Screen Shot 2017-10-12 at 19.55.30

Publicatie 8-10-2017

De plundering van bezet Palestina door Israël heeft industriële vormen aangenomen. Zo wordt het land met medewerking van internationale bedrijven beroofd van zijn rijkdom aan natuursteen. De Nederlandse pensioenfondsen ABP en PFZW zijn via beleggingen in die bedrijven betrokken bij een oorlogsmisdaad.

Illegaal geëxploiteerde steengroeve op de door Israël bezette Westoever.
Yesh Din

Na in 1967 de Westelijke Jordaanoever te hebben bezet, begon Israël in de vroege jaren zeventig met de exploitatie van het bezette gebied. Het bleek het startschot van een onderneming die zou uitlopen op de grondige plundering van dat gebied. Zo wordt water geroofd uit de Palestijnse bodem, modder uit de Dode Zee, en natuursteen uit door Israël geëxploiteerde groeves.

Palestina’s witte olie

Palestina is exceptioneel rijk aan natuursteen. Vanwege de grote voorraad en hoge potentiële waarde wordt de grondstof Palestina’s ‘witte olie’ genoemd. De winning en verwerking ervan is goed voor 15 tot 20 duizend Palestijnse banen en een jaarlijkse bijdrage van 250 miljoen dollar aan de Palestijnse economie. Natuursteen is het belangrijkste exportproduct van het land.

Het grootste deel van de voorraad natuursteen – met een potentiële waarde van 30 miljard dollar – bevindt zich in het zogenoemde C-gebied (Area C). Dat gebied beslaat circa zestig procent van de Westoever en staat onder volledige Israëlische controle. Volgens de Oslo-akkoorden had Israël zich in uiterlijk 1999 uit alle bezette Palestijnse gebieden moeten terugtrekken, maar het tegendeel is gebeurd. Area C is vérgaand gekoloniseerd en wordt op industriële schaal van zijn grondstoffen beroofd.

De Palestijnse natuursteen is voor Israël goud waard als grondstof voor de bouw van huizen en de aanleg van infrastructuur in eigen land. In het licht van de grootschalige Israëlische bouwprojecten was de bezetting van de Westoever een uitkomst, aangezien het transport van grondstoffen uit verder weg gelegen gebieden veel duurder is.

Deze feiten, gedocumenteerd in het rapport Occupation, Inc. van Human Rights Watch (januari 2016), hebben vanaf de vroege jaren zeventig een grootschalige plundering van Palestina’s witte olie op gang gebracht. De Oslo-akkoorden van 1993, waarin Israëls controle over het C-gebied tijdelijk geformaliseerd werd, brachten die in een stroomversnelling. Niet alleen opende Israël sindsdien elf ‘Israëlische’ steengroeves in bezet gebied, bovendien werd alles in het werk gesteld om Palestijnse groeves uit het gebied te weren; sinds 1994 is door Israël geen enkele licentie meer verstrekt of verlengd.

De gevolgen spreken boekdelen. Per juli 2012 waren nog slechts negen Palestijnse steengroeves in bedrijf. Tegelijkertijd is circa een kwart van Israëls nationale behoefte aan ruwe bouwmaterialen inmiddels afkomstig van de bezette Palestijnse Westoever – het leeuwendeel uit de door Israël geëxploiteerde groeves.

Daar zal het niet bij blijven. Uit door de Israëlische mensenrechtenorganisatie Yesh Din geciteerde Israëlische overheidsdocumenten blijkt dat Israël nog zeker dertig jaar denkt te volharden in de industriële plundering van de Palestijnse steenvoorraad:

Official State documents indicate that the Israeli authorities have a long-term plan to rely on the mining potential in the West Bank for at least the next 30 years. This strategic planning reveals the State’s intentions to continue to exploit the military occupation for its economic interests, while depleting the natural resources in the occupied territories and irreversibly damaging the Palestinians’ ability to utilize these natural resources.

Booming business

De afgelopen jaren steeg de hoeveelheid gestolen grondstoffen schrikbarend. Dat onthulde Yesh Din in haar recent verschenen rapport The Great Drain. In 2015 werd 17 miljoen ton steenslag uit de Westelijke Jordaanoever gewonnen – een stijging van 40 procent ten opzichte van 2008. Slechts een klein deel van dat volume komt voor rekening van de Palestijnse steengroeves.

Achter de plundering gaan nog andere verdienmodellen schuil. Zo betalen de bedrijven die de illegale groeves exploiteren forse vergoedingen voor vergunningen en royalties. Dat geld komt terecht bij de zogenoemde Civil Administration, schuilnaam voor Israëls militaire bestuur over de bezette Westoever. In 2009 betrof dit 6,7 miljoen euro; in 2015 was het bedrag opgelopen tot 17,8 miljoen euro. In deze zeven jaar werd in totaal bijna 70 miljoen euro afgedragen.

De Israëlische kolonies (‘nederzettingen’) profiteren ook mee. In 2014 betaalde het Duitse bedrijf HeidelbergCement, exploitant van een van de Israëlische groeves, 430 duizend euro aan belastingen aan de Samaria Regional Council, de bestuursraad van de illegale kolonies in de regio ‘Samaria’ op de bezette Westoever. Naar schatting vloeien langs deze weg jaarlijks miljoenen euro’s naar de kolonies.

Geen twijfel: plundering is illegaal

Het oorlogsrecht staat plundering van bezet gebied niet toe. De Haagse Conventie van 1907 bepaalt dat ‘het plunderen van een stad of plaats, zelfs wanneer deze door aanval wordt ingenomen, verboden is’, en dat ‘plundering formeel verboden is’. De Conventies van Genève van 1949 bevestigen dat laatste expliciet.

Eind november 2015 nam de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (VN) een resolutie aan waarin het recht van het Palestijnse volk op permanente zeggenschap over zijn natuurlijke hulpbronnen wordt herbevestigd. De met overweldigende meerderheid aangenomen VN-resolutie is kristalhelder:

Reaffirming the inalienable rights of the Palestinian people and the population of occupied Syrian Golan over their land, water and energy resources […] the Assembly would demand that Israel cease the exploitation, damage, cause of loss or depletion and endangerment of the natural resources in the Occupied Palestinian Territory and recognize the right of the Palestinian people to claim restitution.

Ook juridisch expert Tom Moerenhout laat geen twijfel bestaan over de onrechtmatigheid van de plundering van door Israël bezet Palestijns land. Volgens het internationaal recht ten aanzien van gewapende conflicten en militaire bezetting mag een bezettende macht ‘roerende en onroerende goederen’ slechts aanwenden voor strikte veiligheids- en militaire doeleinden in dat gebied, of ten bate van de lokale bevolking.

De materialen uit de groeves in bezet Palestijns gebied worden echter niet voor dat doel gebruikt, maar voor de eigen behoefte van Israël. Meer dan eens werden vrachtwagens gefilmd tijdens het transport van de gestolen grondstoffen naar Israël. Volgens Israëlische cijfers wordt 94 procent van de opbrengst uit Israëlische steengroeves op de Westoever naar Israël vervoerd; de overige 6 procent komt ten goede aan de Israëlische kolonisering van Palestina.

In september overhandigden vier Palestijnse mensenrechtenorganisaties een 700 pagina’s omvattend dossier aan het Internationaal Strafhof, waarin onder meer de oorlogsmisdaad plundering wordt gedocumenteerd. Het Strafhof onderzoekt sinds januari 2015 de mogelijkheden tot vervolging van Israëls schendingen van de rechten van de Palestijnen, en werd eerder dit jaar van Palestijnse zijde tot spoed gemaand.

De door HeidelbergCement geëxploiteerde groeve Nahal Raba op de bezette Palestijnse WestoeverWho Profits

HeidelbergCement

Een concreet voorbeeld van de illegale plunderpraktijk vormt de Nahal Raba-groeve, een van de Israëlische steengroeves op de bezette Westoever. Het land waarop de groeve zich bevindt is rijk aan het gesteente dolomiet, en behoort toe aan het Palestijnse dorp Al-Zawiyah. Met de bouw van de Afscheidingsmuur werd het land door Israël van het dorp gescheiden. Gevolg is dat de Palestijnen hun eigen land niet meer kunnen bereiken, laat staan hun eigen grondstoffen kunnen delven.

De concessie voor de in 1983 geopende groeve werd in 1986 gegund aan een Australisch bedrijf, en is sinds 2007 – via een tweetal overnames – in handen van het Duitse bedrijf HeidelbergCement. Volgens onder meer de Palestijnse mensenrechtenorganisatie Al-Haq was Israël niet bevoegd om een concessie te verlenen voor de ontwikkeling van Nahal Raba. De groeve ligt immers in door Israël tijdens de Zesdaagse Oorlog van 1967 bezet gebied. Dat betekent dat bedrijven als HeidelbergCement, die Palestijnse natuurlijke hulpbronnen exploiteren met een Israëlische vergunning, aangeklaagd kunnen worden voor de oorlogsmisdaad plundering.

Daar komt bij dat de illegale exploitatie het recht van het Palestijnse volk op zelfbeschikking ondermijnt. Dat recht omvat ook de permanente zeggenschap over natuurlijke hulpbronnen, aldus Al-Haq. De Israëlische bezetting verandert niets aan die status.

Het zijn niet de minste beschuldigingen waaraan HeidelbergCement – in Nederland onder meer actief onder de namen ENCI en Mebin – blootstaat. Het commentaar van het bedrijf op de beschuldigingen, beschreven in een recent artikel van Adri Nieuwhof voor de Electronic Initifada, houdt in dat het Duitse bedrijf van mening is een waardevolle bijdrage te leveren aan de Palestijnse bevolking en de ontwikkeling van Area C.

Daar denkt de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties ongetwijfeld anders over. De Raad werkt aan een overzicht van bedrijven die actief betrokken zijn bij de Israëlische kolonisering. Naar verluidt zal dat eind van dit jaar worden gepubliceerd. Het lijdt geen twijfel dat HeidelbergCement erin voorkomt.

Betrokkenheid Nederlandse pensioenfondsen

In januari van dit jaar publiceerde het Deense centrum voor onderzoeksjournalistiek Danwatch een rapport waaruit bleek dat twee Nederlandse pensioenfonden via hun beleggingen betrokken zijn bij de illegale Israëlische kolonisering en exploitatie van bezet Palestina. Het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds ABP (ambtelijke sector) en het Pensioenfonds Zorg en Welzijn PFZW (zorgsector) hebben respectievelijk 525 miljoen en ruim een miljard euro aan Nederlandse pensioengelden belegd in bedrijven die zich schuldig maken aan genoemde praktijken.

Beide pensioenfondsen hebben beleggingen in HeidelbergCement. Volgens hun online gepubliceerde portfolio’s vertegenwoordigen die een waarde van respectievielijk 14 miljoen (ABP) en ruim 45 miljoen euro (PFZW). Onderstaande screenshots bevestigen die beleggingen.

Investeringen in bedrijven die betrokken zijn bij oorlogsmisdaden staan haaks op codes voor duurzaam en ethisch beleggen. Beide pensioenfondsen zijn daar frequent op gewezen, maar hebben nagelaten hun beleggingen in HeidelbergCement en andere rechtenschendende bedrijven af te bouwen, de rapporten van Yesh Din en Human Rights Watch ten spijt. Het wachten is nu op het overzicht van de Mensenrechtenraad. De vraag is of het ABP en PFZW ook dat rapport zullen durven negeren.

Dit artikel kwam tot stand met medewerking van Adri Nieuwhof.

Overzicht van de beursgenoteerde beleggingen van het ABP per 31 maart 2017, waaronder een belegging van 14 miljoen euro in HeidelbergCement. Screenshot, 4 oktober 2017
Uit de Transparantielijst Obligaties van PFZW blijkt een belegging in HeidelbergCement van ruim 45 miljoen euro. Screenshot, 4 oktober 2017