Screen Shot 2017-11-05 at 11.50.31.png

Door: DIEUWERTJE KUIJPERS

Wat betekent de crisis in het Huis voor de Klokkenluiders? Vorige week deed een klokkenluider van de Koninklijke Marechaussee aangifte tegen de commandant van de Marechaussee en de commandant van de Brigade Speciale Beveiligingsopdrachten. Op FTM vertelde deze militair zijn verhaal. Dit tweede deel gaat over de gevolgen van het melden van een misstand. Hoe bureaucratische procedures zich uiteindelijk tegen hém richtten.

Alcoholmisbruik, slechte medische zorg, rammelende evacuatieplannen en haperende wapens. Het verhaal dat klokkenluider K. op Follow the Money vertelde over zijn tijd als beveiliger van de Nederlandse ambassades en diplomaten in Jemen, Kaboel en Bagdad, schokte veel lezers. Uit zijn relaas steeg een niet al te rooskleurig beeld op van de cultuur bij zowel het ministerie van Buitenlandse Zaken als de Marechaussee. In enkele gevallen werd er oneigenlijk gebruik gemaakt van de diensten van de Brigade Speciale Beveiligingsopdrachten (BSB). Soms werden mensen nodeloos in gevaar gebracht.

Het tweede deel van deze kwestie gaat over de manier waarop leidinggevenden en het ministerie van Defensie omging met de meldingen van deze klokkenluider. De bestuursrechtelijke spaghetti waar klokkenluiders na het doen van meldingen in verstrikt raken is volgens K. veelzeggend: ‘Het gaat hier om een cultuur die aan de kaak moet worden gesteld. Je zit in je eigen House of Cards, en het is echt te bizar voor woorden wat er allemaal op je afkomt.’

K. maakte melding van zijn vermoedens van misstanden waarbij defensiepersoneel van de BSB, waarvan hij deel vanuit maakte, mogelijk onnodig  in gevaar is gebracht. Hiervan zijn er twee (gebrekkige certificering en alcoholmisbruik) door de Onderzoeksraad Integriteit Overheid gekwalificeerd als een misstand. Ook maakte hij melding van de gebrekkige kwaliteit van medische zorg en verouderde evacuatieplannen voor eigen- en ambassadepersoneel. K. voelde zich als teamleider verantwoordelijk. ‘Ik wil in alle eerlijkheid kunnen zeggen tegen mijn mensen: ”het is fout gegaan, maar het was wel in orde”. En niet: “het is fout gegaan, het was niet in orde en ik heb er niets aan gedaan”.’

Vanaf het moment van de melding van onveilige situaties bij missies escaleerde de situatie

Maar zijn kritische blik op de staat van de beveiliging werd K. bepaald niet in dank afgenomen. Vanaf het moment dat hij melding maakte van mogelijk onnodig onveilige situaties bij missies escaleerde de situatie. De commandant van de Marechaussee, eindverantwoordelijk voor het onderdeel BSB, ging daarbij zo ver om aantoonbaar te liegen tegen, nota bene, de Onderzoeksraad Integriteit Overheid (OIO).

HET ADVIES VAN DE ONDERZOEKSRAAD

Het advies van de Onderzoeksraad Integriteit Overheid (sinds juli 2016 bekend als het Huis van de Klokkenluiders) die de zaak van K. onderzocht luidde als volgt:

’De Onderzoeksraad concludeert dat het interne onderzoek [naar de meldingen, red] van Defensie onvoldoende zorgvuldig en uitputtend is. De selectie van getuigen is te beperkt en het beginsel van hoor en wederhoor is onvoldoende uit de verf is gekomen. Ook concludeert de Onderzoeksraad dat voor zowel de certificering van personeel voor het gebruik van wapens als voor de ‘two-can-rule’ sprake is geweest van een misstand. Ook concludeert de Onderzoeksraad dat de melder feiten en omstandigheden heeft gemeld, waaruit weliswaar geen misstand blijkt, maar die wel bijdragen aan het verbeteren van de veiligheid van het onderdeel van het ministerie van Defensie. Tot slot concludeert de Onderzoeksraad dat melder nadelige (rechtspositionele) gevolgen heeft ondervonden als direct gevolg van het te goeder trouw melden van vermoedens van misstanden. Dat heeft onder andere geleid tot schade aan zijn positie en reputatie.

De Onderzoeksraad adviseert de conclusies in het advies over te nemen en te onderschrijven dat sprake is van een misstand voor wat betreft alcoholgebruik en certificering van personeel voor het gebruik van wapens. Ook adviseert de Onderzoeksraad te onderschrijven dat de meldingen hebben bijgedragen aan het verbeteren van de veiligheid. Tot slot adviseert de Onderzoeksraad een herstel van het loopbaanperspectief van de melder en hem te compenseren voor de geleden schade.’

 

Goede gesprekken

Samen met zijn collega – met wie hij de tekortkomingen had geconstateerd en een interne brandbrief schreef – gaat K. in 2013 naar een vertrouwenspersoon. ‘We wilden dit direct met de commandant [van de BSB, red.] bespreken, we maakten ons gewoon zorgen. We krijgen hem te spreken, en hij laat weten er op terug te komen. We horen er vervolgens niets meer over. Na mijn uitzending naar Bagdad volgde er een derde gesprek. Het werd gewoon weggewuifd. Zelfs de vertrouwenspersoon schrok van deze laconieke houding. Die zei: “het is nogal wat, wat hier allemaal gebeurt!”’

‘Je maakt melding van onveilige situaties, en vervolgens ben jíj degene die een coach nodig heeft!’

Een dag na dit gesprek wordt K. opgebeld door zijn leidinggevende: ‘Ja, goed gesprek. Ze hadden een coach voor mijn functioneren geregeld. Dat verzin je toch niet? Je maakt melding van onveilige situaties, en vervolgens ben jíj degene die een coach nodig heeft! Dus ik reageerde maar oppervlakkig, want op deze manier ging het over mij als persoon en niet over de misstanden.’ In een poging zijn meldingen onder de aandacht te brengen stapt K. naar de Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht. Hier doet hij (opnieuw) zijn verhaal. ‘Ook hier schrok men van mijn verhaal. “Al is er maar 25 procent gebeurd van wat je zegt, dit is vreselijk”. Dus ik ging met een goed gevoel naar huis. Er werd eindelijk naar me geluisterd.’

Intern leeronderzoek

Maar de ‘goede gesprekken’ blijken toch niet zo goed te zijn gevallen als K. dacht. Op 9 december 2014 krijgt hij een e-mail over de meldingen die hij heeft gedaan. In plaats van erkentelijkheid, bevatten ze een strikte dienstopdracht: alles wat te maken heeft met zijn meldingen, moet hij in zijn eigen tijd doen. ‘Daar kan dus verder geen twijfel over bestaan,’ zo valt in deze mail te lezen. Een aantal dagen later moet K. bij de commandant komen. In samenspraak met de IGK en het hoofd cluster integriteit van de Marechaussee wordt er een intern leeronderzoek aangekondigd door de commandant van de BSB.

K. vindt dit vreemd: de commandant van de BSB is namelijk eindverantwoordelijk voor een deel van de misstanden waar de meldingen over gaan, iets wat ook de IGK zou moeten weten. ‘De IGK is verplicht om bij vermoedens van misstanden direct naar de secretaris-generaal op het ministerie te gaan, en niet een onderonsje te doen met degene op wiens eindverantwoordelijkheid de melding betrekking heeft. Het is natuurlijk niet de bedoeling dat de slager zijn eigen vlees gaat keuren. Ik had hier geen goed gevoel bij, dus toen heb ik de bond, FNV Veiligheid, opgebeld voor rechtsbijstand.’

 

HET INTERNE LEERONDERZOEK

De regie van het zogeheten ‘interne leeronderzoek’ naar de meldingen van vermoedens van misstanden door K. worden in handen gelegd van de commandant van de BSB. Dit betekent dat de eindverantwoordelijke voor de mogelijke misstanden, zijn eigen staf en personeel ging voorbereiden op het onderzoek naar die misstanden. De twintig getuigen die K. had aangedragen om zijn meldingen te onderbouwen werden niet gehoord.

De meldingen die betrekking hadden op het ambassadepersoneel moest K. zelf indienen bij Buitenlandse Zaken. Hoewel de commandant van de Marechaussee de raadsman van K. had toegezegd deze meldingen in te brengen bij het ministerie van Buitenlandse Zaken – zo verklaren K. en zijn raadsman aan Follow the Money – zijn deze op het ministerie nooit ontvangen.

Het ministerie van Buitenlandse Zaken laat namelijk aan Follow the Money weten ‘altijd alle meldingen van integriteitsschendingen die onze medewerkers betreffen [te onderzoeken]’, maar dat zij ‘in dit geval daartoe niet de kans’ hebben gekregen. Het ministerie verklaart niet op de hoogte te zijn gesteld van de klachten, maar pas in aanloop naar het uitkomen van het OIO-rapport te zijn geïnformeerd. Het ministerie verwijst naar de conclusie van de Onderzoeksraad, waar wordt gesteld dat de incidenten te lang geleden hadden plaatsgevonden om ze nog goed te kunnen onderzoeken.

K. kreeg vier werkdagen de tijd om te reageren op de bevindingen van het ‘interne leeronderzoek’. De Onderzoeksraad Integriteit Overheid (OIO) concludeerde hierover in haar rapport dat het beginsel van hoor en wederhoor in dit onderzoek ‘beperkt is vormgegeven’, maar dat K. tijdens het onderzoek van de OIO alsnog in gelegenheid is gesteld om zijn reactie op dit rapport te geven.

 

Mediation met vrienden

Op basis van de aanbevelingen uit het interne onderzoek van de Marechaussee wordt besloten tot een mediation-traject. De commandant van de BSB kwam met een lijst met wie K. moest mediaten: ‘Ik ben getrouwd met een mediator, dus het was bij ons thuis al vrij snel duidelijk dat deze lijst niet klopte. Het waren namelijk deels goede vrienden van me met wie ik een goede werkverhouding heb, die waren benaderd. Wat valt er dan te mediaten? Dat ik een goed gesprek met mijn vrienden heb gehad? Zo los je niets op. Toch werd deze weigering mij later continu voor de voeten geworpen.’

Omdat K. onder deze voorwaarden geen mediation accepteert, wordt hij voor vijf functies waarop hij binnen Defensie solliciteert afgewezen. Zolang de weigering van mediation tegen K. wordt gebruikt als reden om hem af te wijzen voor een nieuwe functie, loopt zijn baan gevaar. Militairen dienen namelijk om de drie jaar te solliciteren op een nieuwe functie. Indien zij niet worden aangenomen, komen ze zonder functie te zitten wat uiteindelijk kan resulteren in ontslag.

K., KLOKKENLUIDER


“Er zijn hoge officieren op me afgestapt met de boodschap: “je legt de ellende nu bij mij neer””

 

Hoewel het interne onderzoek van de BSB concludeert dat er geen sprake is geweest van misstanden, wil K. niet het hele onderzoek afschrijven: ‘Het rapport bevat ook echt hele goede punten, het is niet alleen brakkigheid. Veel van deze punten zijn ook ten goede gekomen aan de organisatie. Toch mocht de werkvloer dit rapport niet inzien, maar werd er wel rondverteld dat ze vanwege mij niet meer mochten drinken op missie. Ik had het idee dat hier sfeer werd gemaakt. Als ze het rapport namelijk hadden kunnen lezen, hadden die BSB-jongens ook wel begrepen dat hier een reden voor was. De werkvloer is overigens niet achterlijk, met veel jongens ga ik goed om en er zijn ook mensen die op mij toe zijn gestapt en excuses hebben aangeboden. Dat ik achteraf gezien toch wel gelijk had om door te zetten en dingen aan te kaarten. Voor die mensen heb ik veel respect. Maar er zijn ook hoge officieren op me afgestapt met de boodschap: “je legt de ellende nu bij mij neer”.’

Maatregelen en heimelijk onderzoek naar K.

De sfeer op de BSB-afdeling werd er in die tijd niet beter op. ‘Ik ben wel gewoon naar mijn werk blijven gaan. Dan moet je je voorstellen, je gaat naar je werk en vlak voor de afslag ga je weer terug naar huis. En dan bedenk je je weer en rij je toch weer terug naar je werk, want je wilt je toch niet laten kennen,’ vertelt K. Hoewel hij hier niet van op de hoogte is, blijkt er ondertussen op de BSB-afdeling ook een nieuw intern onderzoek te zijn gestart. Niet naar de meldingen die hij heeft gedaan, maar naar zijn persoon. Directe collega’s worden gehoord over zijn doen en laten op de BSB-werkvloer.

Het interne SIO-onderzoek naar K., in handen van FTM, schetst een verziekte werksfeer en legt het wederzijdse wantrouwen bloot

De reden hiervoor is dat leidinggevenden vrezen dat tussen de e-mails die K. naar zichzelf heeft gestuurd (bedoel om in de avonduren thuis aan zijn zaak te kunnen werken, zoals hem was opgedragen) mogelijk zogeheten gerubriceerde informatie van de vertrouwelijke server zat, en hij die ‘mogelijk wil[de] gaan gebruiken anders dan voor operationele doeleinden’. Hierop werd eind 2015 met instemming van de secretaris-generaal een intern vooronderzoek verricht door de Sectie Interne Onderzoeken (SIO) van de Marechaussee.

Dit interne SIO-onderzoek naar K., in handen van FTM, schetst een verziekte werksfeer. Zowel de directe collega’s als de klokkenluider zelf lijken door leidinggevenden niet tegen elkaar (en zichzelf) in bescherming te zijn genomen. Zo zijn de inleidende vragen in dit vooronderzoek op zijn minst suggestief. De opstellers van het rapport lieten respondenten meerdere malen bij aanvang van het interview weten welke mening hun voorganger had: ‘Uit vorig interview is gebleken dat meerdere mensen klachten hebben over het functioneren van [K.]. Voornamelijk over het vele klagen en negatieve houding.’

Ook legt het rapport een sfeer van wederzijds wantrouwen bloot. Aangezien K. gepreoccupeerd was met zijn zaak en alle processen nauwkeurig vast probeerde te leggen, vreesden directe collega’s mogelijk onterecht te worden aangemerkt als betrokkenen. Zo waren ze bang om met hem samen te werken omdat dat hij dan misschien ‘iets negatiefs [zag] in hun manier van werken’.

Aangifte tegen K. bij de Rijksrecherche

K. is er op dat moment niet van op de hoogte dat directe collega’s over zijn doen en laten op de werkvloer worden gehoord. Wel worden hem steeds meer beperkingen opgelegd. ‘Ik word ontheven uit mijn functie, ben niet langer operationeel inzetbaar, krijg een functioneringstraject- en gesprek en maandelijks voortgangsgesprekken. Ik mag niet meer op uitzending, ik mag voor werkzaamheden de basis niet meer af, ik mag niet meer naar [het ministerie in, red.] Den Haag. Het verhaal wordt, kortom, letterlijk binnen de BSB gehouden. Ik wijs ze er nog op dat er geen rechtspositionele maatregelen opgelegd mogen worden want vanaf het moment dat ik meldingen heb gedaan zit ik in een klokkenluiderstraject.’

Ondertussen is ook het externe onafhankelijke onderzoek door de Onderzoeksraad Integriteit Overheid (OIO) naar de meldingen die K. heeft gedaan over de situatie in Jemen, Afghanistan, en Irak in volle gang. Een dag voor de hoorzitting van de OIO krijgt K. te horen dat de BSB-commandant aangifte bij de Rijksrecherche gaat doen tegen K. wegens het mogelijk lekken van mogelijk gevoelige informatie. Op de dag zelf, 5 januari 2016, verklaart de commandant van de Marechaussee, generaal Van den Brink, tijdens de hoorzitting van de OIO dat er aangifte tegen K. is gedaan bij de Rijksrecherche.

Deze verklaring wordt tevens bevestigd in een e-mail aan K., in handen van Follow the Money. ‘Ik schrok me rot. Ik zit al sinds 1986 bij de overheid. Leuk werk waar ik trots op ben. Uitzendingen, schietpartijen, begrafenissen – heb het allemaal meegemaakt. Maar het lekken van informatie? Gaat dit richting ontslag? Mijn vrouw werkt bij de politie dus moest ook tegen haar baas vertellen dat ik verdacht werd van het schenden van het ambtsgeheim. Gelukkig nam haar baas het goed op. Sterker nog, die moest er smakelijk om lachen. Ik zou dus een geheim aan mijzelf hebben verteld.’

‘Ik schrok me rot. Uitzendingen, schietpartijen, begrafenissen – heb het allemaal meegemaakt. Maar het lekken van informatie?’

Toch zorgt dit voor spanningen thuis: ‘Mijn kinderen zijn tieners. Ze weten wat er speelt, ik ben alleen maar aan het typen omdat ik alles in mijn vrije tijd moet doen. Ik heb feitelijk twee banen. Dan moet je vervolgens gaan vertellen dat als de Marechaussee of politie voor de deur staat, dat ze dan misschien papa komen halen. Dat ze netjes op de bank gaan moeten zitten. En je gaat je ook afvragen: wordt de telefoon afgetapt? Mail? Kan ik vrijuit met mijn vrouw praten? Met mijn raadsman? Dat weet ik niet meer. En met die last op mijn schouders ging ik dat onderzoek van de OIO in. Wat zullen zij er wel niet van vinden? Ze zijn hierover geïnformeerd, beïnvloedt dat niet hun beeld over mij?’

Op het interne matje geroepen

Deze aangifte tegen K. bij de Rijksrecherche staat los van het externe, onafhankelijke onderzoek van de Onderzoeksraad Integriteit Overheid (OIO) naar de meldingen van misstanden. K. wordt daarom op het matje geroepen en dient in januari 2016 te verschijnen op een interne hoorzitting bij de Marechaussee. Doel van deze hoorzitting is het mogelijk treffen van maatregelen wegens het lekken van gevoelige informatie. ‘Dat is helemaal niet logisch. Zodra je als Marechaussee tijdens een onderzoek stuit op mogelijk strafbare feiten – zoals schending van het ambtsgeheim – dan moet je het onderzoek staken en dit direct melden aan de officier van Justitie. En díe bepaalt dan of je verder mag met het onderzoek of niet. Dat hebben ze niet gedaan,’ stelt K.

Pas tijdens deze interne hoorzitting krijgt K. te horen dat sinds 27 oktober 2015 heimelijk een intern onderzoek naar zijn persoon en functioneren is uitgevoerd (het eerder genoemde SIO-onderzoek). Ook is het e-mailaccount van zijn werk doorgelicht. Daar zat ook vertrouwelijk mailverkeer tussen met zijn raadsman zat.

Naar aanleiding van deze interne hoorzitting krijgt K. een ordemaatregel opgelegd. ‘Ik mocht niet in aanraking komen met vertrouwelijk, gerubriceerd materiaal. Maar bijna alles op nieuwe afdeling waar ik onderhand werkte is vertrouwelijk, dus heb dat meteen aangegeven bij de commandant. Gek genoeg kreeg ik op mijn nieuwe plek allemaal mailtjes vanuit de BSB met gerubriceerde (zeer) geheime informatie in mijn mailbox gedropt. Ik krijg materiaal onder ogen wat ik niet mag – en dus ook niet wil – zien, dus heb dit direct gemeld. Maar dat geeft alweer te denken. Wat als ik er niet bovenop had gezeten? Dan was ik in overtreding geweest”.

Rehabilitatie

Een half jaar later volgen de conclusies van de Onderzoeksraad Integriteit Overheid (OIO) die onderzoek heeft gedaan naar K.’s meldingen van misstanden. Conclusie: er was wel degelijk sprake van misstanden voor wat betreft certificering van personeel en alcoholmisbruik (in Afghanistan door BSB-personeel). De overige meldingen die K. heeft gedaan waren ten behoeve van het verbeteren van de organisatie. Ook wordt bevestigd dat hij rechtspositionele nadelen heeft ondervonden door het maken van deze meldingen. K. is hiermee in het gelijk gesteld. De OIO oordeelt dat hij niet alleen recht heeft op herstel van zijn loopbaan, maar ook rehabilitatie en compensatie. De dag dat de OIO publiceert, zullen de bevindingen van de OIO bekend worden gemaakt aan de medewerkers van de BSB tijdens het ochtendappel.

‘Ik ben bij het appel buiten. Het is vroeg, koud en donker en ben uiterst links achterin de linie gezet. Er wordt me geen blik me waardig gegund’

K. zorgt dat hij erbij is: ‘Ik ben bij het appel buiten. Het is vroeg, koud en donker en ben uiterst links achterin de linie gezet. De commandant van de Marechaussee, generaal Van den Brink, doet zijn woordje en vertrekt. Geen persoonlijk woordje, geen blik werd me waardig gegund. De Minister en haar ambtelijke top, noemen dat rehabilitatie. Ik heb nota bene mijzelf uit moeten nodigen. Maar ik vond dat ik daar moest zijn: als je ergens voor staat moet je er ook letterlijk voor staan. Het was wel leuk om de jongens weer te zien, ze stonden in de rij in de kantine om mij de hand te schudden. Ook krijg ik nog appjes en telefoontjes. Dat doet me goed.’

Commandant loog tegen Onderzoeksraad

Drie maanden na het uitkomen van het OIO-advies, op 30 september 2016, valt een briefvan Justitie op de mat bij K. Boodschap: naar aanleiding van de aangifte van de commandant van de BSB tegen K. wegens het mogelijk lekken (gedaan op 23 maart 2016) is een regeling getroffen tussen K. en de commandant van de Marechaussee.

Niet alleen is K. niet op de hoogte van ‘een regeling’, ook staat deze brief haaks op wat de commandant van de Marechaussee heeft verklaard op de hoorzitting van de OIO. Want hoewel de commandant in januari verklaarde dat er al aangifte was gedaan, is er volgens Justitie pas aangifte op 23 maart gedaan. En niet bij de Rijksrecherche (zoals de generaal had verklaard) maar bij de Sectie Interne Onderzoeken van de Marechaussee, waarvoor hij zelf eindverantwoordelijk is.

‘Ik geloofde mijn ogen niet. Ik heb de Officier van Justitie opgebeld om de datum te verifiëren, want ik kon het niet geloven.’ Oftewel: de commandant van de Marechaussee heeft – zo staat schriftelijk vast — gelogen tijdens een hoorzitting van de Onderzoeksraad Integriteit Overheid. Ook hebben zij K. in de valse veronderstelling laten leven dat hem strafrechtelijke vervolging boven het hoofd hing, en het OM bezig was met strafrechtelijk onderzoek.

 


Screenshot van de verklaring van de commandant van de Marechaussee tijdens hoorzitting van de Onderzoeksraad Integriteit Overheid (OIO) waar hij op 5 januari verklaart aangifte te hebben gedaan. Daaronder de brief van het OM die aangeeft dat er op 23 maart aangifte is gedaan

 

Een misstand binnen een misstand

Direct werpt deze brief nieuwe vragen op die onbeantwoord blijven. Hoewel de commandant aantoonbaar heeft gelogen tegen, nota bene, de Onderzoeksraad Integriteit Overheid, en ook procedureel buiten zijn boekje is gegaan, is de organisatie niet bereid helderheid te verschaffen. Sterker nog, er wordt gesuggereerd dat K. is ‘gematst’ omdat er een stokje is gestoken voor een strafrechtelijk onderzoek door het OM.

‘Ik heb gevraagd aan de secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris generaal, de commandant van de Marechaussee – aan iedereen – wie de aanjager hiervan was en wat de reden was? Geen krimp. Ik moest juist blij zijn, want ik werd niet vervolgd. Nou, dan word ik liever voor de rechter gesleept want ik heb er juist baat bij dat dit onafhankelijk wordt uitgezocht lijkt mij zo. Nu blijft het in de lucht hangen,’ aldus K.

Het oneigenlijke interne SIO-onderzoek naar K., het liegen over aangifte bij de Rijksrecherche, en het in de veronderstelling laten leven van K. dat hem strafrechtelijke vervolging boven het hoofd hing – het zijn zaken die los stonden van het externe OIO-onderzoek, dat ging over de meldingen van K.. Desondanks doet Defensie liever de kous af door bij vragen over deze gang van zaken te verwijzen naar het OIO-rapport. Ondertussen probeert K. tot in de hoogste politieke boom antwoord te krijgen op de vraag over het hoe en waarom van deze aangifte. En waarom is daarover gelogen?

K., KLOKKENLUIDER

“Ik ben als een crimineel weggezet, als iemand die niet integer is en mogelijk vertrouwelijke informatie doorspeelt aan derden”

 

Zo heeft een gesprek met toenmalig minister van Defensie, Jeanine Hennis, december vorig jaar volgens K. niet geholpen. ‘Ik heb mijn hele verhaal aan haar verteld. Van A tot Z, inclusief het liegen van generaal Van den Brink tegenover de OIO [over het doen van aangifte tegen de Rijksrecherche, red]. Alles wat ik hier nu ook heb verteld. Haar reactie was boosheid. Ze vroeg wat ik van haar wilde. Ik zei tegen haar: “U bent geïnformeerd en ik wil dat het stopt, verder niets”. Ze zou het opnemen met de commandant van de Marechaussee, Van den Brink. Binnen twee dagen kreeg ik van hem een mail dat er bepaalde dingen zijn gebeurd, maar dat mijn loopbaan was hersteld. Geen woord over het liegen voor de externe commissie, en het mij in de veronderstelling laten leven dat me strafrechtelijk vervolging boven het hoofd hing. En hij vertikt het om het onderzoek van de SIO af te ronden. Voor hem was de zaak verder afgehandeld. Oftewel: we lullen er niet meer over.’

De langste adem

Hoewel zijn loopbaan is hersteld, lopen K.’s gesprekken met het ministerie van Defensie over rehabilitatie en compensatie op niets uit. Hij heeft niet het gevoel dat hij is gerehabiliteerd. ‘Want ondertussen staat in het OIO-rapport, en dus op internet, dat er aangifte is gedaan bij de Rijksrecherche, en dat het OM strafrechtelijk onderzoek naar mij doet. Dat is dus niet zo. Ik ben als een crimineel weggezet, als iemand die niet integer is en mogelijk vertrouwelijk informatie doorspeelt aan derden. Terwijl ik altijd open en eerlijk probeer te zijn. Ik bedoel, bij de MIVD-veiligheidsscreening heb ik nota bene altijd de hoogste score.’

In een laatste poging antwoord te krijgen op de vraag waarom de leidinggevenden bij de Marechaussee K. in de veronderstelling lieten leven vervolgd te worden door het OM, en hierover te liegen bij de hoorzitting van de OIO, heeft K. daarom eind oktober aangifte gedaan bij het Openbaar Ministerie tegen de (voormalig) commandant van de BSB en de commandant van Koninklijke Marechaussee. De aanklacht: het indienen van een valse aangifte, smaad, smaadschrift en/of laster tegen K., om zodoende interne maatregelen tegen hem te kunnen motiveren.

De crisis in het Huis van de Klokkenluider zorgt ervoor dat lotgenoten van K. er momenteel alleen voor staan

Ook vindt K. dat hij recht heeft op erkenning en compensatie. ‘Ik mis wel een paar uurtjes met mijn gezin, laat ik het zo zeggen.’ Hij benadrukt dat hetgeen wat hem is overkomen, te wijten is aan een cultuur onder hogere leidinggevenden die liever niet met hun eigen tekortkomingen worden geconfronteerd, en niet van Defensie in het algemeen. ‘Ik heb echt geen problemen met de marechaussee of de mensen bij Defensie, maar met een kleine groep ringleaders die hun cultuur in stand houdt wat ten koste gaat van de mensen van goede wil. Juist voor die laatste groep is het belangrijk dat ik degene ben met de langste adem, niet zij.’

Een adem van enkele tonnen

Toch is het nog maar de vraag hoe lang deze adem kan zijn zonder adequate (en met name: onafhankelijke) ondersteuning voor klokkenluiders. Want had K. kunnen rekenen op loopbaan herstel, of de belofte van rehabilitatie en compensatie zonder het externe onderzoek van de Onderzoeksraad Integriteit Overheid (OIO)? De crisis in deze organisatie, die in juli 2016 is opgegaan in het Huis van de Klokkenluider, zorgt ervoor dat lotgenoten van K. er momenteel alleen voor staan.

Onlangs berichtte NRC over de crisis in het Huis van de Klokkenluider: na 16 maanden was er nog geen enkel onderzoek naar meldingen van misstanden afgerond. Oftewel: klokkenluiders staan momenteel bij het Huis voor een dichte deur. De voorzitter stapte op uit onvrede. Ook was te lezen in de Volkskrant-column van Sheila Sitalsing dat door deze inertie het Huis bij werkgevers geen gezag’ heeft. Ze liggen niet direct wakker van een klokkenluidersmelding.

Zonder een goed functionerend Huis voor de Klokkenluiders zullen klokkenluiders zoals K. veroordeeld zijn tot ellenlange bureaucratische procedures, bestuursrechtelijke zittingen en gesprekken met leidinggevenden. Het geval van K. is een metafoor voor zoveel klokkenluiders: het luiden van de klok zorgt niet voor vragen over de misstanden die worden aangekaart, maar over de persoon die ze meldt. En die moet zich dan ineens verdedigen.

Intussen bevinden zij zich in een kwetsbare positie. De machtsverhoudingen tussen een klokkenluider en werkgever zijn onevenredig. Zo heeft een particulier minder tijd (denk aan K. die de dienstopdracht kreeg in zijn vrije tijd aan zijn zaak te werken), geld en middelen ter beschikking dan bijvoorbeeld een departement. Zo blijkt uit een Wob-verzoek ingediend door de vakbond FNV Veiligheid dat sinds 1 september 2014 tot 1 september 2017 (dus in drie jaar tijd) het ministerie van Defensie 297.319,41 euro kwijt is geweest aan de landsadvocaat voor juridische bijstand inzake klokkenluiderszaken. Hiervan was 40.117,19 euro voor de zaak van K.: een moeilijk op te hoesten bedrag voor de gemiddelde particulier. Zonder de steun van het Huis van de Klokkenluiders zal deze scheve machtsverhouding er toe leiden dat de klok minder vaak zal worden geluid. Sommige misstanden zullen het daglicht nooit hoeven te verdragen.

 

 


Follow the Money heeft het relaas van K. voorgelegd aan zowel het ministerie van Defensie als Buitenlandse Zaken. Toch dient bij deze vorm van wederhoor een belangrijke kanttekening te worden gemaakt: ministeries hebben als staand beleid geen uitspraken te doen over lopende zaken of personen die nog in dienst zijn van het ministerie. Hierdoor ontstaat een valse balans waarbij ministeries in hun reactie-mogelijkheid zijn beperkt.

Defensie laat weten ‘respect voor de betrokkenheid en moed van de collega en het belang dat hij hecht aan de veiligheid van het personeel’ te hebben. Want hoewel ‘aan het werk van de Brigade Speciale Beveiligingsopdrachten (BSB) risico’s zijn verbonden, [moet] de veiligheid en gezondheid van onze mensen altijd voorop staan. De Onderzoeksraad Integriteit Overheid (OIO) heeft de melding van de klokkenluider onderzocht. De aanbevelingen van het rapport van de OIO zijn overgenomen, deze hebben bijgedragen aan het verbeteren van de veiligheid van het BSB personeel. Defensie is er veel aan gelegen om de zaak tot een goed einde te brengen. De klokkenluider heeft een nieuwe functie gekregen bij de Koninklijke Marechaussee en is bevorderd. Daarnaast zijn er ook gesprekken gevoerd over compensatie en zijn veel van de in de FTM-artikelen genoemde klachten nog onderwerp van behandeling. De resultaten van deze klachtafhandeling worden in het eerste kwartaal 2018 verwacht.  Defensie blijft streven naar een goede en gezamenlijke oplossing van de diverse geschilpunten. Op nadere details gaan wij nu niet in, aangezien dat niet bijdraagt aan het proces van de gezamenlijke oplossing.’

Hoewel het ministerie van Buitenlandse Zaken pas op de hoogte is gesteld van de meldingen van K. vlak voor het uitkomen van het OIO-rapport – en deze meldingen destijds te lang waren geleden om nog te kunnen onderzoeken – laat zij weten dat zij K. hebben uitgenodigd voor een gesprek, ‘om alsnog van de ervaringen van K. te kunnen leren. Daarbij is gebleken dat in de afgelopen jaren verbeteringen zijn doorgevoerd, die eraan moeten bijdragen dat situaties zoals door K. beschreven niet voorkomen. K.’s ervaringen worden gebruikt in workshops en trainingen die op Buitenlandse Zaken worden georganiseerd om medewerkers en leidinggevenden meer bewust te maken van veiligheids- en integriteitsrisico’s’, zo laat het ministerie weten.