificeren. Is een geassimileerde ‘jood’ nog een ‘jood’? En zo ja, waarom? Uit de definitie van ‘culturele assimilatie’ blijkt nu juist dat door het ‘overnemen’ van ‘de cultuur’ van ‘de dominante groep,’ waarbij ‘de eigen cultuur wordt losgelaten,’ er sprake is van ‘een smeltkroes.’ Dus wat betekent dan nog ‘het geassimileerde jodendom’? De verwarring wordt, zo mogelijk, nog groter wanneer Buruma het volgende stelt:
My mother comes from the kind of assimilated Jewish family that was once described by Adam Gopnik in The New Yorker, when he said, ‘My family’s Jewishness was expressed through the lavishness with which we celebrated Christmas.’ I can entirely identify with that. One had to have a bigger Christmas tree than the goyim to show that one was better, in a way.
Hier wordt met begrippen gegoocheld. Een ‘geassimileerde Joodse familie’ is geen ‘Joodse familie’meer, en al helemaal niet ‘Joods’ met een hoofdletter, want het betreft hier geen ‘volk,’ en tevens geen ‘etnische of culturele groep,’ want zij zijn immers ‘geassimileerd,’ dus opgegaan in de dominante groep. De vraag is dan ook: met welke ‘joodsheid’ voelt Buruma zoveel ‘affiniteit’? Volgens hemzelf ‘identificeerde hij zich volledig’ met de ‘Jewishness’ van het ressentiment gebaseerd op een al dan niet gekoesterd minderwaardigheidscomplex, immers, ’[o]ne had to have a bigger Christmas tree than the goyim to show that one was better, in a way.’ Met het begrip ‘goyim’ ondergraaft Buruma de geldigheid van zijn bewering over een ‘geassimileerde Joodse familie,’ want als zijn familieleden werkelijk ‘geassimileerd’ waren, dan zouden zij zich doodgewone ‘goyim’ hebben gevoeld.
De contradictie zit in het begrip ‘geassimileerde Joodse familie.’ Wat hield hun ‘Jewishness’ nog in? Kippensoep en ‘Gefilte fisj,’ afgewisseld door zo nu en dan een ‘joodse mop’? Of was ‘het joods-zijn’ de combinatie van onderhuidse angst, wantrouwen en minachting voor ‘the goyim,’ die ertoe leidde dat een zogeheten ‘assimilated Jewish family’ op de belangrijkste feestdag van het christendom zich gedwongen zag ‘to show that one was better,’ door ‘een grotere kerstboom’ te kopen? Achter de woorden van Ian Buruma gaat de werkelijkheid schuil van de meedogenloze Britse klassenmaatschappij, met haar snobs en haar terloopse vernederingen van een ieder die niet tot de eigen klasse behoort, onder wie zeker de joodse ‘upstarts’ met hun ostentatief uiterlijk vertoon, variërend van te veel glimmende sieraden tot aan ‘a bigger Christmas tree.’ Veelzeggend in dit verband is Buruma’s bekentenis: ‘I can entirely identify with that.’ Ook hij heeft zich lange tijd buitenstaander gevoeld, ook hij heeft zich als social climber geconformeerd aan de ‘mores’ van de elite, in een poging ‘to belong.’ Dit is hoogstwaarschijnlijk de verklaring voor het feit dat hij de ‘meeste affiniteit voelt met de familietraditie van het geassimileerde jodendom van zijn moeder.’ Die affiniteit is onderdeel van zijn zoektocht naar een succesvolle identiteit. Dat professor Buruma gekozen heeft voor het tribalisme van een ‘assimilated Jewish family,’ die zelfs nadat zij geassimileerd was, kennelijk toch nog een ‘Jewish family’ bleef, en zich dus anders voelde dan de ‘goyim,’ blijkt ondermeer uit het feit dat Ian te pas en te onpas het antisemitisme opvoert. Een valse identiteit moet telkens weer verdedigd worden, zij is geen organisch bestanddeel van de persoonlijkheid. De bekeerling gedraagt zich doorgaans roomser dan de paus, plus royaliste que le roi. Vandaar zijn geprikkelde reactie nadat ik hem een tweetal kritische vragen had gesteld over zijn bewering dat ‘we ons [zullen] moeten voorbereiden op een tijd waarin we met weemoed terugkijken op het betrekkelijk goedaardige imperialisme uit Washington.’ Voordat hij mijn vragen beantwoordde, schreef hij ‘Beste Stan — Leuk van je te horen. Ik hoop dat je het goed maakt. Ik heb af en toe een blik geslagen op je blog, en begrijp je standpunten denk ik goed,’ om vervolgens te concluderen dat:
[d]e drie kwaadaardigste en gevaarlijkste machten in de wereld zijn de VS, Israel, en Geert Mak. Dit is niet een nieuwe visie (behalve dan Mak, die we even kunnen laten vallen): voor de tweede wereld oorlog was vijandigheid ten opzichte van de VS en de Joden (Israel bestond toen natuurlijk nog niet) iets wat eerder te vinden was in extreem rechtse, en zelfs niet zo extreem rechtse kringen. Aan Joods en Amerikaanse materialisme zou de westerse beschaving ten onder gaan.
In neem niet aan dat je dit standpunt deelt. Jouw ideeën komen eerder uit een wat ouderwetse Amerikaanse hoek, Chomsky, Zinn et al. die door een oudere generatie serieus werden genomen.

Even voor alle duidelijkheid: Ben-Gurion stated his belief that partition would be just the beginning. The sentiment was recorded by Ben-Gurion on other occasions, such as at a meeting of the Jewish Agency executive in June 1938, as well as by Chaim Weizmann… Ben-Gurion wrote:


‘Does the establishment of a Jewish state [in only part of Palestine] advance or retard the conversion of this country into a Jewish country? My assumption (which is why I am a fervent proponent of a state, even though it is now linked to partition) is that a Jewish state on only part of the land is not the end but the beginning…. This is because this increase in possession is of consequence not only in itself, but because through it we increase our strength, and every increase in strength helps in the possession of the land as a whole. The establishment of a state, even if only on a portion of the land, is the maximal reinforcement of our strength at the present time and a powerful boost to our historical endeavors to liberate the entire country.’
https://en.wikipedia.org/wiki/1937_Ben-Gurion_letter 

Ondanks het feit dat wij elkaar redelijk goed kennen, had Ian Buruma’s absurde voorstelling van zaken in feite weinig te maken met mijn kritische vragen. Hij voelde zich onmiddellijk aangevallen, en het ontbrak hem kennelijk aan een adequate verdediging, en dus viel hij terug op de oude tactiek van de aanval als beste verdediging. Hoewel hij niet aannam dat ik een antisemiet ben, hing toch de dreiging te worden beschuldigd van antisemitisme als een zwaard van Damocles boven ‘Beste Stan.’ Dat desondanks deze beschuldiging op niets is gebaseerd, beaamde Buruma vervolgens onmiddellijk door te stellen dat mijn ‘ideeën eerder [komen] uit een wat ouderwetse Amerikaanse hoek, Chomsky, Zinn et al. die door een oudere generatie serieus werden genomen.’ Let ook op deze formulering, met begrippen als ‘ouderwetse, oudere generatie, serieus genomen.’ Daarmee maakt hij duidelijk dat kritiek op de Amerikaanse en Israelische terreur niet meer in deze tijd thuishoort, dat wil zeggen: door hem niet meer ‘serieus’ wordt ‘genomen,’ terwijl hij toch slechts vier jaar jonger is dan ik. Hoewel dit dédain voor kritische Amerikaanse intellectuelen zeker geldt voor Buruma en het mainstream-milieu waartoe hij zo graag wil behoren, betwijfel ik ten zeerste of zijn bewering voor iedere wereldbewoner opgaat. Sterker nog, ik denk dat juist Ian een ideologie aanhangt die niet meer van deze tijd is, en zelfs één van de voornaamste redenen is waarom Pax Americana haar einde [nadert],’ zoals Buruma in NRC Handelsblad stelt. Immers, alles dat zich niet aanpast aan veranderende omstandigheden gaat, aldus de evolutieleer, ten onder.

Ik vrees dat mijn oude vriend Ian, spreekbuis van de Amerikaanse elite, tegelijk met de ondergang van ‘Pax Americana’ zijn zorgvuldig opgebouwde identiteit verliest. Welke functie heeft een mainstream-opiniemaker nog wanneer zijn broodheren hun macht verliezen? Welke rol kan nog het zogenaamde ‘antisemitisme’ als politiek wapen spelen wanneer  de Amerikaanse steun aan het zionistisch terrorisme wegvalt? Het zijn reële vragen waarmee niet alleen de politieke en financiële elite geconfronteerd worden, maar ook degenen die zich de ‘politiek-literaire elite’ achten. Voor Buruma zijn deze vragen extra urgent geworden sinds hij in september 2017 hoofdredacteur van The New York Review of Books is geworden. Urgent, deels omdat ook de elite tot de doelgroep behoort van dit tijdschrift, en deels omdat het relatief veel al dan niet geassimileerde ‘joodse’ medewerkers heeft. Ik plaats bewust en met enige nadruk ‘joodse’ tussen aanhalingstekens, aangezien de meesten, net als Ian, niet de joodse godsdienst belijden, niet in Israel wonen, en zich niet onderscheiden door joodse gebruiken, en die daarom uiterlijk volledig ‘geassimileerd’ lijken. Het enige gemeenschappelijke aan hen is dat de overgrote meerderheid pal achter Israel staat als ‘Joodse natie,’ waardoor zij allen behept zijn met een ‘duality of tribalism and universalism.’ Een ‘dubbelheid’ die, volgens de van origine Joods-Israelische saxofonist en auteur Gilad Atzmon, ‘the very heart’ uitmaakt ‘of the collective secular Jewish identity.’ Hij beschrijft in zijn boek The Wandering Who? A Study of Jewish Identity Politics (2011) hoe

the Israelis hate the Arabs, the Zionists hate the Goyim (in general), Jews against  Zionism also hate the Goyim but they also hate Israel as well as Atzmon (in particular). But why do they hate so much? The answer is simple. Once Judaism is renounced, what remains of Jewish identity is pretty threadbare (versleten. svh). Once stripped of religious spirituality, all that is left of Jewish-ness is a template of negation fueled by racial orientation and spiced up with some light cultural references such as matza balls and chicken soup.
Sadly, I have to say that though very many emancipated and assimilated Jews have adopted universal humanist ideas and intermingled with humanity, secular collective Jewish identity has never matured into adopting a universal humanist ideological standpoint or even a philosophical insight. The reasons are simple: 
  1. Racial, tribal or even ethnic orientation cannot form a basis for a universal ethical argument. 
B. Chicken soup or even Jewish humor (culture) does not make an ideological, ethical or political argument. 
Het is het probleem van allereerst intellectuelen die, zoals Buruma, ’affiniteit’ voelen met  ‘the Jewishness’ van een of ander familielid, om daaraan een eigen ‘identity’ te ontlenen. Vanzelfsprekend maakt dit tribalisme een universalistische houding onmogelijk. Een voorbeeld daarvan is dat, aldus Atzmon, ‘[t]he carnage Israel left behind in Lebanon (2006) or Gaza (2008) doesn’t leave much room for doubt — Israel doesn’t really offer us any lessons in universal cosmopolitanism.’ De directe en/of indirecte steun aan Israel van degenen die in de zogeheten ‘diaspora’ zich ‘joods’ voelen of daadwerkelijk ‘Joods’ zijn, bewijst hoe het joods tribalisme de Palestijnse bevolking tot slachtoffer heeft gemaakt. Gilad Atzmon zet in zijn boek The Wandering Who? uiteen dat
[w]hen it comes to secular Jews, things get complicated. While  observant Jews can easily list a few measurable qualities they identify with, for instance they follow Judaism, they observe Jewish laws, they follow the Talmud, they follow Kosher dietary restrictions, etc., emancipated secular Jews have very little to offer in terms of positive characteristics to identify with. Once you ask a secular Jew what makes him into a Jew you may hear the following: ‘I am not a Christian nor am I a Muslim.’ OK then, but what is it that makes you into a Jew in particular? He may say, ‘I am not just American, French or British. I am somehow different.’ In fact, the so-called emancipated, assimilated or secular Jews would find it hard to list any particular positive quality that may identify them as Jews. Emancipated Jews are identified by negation — they are defined by the many things they are not.
This is exactly where Zionism interfered. It was there to set the Jews up in a project that aimed towards an authentic identification. Zionism was there to let the Jew think in terms of ‘belonging.’  
Dankzij het tribale zionisme kunnen de ‘geseculariseerde joden’ in de ‘diaspora,’ die strikt genomen dus geen ‘joden’ meer zijn, zich ineens weer ‘Joods’ voelen, dus zich anders voelen dan alle anderen, inclusief hun eigen landgenoten die, zoals ook Buruma duidelijk maakte, als ‘goyim’ worden gezien. Van belang hierbij is het volgende: de grote sefardische filosoof
Maimonides defines plain goy in his Mishneh Torah as a worshipper of idolatry, as he explains, ‘Whenever we say plainly “goy,” we mean a worshipper of idolatry.’
Bovendien geldt dat ‘[i]n English, the use of the word goy can be controversial. It is sometimes used pejoratively to refer to a non-Jew,’ hetgeen niet vreemd is gezien het eeuwenlange antisemitisme, en zeker na de holocaust een ‘goy’ gevoelsmatig allereerst ‘onheil’ kan betekenen. Opmerkelijk is dat desondanks degenen die zich ‘joods’ voelen temidden van ‘de goyim’ blijven leven. Tot welke wonderlijke vormen het bestaan van de ‘assimilated Jew’ kan leiden, beschrijft Atzmon in het volgende voorbeeld:

A truly interesting text was published a few years ago by the London Jewish Chronicle (JC). It is a glimpse into the political and philosophical mantra of a Jewish, socialist as well as anti-Zionist couple who have rejected the God of Abraham. In spite of the fact that they are proud they have dumped God, they still hold a Seder (Passover dinner) and they circumcised their twin sons. They also gave them a ‘faith-free’ Bar Mitzvah. To a certain extent, the JC article is a dialogue between the voice of the mainstream ‘Jewish community’ and the so-called ‘Jewish dissident voice.’ This is the story of journalist Julia Bard (56) and teacher David Rosenberg (48), both founding members of the British Jewish Socialists. It is a peep into the strange and inconsistent world of the Jewish tribal left. I admit that it was Bard who opened my eyes and led me to a terminological shift that presents Zionism in a new light. 

According to the JC: ‘Julia Bard and David Rosenberg are committed Jews. They feel passionately about Jewish history, they have a strong Jewish element to their social lives and their children have inherited a love of Hebrew and Yiddish culture… David and Julia do not belong to a synagoge, do not believe in God and are antagonistic to wards Zionism. They feel strongly that these factors should not exclude them from full acceptance as part of the mainstream Jewish community.’
Like many modern assimilated Jews, David and Julia insist on reducing Jewish-ness to a form of tribal orientation spiced up with some cultural aspects… they still very much want to be part of the Jewish community. I wonder why? What is it that they need from the Jewish community? Why don’t they just ‘get on’ with their ‘socialist agenda’ and join the human family as ordinary people? Many people around the world do not believe in God, many millions of Westerners left their faith, yet, they do not insist on calling themselves Catholics, Hindus, Protestants or Muslims. They just go forth into new life in a multi-cultural, multi-faith society. 
Julia believes in multi-culturalism, hence she answers: ‘I wanted to remain Jewish…. I want to prove that there is a way of being Jewish that doesn’t involve saying prayers to a God you don’t believe in.’ 
Apparently Julia, like many other emancipated Jews, is craving an authentic identity. She is looking for her individual secular voice while maintaining her ties with her Jewish heritage. Again this is not a crime, however, I wonder why she can’t just regard herself as a Jew or even a secular Jew without appealing for ‘acceptance’ by the ‘Jewish community’? For instance, I regard myself a ‘Hebrew-speaking Palestinian,’ I do not seek anyone’s approval to do so. I also regard myself as a ‘proud, self-hating Jew’ and again, I do not need anyone’s approval. Julia, on the other hand, needs approval. Julia expects the Jewish community to accept her in spite of the fact that she rejects God and the faith of Judaism. 
Julia suggests an answer, she says: ‘I understand my Jewish identity as an ethnic identity…’ 
Perhaps we are getting somewhere.  The magic words ‘ethnicity’ and ‘identity,’ have been introduced into the discourse. What does Julia mean when she refers to ‘ethnic identity’? Is it the famous old chicken soup or is it Gefilte Fish this time? Is ‘Jewish ethnic identity’ a form of belonging to Jewish history and heritage? Again, I am pretty sure that no one is going to stop Julia and David from cheering themselves up by reading chapters of Jewish history, an endless chain of catastrophes. In fact no one is going to stop Julia and David from celebrating any of their cultural symptoms. Nevertheless, Julia and David want a bit more than mere celebration, they clearly want recognition. 
De sleutelwoorden hier zijn ‘identity’ en ‘recognition,’ oftewel, de ‘erkenning’ van een niet bestaande ‘Joodse identiteit.’ Hier zijn we weer terug bij Ian Burma’s ‘affiniteit’ met ‘de familietraditie van het geassimileerde jodendom van zijn moeder,’ kortom, zijn ‘affiniteit’ met het ‘jodendom’ van ‘a bigger Christmas tree than the goyim to show that one was better,’ en zijn ‘volledige vereenzelviging’ metAdam Gopnik’s opmerking dat ‘[m]y family’s Jewishness was expressed through the lavishness (overdaad. svh) with which we celebrated Christmas.’ De ‘overdaad’ van het bezit van ‘een grotere Kerstboom dan de goyim,’ waarmee Ian Buruma publiekelijk laat weten dat hij zich ‘identificeert’ met het zogeheten ‘geassimileerde jodendom,’ dat bij gebrek aan een eigen identiteit ‘de goyim’ zowel wantrouwt als bewondert.

Deze valse identiteit heeft evenwel één groot voordeel, zij functioneert als visitekaartje om zionistische bolwerken als The New York Times en The New York Review of Books binnen te komen en er carrière te maken, zoals ook Buruma al snel wist. Het is ook niet verbazingwekkend dat beide publicaties, die zelden een kans laten voorbijgaan om over Israel en het jodendom te berichten, geen enkele aandacht hebben besteed aan Gilad Atzmon’s ‘Study of Jewish Identity Politics,’ terwijl toch ruim twee miljoen ‘joden’ in New York wonen, ‘making New York City the largest community of Jews in the world within a city proper.’ De verklaring voor het verzwijgen van Atzmon’s opzienbarende boek is simpelweg dat westerse mainstream-media fundamentele kritiek op Israel en de pro-Israelische lobby stelselmatig censureert.

De invloed en zelfs macht van zowel de vele toonaangevende ‘joden’ in de New Yorkse mainstream-media als de rijke ‘joden’ op Wall Street kan niet snel overschat worden.  Zij is in de geglobaliseerde wereld onmisbaar voor de Amerikaanse en Europese politieke, financiële en militaire steun aan het gewelddadige expansionisme van het zionistische Israel. Begin maart 2015 vergeleek de Amerikaanse ‘comedian’ Jon Stewart ‘the rapturous (verrukte. svh) response to Benjamin Netanyahu’s address to Congress as a “blowjob” after both Republicans and Democrats repeatedly leapt to their feet during the Israeli PM’s 45-minute speech,’ en waarin de Israelische extremistische premier ‘criticized Barack Obama’s nuclear talks with Iran.’ De gerenommeerde Amerikaanse hoogleraar Politicologie aan de University of Chicago John Mearsheimer, die samen met zijn collega Stephen Walt, het boek The Israëllobby and U.S. Foreign Policy (2007) schreef, verklaarde in een interview tegenover mij:

Wij hebben uiterst zorgvuldig gekeken naar de oorzaken van de Amerikaanse onvoorwaardelijke steun aan Israël en telkens weer kwamen we terecht bij de grote invloed van de lobby, die het Israëlische beleid blind steunt. Ik denk dat dit beleid gedicteerd wordt door de aloude zionistische ideologie van het Groot-Israël, men eist een zo groot mogelijke staat en dat betekent ook het veroveren van het grondgebied van de West Bank en de Gazastrook. Men is nooit in staat geweest met dit idee af te rekenen. Dat is de oorzaak van hun expansionisme en van de weigering om de grenzen van 1967 te accepteren als ultieme grenzen. Daar komt bij dat vanaf het begin de zionisten, en later de Israëlische elite, stelden dat zij omgeven zijn door vijanden, dat zij de kleine David zijn te midden van allemaal Goliaths. Ze hebben zichzelf wijsgemaakt dat de Arabieren hen te grazen willen nemen. En hoewel dit niet langer het geval is, als het ooit al het geval was, is dit wereldbeeld zo diep verankerd in hun bewustzijn dat ze menen dat militair geweld doorslaggevend is om de meeste problemen waarmee ze geconfronteerd worden succesvol te lijf te gaan. Stephen en ik denken dat het ware probleem op een veel dieper niveau ligt. Het heeft te maken met hun zelfbeeld en het beeld dat ze van hun staat hebben en van de wereld om hen heen.

Stephen Walt, hoogleraar international affairs at Harvard University‘s John F. Kennedy School of Governmentverklaarde tijdens hetzelfde interview:
Ik zou daar het volgende aan willen toevoegen: omdat de Verenigde Staten sinds tenminste de Juni Oorlog in 1967 de Israëli’s onvoorwaardelijk gesteund hebben, hoefden zij zich nooit neer te leggen bij de grenzen van hun ambities. Volgens mij hebben wij in het Westen Israël geen dienst bewezen door een abnormale relatie met het land op te bouwen. Het heeft de Israëli’s in staat gesteld door te gaan met een beleid dat uiteindelijk niet in hun eigen belang is. Omdat ‘s werelds machtigste staat hen al die tijd hielp hoefden ze niet al te helder na te denken, ze zijn nog steeds niet gedwongen oplossingen te aanvaarden die op langere termijn veel veiliger zijn. Nogmaals, de macht van de lobby is niet goed is voor de Verenigde Staten, maar ook niet voor Israël.
Hoewel de Amerikaanse inlichtingendiensten naderhand verklaarden dat Iran al in 2003 was gestopt met het ontwikkelen van een atoombom, beweerde de toenmalige senator en naderhand minister van Buitenlandse Zaken, Hillary Clinton, in 2007 gedurende een toespraak voor de joodse lobby-groep AIPACdat het ‘in deze moeilijke periode voor Israël, waarin het land in groot gevaar verkeert, […] van levensbelang is dat we onze vriend en bondgenoot trouw blijven, en dat we onze eigen waarden trouw blijven. Israël is een toonbeeld van wat juist is, in een omgeving die wordt overschaduwd door kwalijke zaken als radicalisme, extremisme, despotisme en terrorisme.’ 
De geruststellend bedoelde woorden van een ‘liberal’ beleidsbepaler van de Democratische Partij over een land dat al sinds zijn ontstaan VN-resoluties negeert, demonstreerden de weigering van nagenoeg alle Amerikaanse beleidsbepalers om het internationaal recht en de mensenrechten te respecteren. Het is ook niet verrassend dat de Israel-lobby mevrouw Clintons presidentscampagne in 2016 steunde. Haar echtgenoot Bill sprak uit ervaring toen hij verklaarde dat AIPAC ‘beter dan wie dan ook in deze stad lobbyt… U bent verbluffend effectief geweest.’ Niemand verbaasde zich over de woorden van de oud-president, wiens verkiezingscampagnes mede door de Israëllobby werden gefinancierd en wiens Midden-Oostenpolitiek door de lobby sterk beïnvloed was. In 2003 omschreef de Republikeinse Nationale Veiligheidsadviseur en latere minister van Buitenlandse Zaken, Condoleezza Rice, de joodse lobby AIPACals ‘een grote aanwinst voor ons land’, en de hoofdredacteur van het goed geïnformeerde joodse dagblad The Forward, J.J. Goldberg, concludeerde dat 
Israël vooral geluk heeft dat AIPAC in dit land bestaat om Israëls zaak te vertegenwoordigen. AIPAC werkt hard om er zeker van te zijn dat Amerika in grote lijnen Israëls kijk op de wereld en het Midden-Oosten bekrachtigt… AIPAC heeft veel invloed op de buitenlandse politiek.
Buitenland correspondent Martin Sieff, die een hoge functie bekleedde bij het persbureau UPC, constateerde in 1999 dat de
macht van AIPAC om financiële steun te mobiliseren voor pro-Israelkandidaten… zo groot is dat dit jaar, zoals gebruikelijk, ongeveer de helft van de leden van de Senaat en een een derde van het Huis van Afgevaardigden verwacht worden… bij het politieke banket van AIPAC’s jaarlijkse conferentie.

In 1992 moest David Steiner als president van AIPAC terugtreden nadat was uitgelekt dat er geluidsopnamen bestonden waarop hij vrijmoedig spreekt over zijn grote politieke invloed. Zo had Steiner opgemerkt dat hij ‘een deal had gesloten’ met de regering-Bush senior om meer geld aan Israël te geven. Hij had gezorgd voor ‘bijna een miljard dollar aan spullen,’ en ‘onderhandelde’ met de aantredende regering-Clinton over de benoeming van een pro-Israël minister van Buitenlandse Zaken. ‘Wij hebben een tiental mensen in zijn [Clintons] hoofdkwartier en ze gaan allemaal hoge posten krijgen.’ De goed geïnformeerde journalist Michael Massing schreef in The New York Review of Books dat een staflid uit het Congres hem verteld had dat ‘we op meer dan de helft van het Huis van Afgevaardigden kunnen rekenen — 250 tot 300 leden — om voor elkaar te krijgen wat AIPAC wil.’ Het zijn slechts enkele voorbeelden van de verstrekkende invloed van ‘de joodse lobby’ op de Amerikaanse buitenlandse politiek. En dat, terwijl ‘joden’ slechts 2 procent van de Amerikaanse bevolking uitmaken. Via deze achtergrond zijn ‘we’ terug bij de waanzin van Ian Buruma’s joodse ‘Kerstboom,’ die ‘groter’ moest zijn dan die van ‘de goyim’ om ‘aan te tonen dat men beter was.’ De zucht naar invloed en macht, naar het ‘beter’ zijn dan ‘de goyim,’ lijkt ook voor zogeheten ‘geassimileerde joden’ een compensatie te zijn voor het feit dat zij voorheen overal in het christelijke Westen gediscrimineerd en geminacht werden. Zo is ondermeer het volgende bekend over de situatie in de VS, ‘the land of the free, home of the brave’:

Nativism and intolerance among segments of the white Protestant population were aimed at both Eastern European Jews and Southern European Catholics. In higher education, Jews were particularly resented. By 1919, about 80% of the students at New York’s Hunter and City colleges were Jews, and 40% at Columbia. Jews at Harvard tripled to 21% of the freshman class in 1922 from about 7% in 1900. Ivy League Jews won a disproportionate share of academic prizes and election to Phi Beta Kappa but were widely regarded as competitive, eager to excel academically and less interested in extra-curricular activities such as organized sports. Non-Jews accused them of being clannish, socially unskilled and either unwilling or unable to ‘fit in.’
In 1922, Harvard’s president, A. Lawrence Lowell, proposed a quota on the number of Jews gaining admission to the university. Lowell was convinced that Harvard could only survive if the majority of its students came from old American stock.
Lowell argued that cutting the number of Jews at Harvard to a maximum of 15% would be good for the Jews, because limits would prevent further anti-Semitism. Lowell reasoned, ‘The anti-Semitic feeling among the students is increasing, and it grows in proportion to the increase in the number of Jews. If their number should become 40% of the student body, the race feeling would become intense.’
Dit was in de VS tot zelfs na de Tweede Wereldoorlog de realiteit. Het verklaart de haat en het wantrouwen onder veel, niet alle, joodse Amerikanen en joodse Europeanen tegen de ‘goyim,’ hoe ‘geassimileerd’ zij zich ook mogen voelen. In een interview met Ischa Meijer verklaarde de auteur Leon de Winter over zijn ouders:
De sfeer bij ons thuis werd gekenmerkt door geborgenheid en een ontzagwekkende angst voor de buitenwereld. Er stond een enorme muur tussen ons en de rest van alle mensen in.
Tegenover mij vertelde de joods-Nederlandse auteur en vredesactivist Hajo Meijer, die Auschwitz overleefde:
Ik citeer Leon de Winter omdat zijn beschrijving zo treffend is, hij geeft het beeld van het getto met een muur eromheen, een beeld dat veel joden niet van zich af kunnen schudden. De Winter zegt afkomstig te zijn uit ‘een verloren geraakt clubje joden, daar aan de rand van Den Bosch. Er werd bij ons thuis veel, wat zeg ik, constant over de joden en hun lot gepraat… onderduikverhalen… Met dat soort verhalen ben ik grootgebracht… Ik heb van jongs af aan het gevoel gehad dat ik mijn ouders moest beschermen — typische houding van die tweede generatie oorlogsslachtoffers.’ Zo benoemt hij zichzelf. Die jongen is getekend door 
‘aan de ene kant die minachting van mijn ouders jegens hun niet-joodse omgeving en tegelijkertijd de waanzinnige angst ervoor… Ik was een verschrikkelijk jongetje. En doodsbang.’
Hajo Meijer merkte tegenover mij op:
Het is volkomen verklaarbaar waarom de identiteit van mensen als Leon de Winter, gevangen in een sfeer van angst en haat, zich nooit vrij kon ontwikkelen. Hetzelfde gaat op voor Israel als zelfbenoemde ‘Joodse staat.’ Het regime daar zoekt zijn identiteit eveneens in het zorgvuldig gecultiveerde slachtofferschap en handelt daardoor ontoerekeningsvatbaar. Het wordt gedreven door irrationele driften, voortkomend uit een opmerkelijke combinatie van een superioriteits- en inferioriteitsgevoel. Als huurlingen-staat van het Westen wordt deze stoornis voortdurend gevoed door zowel Washington als Brussel, en wel omdat de Joden in Israel de economische en geopolitieke belangen van de christelijke VS en van Europa dienen. Het is een uiterst gevaarlijke politiek aangezien de zionisten over massavernietigingswapens beschikken, zowel nucleaire, biologische als chemische, en bovendien gedreigd hebben die te zullen inzetten, zodra het hen uitkomt.

Ook Gilad Atzmon wijst in The Wondering Who? over de ‘Jewish Identity Politics’ op het huidige gecultiveerde slachtofferschap onder al dan niet ‘geassimileerde joden’ in de diaspora en zelfs, opmerkelijk genoeg, onder Joods-Israeli’s. Het grote probleem is dat het slachtofferisme niet alleen een evenwichtige ontwikkeling van de persoonlijkheid onmogelijk maakt, maar dat het tevens een politiek wapen is geworden om de zionistische terreur te rechtvaardigen. Al geruime tijd is er uitgebreid en gedocumenteerd geschreven over de cultus van het slachtofferisme. De juriste Heikelien Verrijn Stuart waarschuwde een kwarteeuw geleden voor een ontwikkeling waarbij

slachtofferisten via erkenning of genoegdoening uit [zijn] op macht. Een macht die zij menen te hebben verdiend door een onschuld, die is geconstrueerd door hun slachtofferschap.
Zij wees op ‘het excuus dat het slachtofferschap bood om zich niet verantwoordelijk te hoeven voelen.’ Een paar jaar later schreef de Duitse filosoof Peter Sloterdijk erop dat:
Verantwoordelijkheid steeds lager [wordt] ingeschat, terwijl het slachtofferschap steeds hoger wordt gewaardeerd. Het is een ontwikkeling die buitengewoon gevaarlijk is voor onze samenleving. Deze slachtofferistische manier van denken is de belangrijkste vorm van ressentiment geworden… Het slachtofferisme, het verleidelijke gevoel slachtoffer te zijn, kan men overal om ons heen waarnemen, en is een extreem morele kracht geworden.
En de in asiel levende joods-Russische dichter Joseph Brodsky adviseerde vlak voor zijn dood in zijn laatste essaybundel On Grief and Reason (1997): 
Probeer ten koste van alles te vermijden dat je jezelf de status van slachtoffer toestaat… probeer te onthouden dat menselijke waardigheid een absoluut begrip is… Bedenk tenminste, als dat andere je te hoogdravend in de oren klinkt, dat je door jezelf als slachtoffer te beschouwen alleen maar het vacuüm vergroot dat door gebrek aan persoonlijke verantwoordelijkheid ontstaat en dat demonen en demagogen zo graag opvullen.
Het fundamentele probleem is dat de slachtofferist er voetstoots van uitgaat dat hij (of zij) nooit zelf handelt, dus vanzelfsprekend meent altijd onschuldig te zijn. En juist naar die onschuld is het slachtoffer op zoek, het gevoel onschuldig te zijn vormt zelfs de kern van zijn identiteit. Vandaar dat hij niet anders kan dan zich vastklampen aan zijn slachtofferrol. Schuldig is altijd de ander. De slachtofferist kent geen relativering, geen nuance, geen scepsis, geen ironie, geen satire. Hij kent alleen zijn eigen, alles overstemmende, weeklacht en zo verandert hij geleidelijk aan in een extremist. Als een wereldvreemd kind weigert de slachtofferist de onvermijdelijke schaduwkant van het bestaan te accepteren: de vervreemding, het isolement, de eenzaamheid, de anonimiteit, de melancholie en de talloze negatieve manifestaties die onlosmakelijk daaraan verbonden zijn. Hij is te vol van zichzelf en bezit te weinig verbeeldingskracht om een innerlijk proces op gang te brengen waarover Albert Camus eens schreef: 
De eerste stap van een geest die vervuld is van vervreemding is het besef dat hij dat gevoel van vervreemding deelt met alle mensen en dat de mensheid als geheel lijdt onder deze distantie ten opzichte van zichzelf en de wereld,
hetgeen bij een altruïstisch individu leidt tot een ‘solidariteit van de ketenen.’ De slachtoffferist is evenwel alleen solidair met zichzelf, omdat hij weigert zijn met zorg gekweekte slachtofferschap op te geven. In een razendsnel veranderende wereld en temidden van de multiculturele verwarring zoekt de slachtofferist een houvast die hij niet kan vinden in zijn rol van consument. Die vult de existentiële leegte niet; hoeveel hij ook aanschaft, het gevoel van gemis blijft. Zoals Heikelien Verrijn Stuart schreef is de slachtofferist op zoek naar zijn onschuld. Het gebrek aan een eigen identiteit dwingt hem daartoe. Hij of zij is en blijft de eeuwige onschuldige, hoe moordzuchtig hij/zij ook te werk mag gaan. De slachtofferist voelt zich het veiligst in zijn rol als vermeend slachtoffer. De Israelische terreur dwingt degenen die zich joods voelen of het daadwerkelijk ook zijn om stelling te nemen. Hij kan zich niet langer meer verschuilen achter de onschuld die zo kenmerkend is voor het gecultiveerde slachtofferschap. Het slachtofferisme is het gevaarlijkste politieke wapen in de moderne tijd geworden, waarmee allerlei vormen van chantage en massale terreur worden gerechtvaardigd. Tegelijkertijd wordt de tegenstander met kwalificaties als ‘antisemiet’ en ‘terroristenvriend’ gestigmatiseerd en zodoende vogelvrij verklaard. Ondertussen blijft de slachtofferist onverzadigbaar. De samenleving en zelfs niet de dader kan de slachtofferist genoegdoening geven om de simpele reden dat hij alleen door het cultiveren van zijn slachtofferschap kan bestaan. Hij heeft er geen enkel belang bij om zijn slachtofferschap op te geven. Alleen in zijn slachtoffer-rol voelt hij zich veilig, krijgt hij alle aandacht waarop hij meent recht te hebben. Het gevaar hierbij is dat de slachtofferist steeds radicaler wordt om dezelfde kick te kunnen krijgen uit zijn verslaving, zoals een verslaafde steeds meer van zijn drug moet hebben om nog high te kunnen worden.
De slachtofferist is onbehandelbaar, alleen hijzelf kan zich redden. Maar net als een junkie, kan hij zijn verslaving doorgaans niet opgeven, want die verslaving is nu juist zijn raison d’être geworden. Slachtofferisten zitten gevangen in een vicieuze cirkel die alleen zijzelf kunnen doorbreken. Net als met drugs geeft het slachtofferschap een roes, het is een deel geworden van de eigen identiteit, zonder verslaving staart hij in een gapende leegte. Vandaar de agressie van de junkie zodra een buitenstaander hem aanspreekt op zijn verslaving. De verslaafde probeert op allerlei manieren zijn verslaving te rechtvaardigen, allereerst door degene die hem direct of indirect confronteert met zijn stoornis, de schuld te geven van zijn ellendige leven. Dit neemt op den duur absurde vormen aan. Zo betichtte het joodse echtpaar Ron en Rosa van der Wieken andere joodse Nederlanders, die Israel bekritiseren, van ‘antisemitisme.’ Op die manier hoeven Ron en Rosa hun eigen pathologie niet onder ogen te zien. Dit fenomeen is helder beschreven door de joods-Canadese Bernice Eisenstein in haar boek Ik was een kind van holocaust overlevers (2006):

Zonder dat mijn familie het wist of zelfs maar vermoedde, heeft hun verleden mijn eenzaamheid en boosheid gevormd en gestalte gegeven aan wat ik onder liefde en verlies versta. Ik heb de ondraaglijke lichtheid geërfd van een bestaan als kind van Holocaust-overlevers. Vervloekt en gezegend. Zwart, wit, en overschaduwd… Ik heb het verdwijnpunt van de Holocaust nooit kunnen vinden, nooit precies geweten waar mijn plaats aan zijn horizon was.

Bernice weet dat zij ‘met een probleem [zit],’ namelijk het ‘verleden’ van haar ouders. ‘Niet mijn leven was verdoemd, maar het hunne.’Vervolgens wijst zij op het feit dat
[d]e Holocaust een drug [is] en ik in een opiumkit [ben] terechtgekomen. Mijn eerste roes heb ik gratis, argeloos, toegediend gekregen, van iedereen hier. Van de kracht ervan heb ik zojuist een glimp opgevangen, doordat ik mijn ogen liet gaan over de sporen van de naalden op elke linker onderarm in deze kamer. En vanaf dat moment ben ik verslaafd. Ik zal erachter komen dat er geen eind is aan de dealers die ik weet te vinden voor nog één shot, nog één keer toegang tot die hallucinerende spookwereld. Mijn ouders beseffen niet eens dat ze drugsdealers zijn. Ze zouden zich nooit het soort roes kunnen voorstellen dat H teweegbrengt. Hoe ik ernaar verlang onder te duiken in zijn eindeloze diepte, hoe hij me het huis uit jaagt om in mijn eentje naar de bioscoop te gaan, naar de bibliotheek, waar ik elke film kan zien en elk boek kan lezen dat me aan Holocaust kan helpen. Ik zou hele rollen film, samen met bedrukte boekpagina’s, tot een fijn poeder kunnen vermalen, in lijntjes achter elkaar neerleggen en opsnuiven. Toen ik in de twintig was heb ik de roman De laatste der rechtvaardigen van Andre Shwarz-Bart drie keer geïnhaleerd, alleen maar om steeds weer dezelfde dosis toegediend te krijgen. Hij leidde me naar de ultieme, onovertroffen superioriteit van Primo Levi, die me in een roes achterliet, onder mijn bed, opgekruld als een foetus, nog steeds bibberend om meer…
Er zijn geen grenzen aan hoe ver een geobsedeerde fantasie kan gaan met dit soort dingen. Maar om van die verslaving, die dwang, af te komen, zou ik mezelf moeten blinddoeken, mijn oren moeten dichtstoppen, mijn mond afplakken en de waarheid dat ik zonder de Holocaust niet zou zijn wie ik ben, moeten uitvlakken. Hij heeft me gestigmatiseerd en gebrandmerkt met zijn gestippelde kenteken op mijn onderarm, me onherroepelijk zijn wereld binnengetrokken als zijn nakomeling. Het collectieve geheugen van een generatie spreekt en ik ben gedwongen te luisteren, zijn verschrikkingen te zien en zijn verontwaardiging te voelen.
Dit proces van ‘geobsedeerde fantasie’ is het logische gevolg van hetgeen Hannah Arendt al 65 jaar geleden voorspelde toen ze constateerde:
dat vele zionisten er inderdaad van overtuigd waren dat zij joden waren door de vijanden van het joodse volk. Hieruit concludeerden de zionisten dat het joodse volk zonder het anti-semitisme in de landen van de diaspora niet overleefd zou hebben; en daarom waren zij tegen elke poging om anti-semitisme op grote schaal te vernietigen. Integendeel, ze verklaarden dat onze vijanden, de anti-semieten, ‘onze betrouwbaarste vrienden zijn, de anti-semitische landen onze bondgenoten.’ (Herzl).
Op die manier is een paranoïde levenshouding ontstaan die men als volgt zou kunnen typeren: des te sterker en veiliger ‘joden’ zijn, des te angstiger en agressiever de zionisten zich opstellen. En die angst en dat geweld slaat natuurlijk op den duur naar binnen. Dit mechanisme is een kenmerkend onderdeel van elk sektarisme. Vandaar dat Ron en Rosa in het Nieuw Israelitisch Weekblad fel uithaalden naar degenen die zij zien als kritische ‘Joden,’ behorend tot hun ‘volk.’ Het criminaliseren van de ‘eigen’ mensen is meestal de laatste stap voordat de rekening wordt vereffend. De vijand moet eerst benoemd worden, daarna kan de externe druk opgevoerd worden om interne cohesie af te dwingen, de ‘verrader’ moet ontmaskerd worden, en ontmenselijkt. Dus ‘een hedendaags voorbeeld van een overtuiging die een jood buiten de grenzen van het Jodendom plaatst is anti-Israelisme,’ zo laat het echtpaar Van der Wieken weten. In hun optiek zijn
zonder een joodse staat joden weer in een situatie zoals vóór WOII, waarbij uiteindelijk elke jood vogelvrij kan zijn. Dat betekent dat iedere jood die een bijl aan het bestaan van de staat Israel probeert te slaan, bereid is het voortbestaan van het Joodse volk op het spel te zetten.
Fundamentele kritiek op Israel is, in deze voorstelling van zaken, per definitie ‘antisemitisch’ en opent de weg naar een nieuwe holocaust. Wat is tenslotte, volgens de Van der Wieken’s, de oorzaak van het feit dat er ‘joden’ zijn die kritiek hebben op Israel? Welnu, dat komt niet door de ernstige Israelische schendingen van het internationale recht, maar wordt veroorzaakt doordat ‘Joden met een laag zelfgevoel en een zwakke band met joodse cultuur en religie die negatieve beelden [kunnen ervaren] als behorend bij hen zelf.’ Niet Israel dus pleegt terreur, maar de geassimileerde ‘Joden’ die Israel bekritiseren, juist zij zwichten voor de druk van de ‘goyim.’ Van Hannah Arendt en Martin Buber tot Tony Judt en Avraham Burg hebben we, in de ogen van het zionistische Amsterdamse echtpaar, te maken met rabiate antisemieten. Deze beschuldiging riep onder joodse extremisten de vraag op wat er moest gebeuren met ‘verraderlijke zelfhaters,’ die gebukt gaan onder ‘een laag zelfgevoel.’ Woensdag 21 april 2010, berichtte de huidige Volkskrant-medewerker Dirk Jacob Nieuwboer in het voormalige dagblad De Pers, ‘de eerste gratis, landelijke kwaliteitskrant ter wereld,’ dan ook het volgende:

PVV’er wil tegenstander uitstoten
Joden die het omstreden Goldstone-rapport verdedigen moeten worden gestraft met een religieuze ban. Dat wil de nummer vijf op de kieslijst van de PVV.
Ze mogen niet meer in de synagoge komen, niet meer op joodse begraafplaatsen worden begraven en zelfs niet door geloofsgenoten worden gegroet. Als het aan Gidi Markuszower ligt, worden zijn joodse tegenstanders in het Midden-Oostendebat —  ‘verachtelijke joodjes’ in zijn woorden – helemaal uit de joodse gemeenschap gestoten.
Markuszower, nummer vijf op de PVV-lijst voor de komende verkiezingen, is lid van de Kerkeraad van de Nederlands-Israëlitische Hoofdsynagoge (NIHS) in Amsterdam. Eind maart diende hij daarin een motie in die oproept om iedereen die het VN-rapport van Richard Goldstone over de Gaza-oorlog publiekelijk verdedigt uit de gemeenschap te verbannen.
De motie roept op om ‘de joodse gedachte en opdracht om verklikkers uit ons midden te bannen’ te omarmen. Daarom zou de NIHS ‘de Zuid-Afrikaanse laffe en gevaarlijke jood Goldstone en een ieder die hem publiekelijk verdedigt in de levenslange cherem (ban, red.)’ moeten doen.
Een cherem, waar PVV’er Markuszower voor pleit, is een straf die in joodse gemeenschappen kan worden uitgesproken tegen leden die als opstandig worden beschouwd. Tot in de late Middeleeuwen gebeurde dat geregeld, maar de cherem wordt nu alleen nog in ultra-orthodoxe kringen gebruikt. Het laatste bekende voorbeeld in Nederland is de cherem die in 1656 tegen de filosoof Baruch Spinoza werd uitgesproken vanwege zijn ‘afschuwelijke ketterijen.’
Het radicale middel is volgens Markuszower gerechtvaardigd omdat het rapport van Goldstone, waarin Israël van oorlogsmisdaden wordt beschuldigd, het voortbestaan van dat land ernstig in gevaar brengt. In een mail waarin hij de motie aankondigt, en die deze krant in bezit heeft, waarschuwt Markuszower voor ‘joodse verraders in ons midden.’

‘In het oude Polen (waar mijn roots liggen)’, schrijft de PVV-kandidaat, ‘wisten we wel raad met dit soort verachtelijke joodjes. Die werden gewoon de shul (synagoge, red.) uitgeplukt en uit het shtetl (dorp, red.) geschopt; in het beste geval. In het ergste geval werden deze in de koude bossen van Oost-Europa achtergelaten en nooit meer teruggevonden.’
Markuszower noemt het ‘natuurlijk wel ergens jammer’ dat dit gebruik nu in West-Europa niet meer bestaat. ‘Maar ja, wat niet mag (rechtsstaat) moet je niet doen.’
Een cherem is volgens hem wel een ‘legaal en effectief middel.’ ‘Mensen die in de cherem gedaan worden zijn niet meer welkom in onze sjoels, mogen niet op onze begraafplaatsen begraven worden, mogen niet gegroet worden etc (een sociale excommunicatie dus).’ De motie is nog niet in stemming gebracht. Dat zou pas op z’n vroegst volgende maand kunnen gebeuren als de Kerkeraad voor het eerst weer bijeenkomt.


Als PVV-kandidaat Kamerlid trok hij zich in 2010 als nummer vijf van de kandidatenlijst terug toen minister Ernst Hirsch Ballin partijleider Geert Wilders waarschuwde dat Markuszower volgens de AIVD contacten c.q. informatie zou hebben overgedragen aan een buitenlandse mogendheid; waarschijnlijk ging het om de Mossad. Markuszower is in 2010 opgepakt voor verboden wapenbezit bij beveiligingswerkzaamheden. https://nl.wikipedia.org/wiki/Gidi_Markuszower


Hieruit spreekt  minachting voor andersdenkenden. Het absurde is ook nog dat de Poolse voorouders van Markuszower niet uit het oude Israel kwamen, maar nakomelingen waren van een Turkstalig volk, dat zich in de achtste en negende eeuw van onze jaartelling tot het Jodendom bekeerden, zoals de Israelische hoogleraar Shlomo Sand in zijn bestseller The Invention of the Jewish People (2009) uitgebreid benevens gedocumenteerd beschreef. Zij kunnen daarom geen historisch recht claimen op Judea en Samaria, oftewel de Westbank. Ook in dit geval wordt duidelijk hoe diep de angst en haat verankerd is in de psyche van zowel degenen die zich joods voelen als degenen die daadwerkelijk Joods zijn omdat zij in Israel leven of de joodse godsdienst belijden. Ook hier zien we — net als in het geval van Ian Buruma en zijn joodse ‘Kerstboom’ die ‘groter’ en daarmee ‘beter’ moest zijn dan die van ‘the goyim’ — welke consequenties kunnen voortvloeien uit het feit dat, aldus Atzmon, ‘the Diaspora Jew finds himself or herself intrinsically associated with a bigoted, ethnocentric ideology and an endless list of crimes against humanity,’ want kenmerkend is ‘the racist, expansionist Judeo-centric nature of the Jewish state.’ Dit feit weigert Buruma te erkennen, wanneer hij stelt dat ik, door mijn kritiek op het Amerikaanse en Israelische grootschalige geweld, een oude en kwalijke beschuldiging herhaal, namelijk dat ‘[a]an Joods en Amerikaanse materialisme de westerse beschaving ten onder [zou] gaan.’ Kritiek, hoe terecht ook, wordt door hem ervaren als een aanval op zijn geleende identiteit, en dat kan hij nooit accepteren, omdat dan alleen de leegte resteert. En zo ploetert de tribalist, vermomd als kosmopoliet, door het leven.

Peter B. Collins Presents Peter Hart from FAIR

In the opening days of Israel’s new war on Gaza and Hamas, the US media displays its bias almost daily. Peter Hart notes how ABC’s Diane Sawyer misidentified a grieving Palestinian family as Israeli; that Bob Schieffer of CBS commented on the fear felt by Israelis, with no concern expressed for Palestinians who’ve actually died; and that the reporting is riddled with imbalance regarding the value of the life of an Israeli versus the life of a Palestinian. Corporate outlets generally don’t challenge the shifting pretexts for the war that Israel has advanced: from the manipulated story of the 3 missing teenagers, to retaliation for Hamas rocket attacks, and recently the reported failure of Hamas to join the cease fire called by Egypt and Israel. Hart also talks about his recent study of the guests who appear on prime time cable news shows.

*Peter Hart is the activism director at FAIR. He writes for FAIR’s magazine Extra! and is also a co-host and producer of FAIR’s syndicated radio show CounterSpin. He is the author of The Oh Really? Factor: Unspinning Fox News Channel’s Bill O’Reilly.