Door: Stan van Houcke

Publicatie: StanVanHouckeBlogspot, 31-10-2017

Ian Buruma’s kritiek op Pankaj Mishra’s uiteenzetting dat het kolonialisme de Verlichtingsidealen onmogelijk maakte, hetgeen vandaag de dag tot een gewelddadige tegenreactie heeft geleid, is opmerkelijk, aangezien mijn oude vriend zijn werkzame leven lang gedreven werd door een welhaast pathologische ambitie, gevoed door de angst dat hij als jongen uit een Haags mainstream-milieu onzichtbaar zou blijven, als het ware net zo onzichtbaar als de gekoloniseerde altijd is geweest. Een angst en woede die bij hem ook nog eens werd versterkt doordat hij de meeste ‘affiniteit’ voelde met ‘the kind of assimilated Jewish family,’ van zijn moederskant, waardoor hij zelfs nu nog, regelmatig zonder aanleiding, refereert aan ‘anti-semitisme.’ Uit eigen ervaring weet ik dat een echte dialoog met hem nagenoeg onmogelijk is, wat ook uit zijn ‘gesprek’ met Mishra al snel bleek. Buruma kwam niet verder dan dooddoeners als deze:

Aspirations for emancipation and secularization have all kinds of consequences, which may be sometimes undesirable, that is clearly true, but should we than conclude that we should not try and emancipate people from the received truth as it is imposed by priests wherever they are? No, it does not mean that!
Opnieuw zien we hier het bekende debating-foefje dat bij eerste-jaars studenten zo populair is, namelijk het beroep doen op een gefingeerd ‘wij,’ van wie niemand weet wie zij precies zijn. Op Mishra’s vraag wie die ‘wij’ dan wel zijn, gaf Buruma vanzelfsprekend geen antwoord, want die ‘wij’ bestaat niet. ‘Wij’ worden door de macht nooit werkelijk gevraagd wat ‘wij’ zouden willen, en wanneer ‘wij’ in een zeldzaam geval laten weten wat ‘wij’ zouden willen, dan wordt zelfs na referenda, de wil van de meerderheid door de politieke, economische en financiële elite uiteindelijk toch genegeerd. Alleen als de wil van die ‘wij’ spoort met de elite-belangen wordt er geluisterd. Met andere woorden: ‘wij’ is het wapen van demagogische opiniemakers, werkzaam voor de commerciële massamedia. Let u maar eens op hoe vaak de mainstream-columnist van de ‘vrije pers’ het begrip ‘wij’ gebruikt om zijn of haar eigen standpunt kracht bij te zetten. De schrijver Frans Kellendonk verklaarde in 1988 terecht dat de massamedia alleen in termen van ‘wij’kunnen denken, en dat de
publieke opinie geen ‘ik’ [kent]. Twijfel en geloof zijn haar beide wezensvreemd. Ze is extravert. Zelfkritiek is in haar ogen ziekelijke zelfkwellerij. Ze doet aan zelfrechtvaardiging. Om haar eigen voortreffelijkheid aan te tonen zoekt ze een tegenstander die ze met modder kan bekogelen. Kritiek is voor haar etikettering, nooit discussie. Een idee is voor haar een dogma of een ketterij. Het staat altijd in het gelid van een partijprogramma, dat weer in het gelid staat van een ideologie. Het draagt een geweer en daarom moet ze het wel partijdig bejegenen. 
Met zijn ‘eurocentrisch’ c.q. ‘Amerikaans’ mens- en wereldbeeld ziet Buruma zich gedwongen kritiek hierop te marginaliseren of zelfs te criminaliseren, waardoor een oprechte gedachten-uitwisseling onmogelijk blijft. Nu het einde van de ‘Pax Americana’ steeds dichterbij komt, ziet hij zich gedwongen om almaar extremer op kritiek reageren, tot op het absurde af. Dit blijkt onder andere uit het feit dat hij er niet in slaagde Mishra’s vraag te beantwoorden ‘wie’ die ‘wij’ zijn die de ‘received truths’ van het Vooruitgangsgeloof met geweld moeten verspreiden?  Toch wordt het almaar urgenter onszelf de vraag te stellen: wie zijn de ‘wij’ die niet willen beseffen dat de politiek van de ‘Shock and Awe’-interventies geenszins democratie en mensenrechten afdwingen, maar juist het tegenovergestelde bewerkstelligen, zoals het Amerikaans buitenlands beleid sinds de Tweede Wereldoorlog omstandig heeft aangetoond. Buruma’s ideologische dweepzucht dient de elite, ten koste van haar slachtoffers, zoals ondermeer de joods-Amerikaanse publicist Tom Engelhardt  op zijn website van 24 oktober 2017 schreef:
Stop thinking of this country as the sole superpower or the indispensable nation on Earth and start reimagining it as the great fracturer, the exceptional smasher, the indispensable fragmenter.  Its wars of the twenty-first century are starting to come home big time — home being not just this particular country (though that’s true, too) but this planet. Though hardly alone, the U.S. is, for the moment, the most exceptional home-destroyer around and its president is now not just the commander-in-chief but the home-smasher-in-chief.
Just this week, for instance, home smashing was in the headlines. After all, the Islamic State’s ‘capital,’ the city of Raqqa, was ‘liberated.’  We won!  The U.S. and the forces it backed in Syria were finally victorious and the brutal Islamic State (a home-smashing movement that emerged from an American military prison in Iraq) was finally driven from that city (almost!).  And oh yes, according to witnesses, the former city of 300,000 lies abandoned with hardly a building left undamaged, unbroken, un-smashed.  Over these last months, the American bombing campaign against Raqqa and the artillery support that went with it reportedly killed more than 1,000 civilians and turned significant parts of the city into rubble — and what that didn’t do, ISIS bombs and other munitions did. (According to estimates, they could take years to find and remove.) And Raqqa is just the latest Middle Eastern city to be smashed more or less to bits.
De Verlichting creëerde ook de rassentheorieën, de overtuiging dat er sprake was van inferieure en superieure rassen, die de ideologische rechtvaardiging vormden voor de koloniale terreur, die ontelbare miljoenen mensenlevens heeft gekost, en de westerse samenlevingen schatijk heeft gemaakt. Dat de Verlichtingsidealen niet reëel waren wisten de grote denkers en beeldend kunstenaars al snel. De Britse auteur en kunstenaar John Berger schreef over Goya’s werk:
What was the nature of Goya’s commentary? For despite the variety of the incidents portrayed, there is a constant underlying theme. His theme was the consequences of Man’s neglect — sometimes mounting to hysterical hatred — of his most precious faculty, Reason…
The unique power of his work is due to the fact that he was so sensuously involved in the terror and horror of the betrayal of Reason…
A monk undresses in a brothel and Goya draws him, hating him, not in any way because he himself is a puritan, but because he senses that the same impulses that are behind this incident will lead in the Disasters of War to soldiers castrating a peasant and raping his wife. The huge brutal heads he put on hunchback bodies, the animals he dressed up in official robes of office, the way he gave to the cross-hatched tone on a human body the filthy implication of fur, the rage with which he drew witches — all these were protests against the abuse of human possibilities.
And what makes Goya’s protests so desperately relevant for us, after Buchenwald and Hiroshima, is that he knew that when corruption goes far enough, when the human possibilities are denied with sufficient ruthlessness, both ravager and victim are made bestial…
The intention of his work was highly objective and social. His theme was what man was capable of doing to man. Most of his subjects involve action between figures. But even when the figures are single — a girl in prison, an habitual lecher, a beggar who was once ‘somebody’ — the implication, often actually stated in the title, is ‘Look what has been done to them.’
Wat betekenen in feite de Verlichting en de Vooruitgang voor Buruma? De verdere toepassing van de doctrine van nut en efficiency? De voortdurende concentratie van kapitaal en macht? De negatieve consequenties van de ‘global warming’? De almaar voortdurende door de VS veroorzaakte, en door de NAVO gesteunde, gewapende conflicten? De dreigende oorlog met massavernietingswapens tussen de VS en Europa enerzijds, en anderzijds Rusland en China? De wijd verspreide vervreemding en politieke onverschilligheid, die tot de uitholling hebben geleid van de parlementaire democratie, op zich al een beperkte vorm van volksheerschappij? De concentratie en uitdijing van de alomtegenwoordige bureaucratie? Het feit dat de macht in handen is gekomen van een uiterst kleine elite? Of dat de technologische samenleving er één is van ‘rationality without reason’? Het groeiende wantrouwen van burgers tegen de macht en haar corrupte woordvoerders in de mainstream media? Over welke Verlichtingen Vooruitgang heeft Buruma het? Hij kan toch moeilijk volhouden dat de hierboven beschreven feiten geen feiten zijn. Al in 1959 besefte C. Wright Mills In zijn boek The Sociological Imagination dat:
From the individual’s standpoint, much that happens seems the result of manipulation, of management, of blind drift; authority is often not explicit; those with power often feel no need to make it explicit and to justify it. That is one reason why ordinary men, when they are in trouble or when they sense that they are up against issues, cannot get clear targets for thought and for action; they cannot determine what it is that imperils the values they vaguely discern as theirs. 
Given these effects of the ascendant trend of rationalization, the individual ‘does the best he can.’ He gears his aspirations and his work to the situation he is in, and from which he can find no way out. In due course, he does not seek a way out: he adapts. That part of his life which is left over from work, he uses to play, to consume, ‘to have fun.’ Yet this sphere of consumption is also being rationalized. Alienated from production, from work, he is also alienated from consumption, from genuine leisure. This adaptation of the individual and its effects upon his milieu and self results not only in the loss of his chance, and in due course, of his capacity and will to reason; it also affects his chances and his capacity to act as a free man. Indeed, neither the value of freedom nor of reason, it would seem, are known to him. 
Such adapted men are not necessarily unintelligent, even after they have lived and worked and played in such circumstances for quite some time. Karl Mannheim has made the point in a clear way by speaking of ‘self rationalization,’ which refers to the way in which an individual, caught in the limited segments of great, rational organizations, comes systematically to regulate his impulses and his aspirations, his manner of life and his ways of thought, in rather strict accordance with ‘the rules and regulations of the organization.’ The rational organization is thus an alienating organization: the guiding principles of conduct and reflection, and in due course of emotion as well, are not seated in the individual conscience of the Reformation man, or in the independent reason of the Cartesian man. The guiding principles, in fact, are alien to and in contradiction with all that has been historically understood as individuality. It is not too much to say that in the extreme development the chance to reason of most men is destroyed, as rationality increases and its locus, its control, is moved from the individual to the big-scale organization. There is then rationality without reason. Such rationality is not commensurate with freedom but the destroyer of it. 
It is no wonder that the ideal of individuality has become moot: in our time, what is at issue is the very nature of man, the image we have of his limits and possibilities as man. History is not yet done with its exploration of the limits and meanings of human nature. We do not know how profound man’s psychological transformation from the Modem Age to the contemporary epoch may be. But we must now raise the question in an ultimate form: Among contemporary men will there come to prevail, or even to flourish, what may be called The Cheerful Robot? 
We know of course that man can be turned into a robot, by chemical and psychiatric means, by steady coercion and by controlled environment; but also by random pressures and unplanned sequences of circumstances. But can he be made to want to become a cheerful and willing robot? Can he be happy in this condition, and what are the qualities and the meanings of such happiness? It will no longer do merely to assume, as a metaphysic of human nature, that down deep in man-as-man there is an urge for freedom and a will to reason. Now we must ask: What in man’s nature, what in the human condition today, what in each of the varieties of social structure makes for the ascendancy of the cheerful robot? And what stands against it? 
The advent of the alienated man and all the themes which lie behind his advent now affect the whole of our serious intellectual life and cause our immediate intellectual malaise. It is a major theme of the human condition in the contemporary epoch and of all studies worthy of the name. I know of no idea, no theme, no problem, that is so deep in the classic tradition— and so much involved in the possible default of contemporary social science. 
It is what Karl Marx so brilliantly discerned in his earlier essays on ‘alienation’; it is the chief concern of Georg Simmel in his justly famous essay on ‘The Metropolis’; Graham Wallas was aware of it in his work on The Great Society. It lies behind Fromm’s conception of the ‘automaton.’ The fear that such a type of man will become ascendant underlies many of the more recent uses of such classic sociological conceptions as ‘status and contract,’ ‘community and society.’ It is the hard meaning of such notions as Riesman’s ‘other-directed’ and Whyte’s ‘social ethic.’ And of course, most popularly, the triumph — if it may be called that — of such a man is the key meaning of George Orwell’s 1984… 
The society in which this man, this cheerful robot, flourishes is the antithesis of the free society — or in the literal and plain meaning of the word, of a democratic society. The advent of this man points to freedom as trouble, as issue, and — let us hope — as problem for social scientists. Put as a trouble of the individual — of the terms and values of which he is uneasily unaware — it is the trouble called ‘alienation.’ As an issue for publics… it is no less than the issue of democratic society, as fact and as aspiration…
[T]he issue to which modern threats to freedom and reason most typically lead is, above all, the absence of explicit issues — to apathy  rather than to issues explicitly defined as such. The issues and troubles have not been clarified because the chief capacities and qualities of man required to clarify them are the very freedom and reason that are threatened and dwindling. Neither the troubles nor the issues have been seriously formulated as the problems of the kinds of social science I have been criticizing in this book.
Leg de tekst van C. Wright Mills naast de uitspraak van Buruma dat de ‘Aspirations for emancipation and secularization have all kinds of consequences,’ die ‘soms onwenselijk kunnen zijn,’ maar dat dit alles toch geen reden mag zijn ‘that we should not try and emancipate people from the received truth as it is imposed by priests wherever they are?’ en de conclusie kan niet anders zijn dan dat professor Buruma ernstig in de war is, zo niet de kluit belazerd, omdat zijn opdrachtgevers dit nu eenmaal van hem verwachten. Wie anders dan het establishment, met zijn onvermijdelijke propagandisten, neemt de ‘received truths’ van professor Buruma nog serieus? Ook tijdens zijn ‘gesprek’ met de Indiase auteur Pankaj Mishra op 23 juni 2017 in Den Haag slaagt hij er niet in duidelijk te maken over welke Verlichting hij het heeft, terwijl toch zijn gespreksgenoot wel bij machte is aan te geven wat er niet deugde aan de koloniale praktijk van het Vooruitgangsgeloof. Mishra verwees daarbij naar ‘the rhetoric of universalism,’ dat het westerse model ‘worked the best for anyone,’ op aarde. Het verzet hiertegen ‘didn’t come out of nowhere. It doesn’t happen in a vacuum. All these people who have suffered under imperialism, who suffered racial humiliation, who were told that they were inferior, that their Asian values were crap, that the western way is the best.’ Het logische gevolg is dat geknechte volkeren op zoek zijn naar een ideologie die hun eigen waardigheid lijkt te kunnen herstellen, hetgeen vanzelfsprekend kan leiden tot allerlei uitwassen als bijvoorbeeld de wreedheden van ISIS.
In tegenstelling tot Buruma, blijft Mishra zoeken naar de oorzaak van dit alles. Hij hamertje erop dat de ratio ons dwingt de vraag te stellen: ‘what really started this whole proces?’ en toont vervolgens geloofwaardig aan dat dit ‘the rhetoric of universalism’ was en blijft. Dat hier inderdaad sprake is van ‘retoriek’ blijkt uit het feit dat het kolonialisme in de praktijk geen rekening hield met ‘universele normen en waarden’ zodra de elitebelangen van het Westen in het gedrang kwamen, een feit dat onder het neoliberalisme en neoconservatisme nog steeds het geval is. De veronderstelling ‘that one thing that works for one kind of person in one part of the world van work for everyone else’ is absurd wanneer men uitgaat van de werkelijkheid. Indien alle wereldbewoners even welvarend willen zijn als de westerse middenklasse, dan zijn er minstens vier aardes nodig, zo hebben deskundigen uitgerekend aan de hand van het grondstoffenverbruik. Bovendien heeft het neoliberalisme niet geleid tot een rechtvaardige verspreiding van rijkdom, maar juist tot het tegenovergesteldewaardoor anno 2017 acht mensen op aarde even rijk zijn als de helft van de hele mensheid tezamen. Ook dit is het resultaat van ‘rationalism without reason,’   en bewijst dat het westerse model, ‘imported through the proces of imperialism, setting of this whole thing which we call modern history,’ gebaseerd is op een loze belofte. De Iraans-Amerikaanse hoogleraar Hamid Dabashi, die ‘Iranian Studies and Comparative Literature at Columbia University’ doceert, schreef in zijn boek Iran: A People Interrupted (2008) dat ‘to me the story of modern Iran is one of defiance and rebellion against both domestic tyranny and globalized colonialism.’ Hij verklaarde tevens dat  ‘Iranians (like the rest of the third world) received the universal promises of Enlightenment modernity through the gun barrel of European colonialism.’ Toen ik hem interviewdebenadrukte Dabashi dat die geschiedenis de uiterst sceptische houding verklaart van een aanzienlijk deel van de wereldbevolking, zodra het handelt over de geclaimde superioriteit van ‘de westerse normen en waarden.’ Op zijn beurt benadrukte Pankaj Mishra dat:
We live in a world of forced Enlightenment, where all notions have fallen by the wayside, like the idea of a well-educated citizenry, when in reality you have mass-media spreading false news, fake news, propaganda all the time. And than there are the social media; you have so many forces acting on the individual mind, so this project of individual reason, individual autonomy is in danger as never before. It is in this context that you can persuade people that it is the politicians who are responsible for your plight, that they don’t care about you, but only care about themselves. 
Onmiddellijk reageerde Buruma verontwaardigd door te stellen: ’maar dat zeg jij ook, dus ben je het eens met de mensen die de kosmopolitische elites verwijten dat zij alleen voor zichzelf zorgen.’ Deze reactie ontmaskerde niet zijn opponent, maar Buruma zelf, omdat door zijn beschuldiging duidelijk werd dat hij de analyse van intellectuelen als Mishra verafschuwt. Die weerzin is begrijpelijk omdat Mishra zijn pijlen niet alleen richt op de neoconservatieven, maar ook op zogeheten ‘liberals’ als Buruma. Mishra’s woorden toonde dit opnieuw aan. Hij zei dat beide partijen ‘have to recognize that there is a lot of truth’ in de beschuldigingen van burgers aan het adres van de elite en haar opiniemakers in de mainstream-journalistiek. ‘These elites,’ bestaan nu eenmaal en zijn ‘vooral gecreëerd’  in ‘the last three decades of rapid globalization. These are facts that everyone knows, there is no doubt that globalization benefited largely this tiny minority, helps the rich get much richer, that social mobility is blocked for many people, that the United States is one of the most unequal countries in the world today, and that the people who benefited are those who managed to connect themselves to global processes. There is a lot of truth in this complaint, and this is where demagogues essentially reap their harvest. There is in the lived experience of many people, much actual truth that they are being served a very seductive cocktail,’ gemengd ‘with falsehoods. There is much truth’ in het feit dat de huidige ‘inequality is really, really obsceen, especially in Britain and the United States.’
Opnieuw had Buruma geen weerwoord. Bij gebrek aan argumenten maakte hij gebruik van de aloude rechtse debating-truc door over een volstrekt ander onderwerp te beginnen. Hij stelde namelijk de, met betrekking tot Mishra’s kritische beschouwing, irrelevante vraag dat als de Verlichtingsidealen, zoals
the aspirations towards more individual liberty, secularization, less dependence on revealed truth and all the rest of it, have had such undesirable results, what alternative would you propose? Because, one alternative is indeed a sort of traditionalist rhetoric, in for instance China reintroducing Confucianisme, or at its crudest, as sort of: Make America Great Again! How do you see that, what kind of politics do you propose as an alternative for the aspiration to the aspiration towards more individual liberty and more democracy?
Uit eigen decennialange ervaring met gespreksprogramma’s op de radio weet ik dat de vraag van Ian Buruma in feite het einde van een discussie inluidt, aangezien de vragensteller beseft dat hij geen deugdelijke argumenten meer kan inbrengen en dat hij de tegenstander alleen nog onderuit kan halen door hem te dwingen een ‘alternatief’ te produceren voor de falende Verlichtingsideologie die het gespreksonderwerp was. Let tevens op de wijze waarop Buruma het onderwerp presenteert: hij suggereert dat het  kolonialisme streefde naar ‘more individual liberty, secularization, less dependence on revealed truth and all the rest of it,’ en dat dit streven ‘undesirable results’ heeft gehad. De bedoeling was goed, maar het resultaat was helaas belabberd. Deze voorstelling van zaken getuigt van een typisch Hollandse botheid en onbeschaamdheid tegenover niet-westerse critici als Pankaj Mishra. De Indiase auteur had namelijk in zijn boek Age of Anger. A History Of The Present (2017) 406 pagina’s lang gedocumenteerd uiteengezet dat
with the victory (van het geglobaliseerde neoliberalisme. svh) it has become impossible to deny or obscure the great chasm, first explored by Rousseau, between an elite that seizes modernity choicest fruits while disdaining older truths, and uprooted masses, who, on finding themselves cheated of the same fruits, recoil into cultural supremacism (het wereldbeeld dat een bepaald ras, etniciteit, religie, sociale klasse, natie, of cultuur superieur is. svh) populism and rancorous brutality. The contradictions and costs of a minority’s progress, long suppressed by historical revisionism, blustery (snoeverige. svh) denial and agressie equivocation, have become visible on a planetary scale. 
They encourage the suspicion — potentially lethal among the hundreds of millions people condemned to superfluousness (overbodigheid. svh) — that the present order, democratic or authoritarian, is built upon force and fraud; they incite a broader and more apocalyptic mood than we have witnessed before. They also underscore the need for some truly transformative thinking, about both the self and the world,
aldus de eindconclusie van Mishra’s boek. In een vergeefse poging aan deze onontkoombare gevolgtrekking te ontkomen, eiste Buruma dat zijn gespreksgenoot met een levensvatbaar ‘alternatief’ kwam, een pasklare oplossing voor de teloorgang van vijf eeuwen repressief en desastreus kapitalisme, en dit alles ook nog in een tijdsbestek van enkele minuten. Met die vraag suggereerde Buruma dat iemand die zoveel kritiek heeft ten minste een oplossing voorhanden dient te hebben, omdat anders zijn analyse niet deugt. Maar opnieuw bleek Buruma zich op zijn intellectuele meerdere te hebben verkeken. Voor het geschoolde publiek in Den Haag werd duidelijk dat Buruma geen kosmopoliet was, maar een geborneerde mainstream-journalist, die de belangen van een uiterst kleine westerse elite beschermde. Het was zelfs gênant te zien hoe het niet tot Buruma doordrong dat zijn gespreksgenoot geen ideoloog was met pasklare antwoorden op alles, maar precies het tegenover gestelde van hemzelf was, namelijk een denker, die zocht naar de juiste vragen. Even pijnlijk was het te zien hoe Mishra moeiteloos Buruma de les las door te antwoorden:
I honestly want to diagnose the problem correctly. What I am saying is that the idea’s (de verlichtingsidealen. svh) which were proposed by a tiny minority for itself, and became attached to all kinds of different processes in the nineteenth and twentieth century, and, mostly, in the last few decades. But there is not a true line between the ideas of the Enlightenment and the present. What we see are different periodes, in which this modern project of emancipation assumes different forms, which is not to say that the modern project of emancipation should be abandoned, but the challenge is to make it available for people for whom it was not originally meant,
en die als gevolg daarvan het modernisme over zich heen kregen in de vorm van het kolonialisme, met zijn culturele genocide en soms zelfs volkerenmoord, zoals uitgebreid gedocumenteerd is door historici. Desondanks blijven de woordvoerders van de westerse elite de superioriteit van de westerse beschaving propageren, alsof de Verlichting en  haar Vooruitgangsgeloof daadwerkelijk wereldwijd in de praktijk werd en wordt gebracht, en dat daar bovendien geen alternatief voor bestaat. En dus herhaalde Ian Buruma de vraag: ‘So, if you criticize this, what alternative kind of politics would you aspire?’ Deze op hoge toon gestelde vraag was absurd, vooral omdat er domweg geen keuzemogelijkheid bestaat. Zoals ieder logisch denkend individu weet, is de macht in handen gevallen van een uiterst kleine elite, die samen met hun woordvoerders in de mainstream-media erop toezien dat elk mogelijke uitweg onmiddellijk wordt afgesloten.  De enige zin die het stellen van zo’n vraag kan hebben is dat het ontbreken van een ‘alternatief’ het bestaan van het huidige neoliberale bestel alsnog rechtvaardigt. Pankaj Mishra merkte dan ook op:
When you are asking me to propose a solution you basically ask fish in the water: is there any other place where one can swim? This is the world we live in, created by western science, where is the alternative? What can be the alternative? Can fish climb out of the water? 
Buruma kwalificeerde Mishra’s beschrijving van de wereld, zoals die op dit moment is, onmiddellijk met ‘that seems a very deterministic view!’ Zijn gespreksgenoot zette uiteen dat de reacties op het westerse geglobaliseerde neoliberalisme, zoals de politiek islam en het Hindoe nationalisme, niet meer zijn dan een soort imitaties van de aloude ideologieën die uit de Verlichting voortkwamen. ‘Look at the limited repertoire here.’ Buruma reageerde met: ‘but than you are saying: Fukuyama is right, The End of History,’ in de verwachting dat Mishra zich ogenblikkelijk zou distantiëren van deze Amerikaanse neoconservatieve ideoloog. Maar opnieuw vergistte Buruma zich, aangezien Mishra erop wees dat de oorspronkelijke gedachte van ‘Het Einde van de Geschiedenis’ dateert uit de Napoleontische tijd toen de zegevierende Franse keizer door Hegel werd gezien als ‘de verschijnende God,’ het sluitstuk van het feodale systeem van adel en geestelijkheid, die met zijn modernisme de universele homogene staat belichaamde, en dat Fukuyama op deze aanname voort borduurde. Volgens Mishra had Fukuyama gelijk ‘in the sense that this kind of rhetoric’ over moderniteit ‘this notion of universalism, which he (Napoleon . svh) was the first to impose with violence, through mass murder, on large parts of Europe and also in Egypt…’ Hier onderbrak Buruma het betoog van Mishra om Napoleon te prijzen, en wel omdat de keizer ‘emancipated the jews and created laws.’ Dit was evenwel een irrelevante opmerking, aangezien Mishra’s uiteenzetting was dat het Vooruitgangsgeloof met massaal geweld werd afgedwongen. Kennelijk is Buruma — wiens grootste verwantschap uitgaat naar de ‘assimilated Jewish family’ van zijn moeder — de overtuiging toegedaan dat de emancipatie van ‘joden’ in Frankrijk opweegt tegen de ruim 15 miljoen dode militairen en burgers tijdens de Napoleontische Oorlogen in Europa. Alleen al de ‘French population suffered long-term effects through a low male-to-female population ratio.’Opnieuw toonde Ian zijn diepgeworteld tribalisme. Keer op keer beoordeelt hij de werkelijkheid vanuit de beperkte context van het jodendom. Opmerkelijk, omdat de houding van Napoleon ook nog eens gecompliceerder was dan Buruma het deed voorkomen. Zo is het volgende bekend:
In the early 19th century, through his conquests in Europe, Napoleon Bonaparte spread the modernist ideas of revolutionary France: equality of citizens and the rule of law. Napoleon’s personal attitude towards the Jews has been interpreted in various ways by different historians, as at various times he made statements both in support and opposition to the Jewish people. Historian Rabbi Berel Wein in Triumph of Survival: The Story of the Jews in the Modern Era 1650-1990 (1990) claims that Napoleon was interested primarily in seeing the Jews assimilate, rather than prosper as a distinct community: ‘Napoleon’s outward tolerance and fairness toward Jews was actually based upon his grand plan to have them disappear entirely by means of total assimilation, intermarriage, and conversion.’
Napoleon was concerned about the role of Jews as money lenders, wanting to end that. The treatment of the Alsace Jews and their debtors was raised in the Imperial Council on 30 April 1806. His liberation of the Jewish communities in Italy (notably in Ancona in the Papal States) and his insistence on the integration of Jews as equals in French and Italian societies demonstrate that he distinguished between usurers (whether Jewish or not), whom he compared to locusts, and Jews who accepted non-Jews as their equals.
His letter to Champagny, Minister of the Interior of 29 November 1806, expresses his thoughts:
‘[It is necessary to] reduce, if not destroy, the tendency of Jewish people to practice a very great number of activities that are harmful to civilization and to public order in society in all the countries of the world. It is necessary to stop the harm by preventing it; to prevent it, it is necessary to change the Jews. […] Once part of their youth will take its place in our armies, they will cease to have Jewish interests and sentiments; their interests and sentiments will be French.’
Hoe dan ook, Buruma’s prijzende woorden deden niets af aan de uiteenzetting van Pankaj Mishra dat de‘notion of universalism,’ in ‘large parts of Europe and also in Egypt’ werd begeleid door massaleviolence,’ en ‘through mass murder,’ zoals ook nu nog het zogeheten ‘humanitair ingrijpen’ en de ‘responsibility to protect’ om de zogeheten Verlichtingsidealen als democratie en mensenrechten te verspreiden, in de praktijk neerkomen op juist de grootscheepse schendingen ervan. De Verlichtingsidealen spelen geen enkele rol van betekenis zodra die de westerse geopolitieke en financiële belangen bedreigen, zoals onder andere de houding van Brussel en Washington ten opzichte van de zionistische terreur aantoont. Typerend voor de werkelijkheid is dat de Britse Independent woensdag 25 oktober 2017 berichtte dat
Defence Secretary Michael Fallon has claimed that criticism of Saudi Arabia in Parliament is hindering Britain’s ability to secure sales of fighter jets to the oil-rich kingdom…
His comments were immediately seized upon by the Campaign Against the Arms Trade (CAAT) who branded Mr Fallon’s warning to colleagues as ‘disgraceful.’
‘He is calling on other parliamentarians to join him in putting arms sales ahead of human rights, democracy and international humanitarian law,’ said Andrew Smith.
‘Arms sales to human rights abusing regimes like Saudi Arabia would not be possible without the support of Ministers like Fallon. If the Government’s main concern is jobs then it should be shifting that support into more positive areas like renewable energy and low carbon technology, and other industries which are not dependent on war and conflict for profit.’
Voor het Westen gaat het adagium ‘business is business’ boven alles, zelfs wanneer mensenrechten en het oorlogsrecht worden geschonden, de rest is slechts ‘Bühnewerk’ voor mainstream propagandisten. Pankaj Mishra reageerde door op te merken dat massamoordenaars natuurlijk ook goede dingen kunnen doen, maar dat ‘the point is that Napoleon was the first one who advanced this universalist ideology, which is now everywhere, and that all we see everywhere are mirror-images. So how can we even talk about alternatives?’ Zonder op de vraag van Mishra in te gaan, herhaalde Buruma zijn eigen, irrelevante, vraag, na eerst te hebben beweerd dat
I think that Napoleon is an interesting thing to talk about because, yes, a lot of people were killed as a consequence of his military campaigns, but his brand of universalism is actually something we — in this country as well as other countries — still benefit from, the idea of equality for the law and so on, did come from them (Napoleon en de Verlichtingsideologen. svh), the emancipation of minorities came from them, precisely because he had the idea of the universality of rights, and that not just one particular elite or one particular people deserved rights, but that it were universal rights. 
Ik onderbreek hier Buruma’s voorstelling van zaken om de werkelijkheid te beschrijven:
In 1801 stelde de voormalige zwarte slaaf Toussaint Louverture, de leider van de Haïtiaanse Revolutie, een grondwet in voor ‘Saint-Domingue,’ (de naam van Haïti toen het nog een Franse slavenkolonie was), waarin de ‘black autonomy and a sovereign black state’ werd geregeld, de eerste onafhankelijke zwarte staat ter wereld, en de tweede in het continent Amerika.
In response, Napoleon Bonaparte dispatched a large expeditionary force of French soldiers and warships to the island, led by Bonaparte’s brother-in-law Charles Leclerc, to restore French rule. They were under secret instructions to restore slavery, at least in the formerly Spanish-held part of the island. Bonaparte ordered that Toussaint was to be treated with respect until the French forces were established; once that was done, Toussaint was to summoned to Le Cap and be arrested; if he failed to show, Leclerc was to wage ‘a war to the death’ with no mercy and all of Toussaint’s followers to be shot when captured. Once that was completed, slavery would be ultimately restored…
The French arrived at on 2 February 1802 at Le Cap with the Haitian commander Henri Christophe being ordered by Leclerc to turn over the city to the French. When Christophe refused, the French assaulted Le Cap and the Haitians set the city afire rather than surrender it. Leclerc sent Toussaint letters promising him: ‘Have no worries about your personal fortune. It will be safeguarded for you, since it has been only too well earned by your own efforts. Do not worry about the liberty of your fellow citizens.’ When Toussaint still failed to appear at Le Cap, Leclerc issued a proclamation on 17 February 1802: ‘General Toussaint and General Christophe are outlawed; all citizens are ordered to hunt them down, and treat them as rebels against the French Republic.’
Nadat de rebellerende Haïtianen zich in eerste instantie hadden overgegeven aan het Franse bezettingsleger, veranderde de situatie na een paar maanden opnieuw toen
it became apparent that the French intended to re-establish slavery (because they had nearly done so on Guadeloupe), black cultivators revolted in the summer of 1802. Yellow fever had decimated the French as by the middle of July 1802, the French lost about 10, 000 dead to yellow fever. By September, Leclerc wrote in his diary that he had only 8, 000 fit men left as yellow fever had killed the others.[106] Many of the ‘French’ soldiers were actually Polish as 5, 000 Poles were serving in two demi-brigades in the French Army. Many Poles believed that if they fought for France, Bonaparte would reward them by restoring Polish independence, which had been ended with the Third Partition of Poland in 1795. Of the 5, 000 Poles, about 4, 000 were to die of yellow fever. A French planter wrote of the Polish soldiers: ‘Ten days after the landing of these two beautiful regiments, more than half their number were carried off by yellow fever; they fell down as they walked, the blood rushing out through their nostrils, mouths, eyes… what a horrible and heart-rending sight!’ Sometimes, the Poles died in battle. At a battle at Port Sault, the Polish Third Battalion fought about 200 Haitians who ambushed them with musket fire and by pushing boulders down on them. One historian noted that ‘the Poles, rather than spreading out, each man for himself, slowly advanced in a tightly packed mass which afford an ideal target for the well-protected insurgent rifleman.’ Most of the Poles were cut down by the Haitians, which led Rochambeau to remark that one could always count on the Poles to die without flinching in battle. Some of the Poles came to believe that they were fighting on the wrong side, as they had joined the French Army to fight for freedom, not impose slavery, and they defected to join the Haitians.

 

In totaal kwamen meer dan 300.000 mensen om het leven — onder andere ruim 200.000 Haïtianen en rond de 75.000 Fransen, een ‘quantité négligeable’ voor de keizer, die volgens Buruma, diep doordrongen zou zijn geweest van de Verlichtingsidealen, dus democratie, vrijheid en ‘the universality of rights.’ De onbeschaamdheid van de Buruma’s van de ‘vrije pers’ is telkens weer onthullend, niet alleen vanwege hun ‘conspiracy of silence,’ waarbij onwelgevallige feiten worden verzwegen, maar tevens door het bewust verspreiden van leugens. Het onzichtbaar maken van de slachtoffers van de gewelddadige Verlichtingsideologie is des te opvallender omdat Buruma eerder zelf schreef dat ‘The degradation of one’s victims, stripped of their identity, is a way to sooth one’s conscience. This results in a ghastly paradox: the more brutal the method of slaughter, the easier it is on the killers, for the victims are no longer regarded as fully human.’ Hoewel het de opiniemaker hier handelt over‘terroristen,’ gaat vanzelfsprekend hetzelfde op voor de grootschalige westerse staatsterreur tijdens de Napoleontische oorlogen, en meer recent, in Korea, Vietnam, Afghanistan, Latijns-Amerika, Irak, Libië en Syrië. Voor Buruma gelden de doden en verminkten in die soevereine staten als ‘collateral damage,’ de prijs die nu eenmaal anderen moeten betalen om zijn Vooruitgangsgeloof overeind te houden. Dit verklaart tevens waarom volgens hem sprake is van ‘het betrekkelijk goedaardige imperialisme uit Washington,’ ondanks het feit dat het Amerikaans ‘imperialisme’ een veelvoud aan doden heeft veroorzaakt dan de nazi’s in de vernietigingskampen. Alleen al binnen de grenzen van de VS vonden naar schatting 7 miljoen Indianen de dood, als gevolg van het expansionisme van de witte man en vrouw. Het gemak waarmee Buruma bloedbaden verzwijgt, of de wijze waarop hij erover spreekt, is eveneens weerzinwekkend, zoals Pankaj Mishra duidelijk probeerde te maken toen hij opmerkte dat het tijdens de Napoleontische oorlogen om vele ‘miljoenen’ doden ging, en niet, zoals Buruma stelde, ‘quite a lot.’ Dezelfde kille mentaliteit demonstreerde Buruma toen hij schreef dat ‘we should ready ourselves for a time when we might recall the American Empire with fond nostalgia.’ De ‘nostalgie’ naar bloedbaden, is een pathologisch verschijnsel, in wezen niet anders dan ‘The Blood Lust of Identity,’ die hij islamitische terroristen verwijt. In een bespreking van Amin Maalouf’s boek In the Name of Identity: Violence and the Need to Belong  (2001) schreef Ian Buruma in The New York Review of Books over de gedachte van deze Libanees-Franse auteur dat

What is needed, then, is ‘a new concept of identity.’ Perhaps so, but Maalouf is a little vague about what that concept might be. It should be mixed, and never absolute. We should feel part of our countries, and of ‘Europe,’ or even the world. Religion must be personal and ‘kept apart from what has to do with identity.’ I’m not sure all this is possible.
Het is deze typisch pedante stijl waarmee Buruma zich een houding aanmeet, de pose van bedachtzame intellectueel die ver boven de wereld zijn objectieve oordeel uitspreekt, zoals in de oudheid de Griekse Goden vanaf de top van de Olympus zich uitspraken over al het menselijk gewoel. Als poseur heeft mijn oude vriend het betrekkelijk ver geschopt, maar als mainstream-opiniemaker blijft hij behept met al die daaraan verbonden kleinburgerlijke trekjes, getuige de mateloze bewondering voor de elite, en de wijze waarop hij de wereld voorstelt. In zijn recensie van Maalouf’s boek beweert hij dat
Maalouf may be too optimistic when he claims that people with multiple identities will never be ‘on the side of the fanatics.’ On the contrary, purity is often the compulsive aim of those who feel they have to make up for their complexity.
Wat in de eerste zin nog wordt voorgesteld als ‘misschien te optimistisch’ wordt in de volgende zin al weerlegd als apert onjuist. Maar verwerpelijker nog is het feit dat hij Maalouf onjuist citeert, door niet het hele citaat te geven. In werkelijkheid schreef deze auteur het volgende: ‘neither the Franco-Algerian lad, nor the young man of mixed German and Turkish origin whom I mentioned earlier, will ever be on the side of the fanatics if they succeed in living peacefully in the context of their own complex identity.’ Juist door dit laatste te verzwijgen, kon Buruma beweren dat Maalouf de plank misslaat. Het is deze corrupte voorstelling van zaken die de westerse journalistiek zo onbetrouwbaar heeft gemaakt in het oog van het publiek. Buruma’s recensie is ideologisch van aard, en blijft daardoor beperkt tot de smaak en het oordeel van het establishment. Om dit duidelijk te maken zal ik het hele fragment uit Maalouf’s boek citeren:

in the age of globalization and of the ever-accelerating intermingling of elements in which we are all caught up, a new concept of identity is needed, and needed urgently. We cannot be satisfied with forcing billions of bewildered human beings to choose between excessive assertion of their identity altogether, between fundamentalism and disintegration. But that is the logical consequence of the prevailing attitude on the subject. If our contemporaries are not encouraged to accept their multiple affiliations and allegiances; if they cannot reconcile their need for identity with an open and unprejudiced tolerance of other cultures ; if they feel they have to choose between denial of the self and denial of the other — then we shall be bringing into being legions of the lost and hordes of bloodthirsty madmen.

But let us return for a moment to some examples I quoted at the beginning of this book. A man with a Serbian mother and a Croatian father, and who  manages to accept his dual affiliation, will never take part in any form of ethnic ‘cleansing.’ A man with a Hutu mother and a Tutsi father, if he can accept the two ‘tributaries’ that brought him into the world, will never be a party to butchery or genocide. And neither the Franco-Algerian lad, nor the young man of mixed German and Turkish origin whom I mentioned earlier, will ever be on the side of the fanatics if they succeed in living peacefully in the context of their own complex identity.
Here again it would be a mistake to see such examples as extreme or unusual. Wherever there are groups human beings living side by side who differ from one another in religion, colour, language, ethnic origin or nationality; wherever there are tensions, more or less longstanding, more or less violent, between immigrants and local populations, Blacks and Whites, Catholics and Protestants, Jews and Arabs, hindus and Sikhs, Lithuanians and Russians, Serbs and Albanians, Greeks and Turks, English-speaking and French-speaking Canadians, Flemings and Walloons, Chinese and Malays — yes, wherever there is a divided society,  there are men and women bearing within them contradictory allegiances, people who live on the frontier between opposed communities, and whose very being might be said to  be traversed by ethnic or religious or other fault lines. 
We are not dealing with a handful of marginal people. There are thousands, millions of such men and women, and there will be more and more to them. They are frontier-dwellers by choice, or through the changes and chances of life, or by deliberate choice, and they can influence events and affect their course one way or the other. Those who can accept their diversity fully will hand on the torch between communities and cultures, will be a kind of mortar joining together and strengthening he societies in which they live. On the other hand, those who cannot accept their own diversity may be among the most virulent of those prepared to kill for the sake of identity, attacking those who embody that part pof themselves which they would like to see forgotten. History contains many examples of such self-hatred.
Nu de lezer het hele fragment weet, en niet alleen Buruma’s vertekende versie ervan, kan ik de logische vraag stellen: waarom de recensent de strekking van Maalouf’s uiteenzetting verdraaide? Allereerst natuurlijk omdat hij anders in zijn bespreking niet had kunnen beweren dat Maalouf ‘te optimistisch’ was te veronderstellen ‘that people with multiple identities will never be “on the side of the fanatics.”’ Een dergelijke gedachte moet ogenblikkelijk van de hand worden gewezen door iemand als Buruma, die samen met de Joods-Israelische hoogleraar Avishai Margelith, in het boek Occidentalism. A Short History of Anti-Westernis (2004) stelde dat ‘Occidentalism’ bestaat uit ‘the demonizing fantasies and stereotypes about the Western world that fuel such murderous hatred in others,’ en dat ‘The anti-Western virus has spread to the Islamic world for a number of reasons, but it is not an exclusively Islamic issue.’ De twee auteurs suggereren tevens dat het ‘anti-Westerse virus’ een moderne vorm van‘anti-semitisme’ is, met als gevolg dat kritiek op de westerse onderdrukking en zelfs terreur al snel kan worden gecriminaliseerd als anti-semitisch. In Buruma’s manicheïsch wereldbeeld bestaat geen ruimte voor nuancering. Goed en Kwaad moeten duidelijk gescheiden blijven. Om dit te bewerkstelligen moet hij het Kwaad motieven ontzeggen, zodat hij niet hoeft in te gaan op de wet van oorzaak en gevolg. De Duivel kent geen drijfveren, hij is immers het vlees geworden Kwaad. Tegelijkertijd wordt in deze ideologische voorstelling van de werkelijkheid het Westen geprezen voor zijn onwrikbare Verlichtingsidealen en Vooruitgangsgeloof. Buruma’s journalistieke werkwijze verraadt een simplistisch fanatisme, dat haaks staat op de complexiteit van de literatuur. Zijn verlangen naar verlossing via het Vooruitgangsgeloof is niet fundamenteel anders dan het verlangen van zijn tegenstanders naar verlossing via een religieuze openbaring. In zijn roman Blackbox (1988) analyseert de Joods-Israëlische auteur Amos Oz de identiteitsloosheid van elke fundamentalist als volgt:
Geloof uit on-geloof: hoe meer hij zijn geloof in zichzelf verliest, des te sterker wordt zijn fervente geloof in de verlossing, des te intenser zijn dringende behoefte verlost te worden… In dezelfde mate waarin zijn zelfrespect, zijn bestaansgrond, ja de zin van zijn leven verloren gaan, wordt de rechtvaardiging van zijn geloof, zijn volk, zijn ras, het ideaal dat hij aanhangt of de beweging waaraan hij trouw gezworen heeft, verheven, vergroot, verheerlijkt en geheiligd.
Hoewel Oz schreef over Joodse fundamentalisten, gaat hetzelfde op voor alle religies en alle ideologieën, want zoals hij stelt:
De mens houdt zich bezig met persoonlijke zaken zolang hij zaken heeft en zolang hij een persoonlijkheid heeft. Als die afwezig zijn, gaat hij zich, uit angst voor de leegheid van zijn leven, vol vuur bezighouden met zaken van anderen: hij brengt hen op het rechte spoor. Tuchtigt hen. Probeert te onderrichten wie malende is en te verpletteren wie dwalende is. Schenkt andere gunsten of vervolgt hen meedogenloos. Tussen de nobele fanaticus en de moordzuchtige fanaticus is uiteraard een verschil van morele gradaties, maar geen verschil in aard. 
Dit is tevens de reden waarom elkaar bestrijdende fundamentalisten zoveel op elkaar lijken, vertelde Oz me toen ik hem ruim een kwarteeuw geleden over dit onderwerp interviewde. De atheïst die de religieus gelovige te vuur en te zwaard bestrijdt, verschilt niet wezenlijk van zijn opponent. Degenen die zijn opgegroeid in het rationalistisch ‘geloof’ zijn opvallend vaak even fanatiek als hun vijanden. Ian Buruma’s blinde geestdrift voor het Amerikaans imperium is een voorbeeld van zijn fanatisme. In The Guardian van maandag 6 mei 2002, precies zeven maanden nadat de VS Afghanistan had aangevallen, schreef Buruma bestraffend over vooraanstaande westerse critici van de Amerikaanse buitenlandse politiek, door te beweren:
Opinion, in a highly commercialized society, becomes a sign of class. It is chic to disapprove of America, not only of its rulers or those who elect them, but of the idea of America itself. What Noam Chomsky, Gore Vidal, and Tariq Ali have in common, then, is snobbery apart from anything else.  
Kritiek op het Amerikaanse geweld dat tot op de dag van dag doorgaat, is in de ogen van de zogeheten ‘kosmopoliet’ Buruma allereerst en vooral niets anders dan ‘snobisme.’ Een dergelijke dweepzucht met de macht leidt tot het goedpraten van grootschalige terreur, dat   lachwekkend overkomt, al was het maar vanwege zijn vergeefse poging om zoveel mogelijk geaffecteerd Engels te spreken. Overigens is het niet ‘chic’ om het woord ‘chic’ te gebruiken, maar dit terzijde. Meer de volgende keer.
Het impliciet ontkennen van Napoleon’s racisme is op zich al racistisch. De bewering van Ian Buruma dat Napoleon’s
 brand of universalism is actually something we — in this country as well as other countries — still benefit from, the idea of equality for the law and so on, did come from them (Napoleon en de Verlichtingsideologen. svh), the emancipation of minorities came from them, precisely because he had the idea of the universality of rights, and that not just one particular elite or one particular people deserved rights, but that it were universal rights,
 
is een grove vertekening van de werkelijkheid, gezien diens houding ten opzichte van de zwarten. De witte macht keek met afgrijzen naar de eerste zwarte republiek. De VS was daarvan een treffende illustratie:

The United States and the Haitian Revolution, 1791–1804

The Haitian Revolution created the second independent country in the Americas after the United States became independent in 1783. U.S. political leaders, many of them slaveowners, reacted to the emergence of Haiti as a state borne out of a slave revolt with ambivalence, at times providing aid to put down the revolt, and, later in the revolution, providing support to Toussaint L’Ouverture’s forces. Due to these shifts in policy and domestic concerns, the United States would not officially recognize Haitian independence until 1862.
Prior to its independence, Haiti was a French colony known as St. Domingue. St. Domingue’s slave-based sugar and coffee industries had been fast-growing and successful, and by the 1760s it had become the most profitable colony in the Americas. With the economic growth, however, came increasing exploitation of the African slaves who made up the overwhelming majority of the population. Prior to and after U.S. independence, American merchants enjoyed a healthy trade with St. Domingue.
The French Revolution had a great impact on the colony. St. Domingue’s white minority split into Royalist and Revolutionary factions, while the mixed-race population campaigned for civil rights. Sensing an opportunity, the slaves of northern St. Domingue organized and planned a massive rebellion which began on August 22, 1791.
When news of the slave revolt broke out, American leaders rushed to provide support for the whites of St. Domingue. However, the situation became more complex when civil commissioners sent to St. Domingue by the French revolutionary government convinced one of the slave revolt leaders, Toussaint L’Ouverture, that the new French Government was committed to ending slavery. What followed over the next decade was a complex and multi-sided civil war in which Spanish and British forces also intervened.
The situation in St. Domingue put the Democratic-Republican party and its leader, Thomas Jefferson, in somewhat of a political dilemma. Jefferson believed strongly in the French Revolution and the ideals it promoted, but as a Virginia slaveholder popular among other Virginia slaveholders, Jefferson also feared the specter of slave revolt. When faced with the question of what the United States should do about the French colony of St. Domingue, Jefferson favored offering limited aid to suppress the revolt, but also suggested that the slaveowners should aim for a compromise similar to that Jamaican slaveholders made with communities of escaped slaves in 1739. Despite their numerous differences on other issues, Secretary of the Treasury and leader of the rival Federalist Party Alexander Hamilton largely agreed with Jefferson regarding Haiti policy.
The Haitian revolution came to North American shores in the form of a refugee crisis. In 1793, competing factions battled for control of the then-capital of St. Domingue, Cap-Français (now Cap-Haïtien.) The fighting and ensuing fire destroyed much of the capital, and refugees piled into ships anchored in the harbor. The French navy deposited the refugees in Norfolk, Virginia. Many refugees also settled in Baltimore, Philadelphia, and New York. These refugees were predominantly white, though many had brought their slaves with them. The refugees became involved in émigré politics, hoping to influence U.S. foreign policy. Anxieties about their actions, along with those of European radicals also residing in the United States, led to the passage of the Alien and Sedition Acts. The growing xenophobia, along with temporarily improved political stability in France and St. Domingue, convinced many of the refugees to return home.
The beginning of the Federalist administration of President John Adams signaled a change in policy. Adams was resolutely anti-slavery and felt no need to aid white forces in St. Domingue. He was also concerned that L’Ouverture would choose to pursue a policy of state-supported piracy like that of the Barbary States. Lastly, St. Domingue’s trade had partially rebounded, and Adams wished to preserve trade links with the colony. Consequently, Adams decided to provide aid to L’Ouverture against his British-supported rivals. This situation was complicated by the Quasi-War with France—L’Ouverture continued to insist that St. Domingue was a French colony even as he pursued an independent foreign policy.
Under President Thomas Jefferson’s presidency, the United States cut off aid to L’Ouverture and instead pursued a policy to isolate Haiti, fearing that the Haitian revolution would spread to the United States. These concerns were in fact unfounded, as the fledgling Haitian state was more concerned with its own survival than with exporting revolution. Nevertheless, Jefferson grew even more hostile after L’Ouverture’s successor, Jean-Jacques Dessalines, ordered the execution of whites remaining after the Napoleonic attempts to reconquer St. Domingue and reimpose slavery (French defeat led to the Louisiana Purchase.) Jefferson refused to recognize Haitian independence, a policy to which U.S. Federalists also acquiesced. Although France recognized Haitian independence in 1825, Haitians would have to wait until 1862 for the United States to recognize Haiti’s status as a sovereign, independent nation.