In deze Nieuwsbrief:
1917-2017: 100 jaar sociale driegeleding
– Rond het ‘100-jarig bestaan van de sociale driegeleding
Ook vanuit Madrid en Barcelona: nog hartelijk bedankt Woodrow!

***

 

1917-2017 : 100 jaar sociale driegeleding

Een workshop met John Hogervorst

 

Het is dit jaar 100 jaar geleden dat Rudolf Steiner voor het eerst de impuls van de sociale driegeleding beschreef. De inzichten over het menselijk-samenleven-in-het-groot die hij sindsdien op vele manieren onder woorden bracht, zoeken nog steeds naar momenten, omstandigheden en mensen om zich te belichamen.

Degenen die zich vertrouwd hebben gemaakt met de sociale driegeleding weten dat deze, ook nu, 100 jaar na haar geboorte, richtinggevend is voor de vraagstukken waarvoor de mensheid zich geplaatst heeft. Zij weten zelfs dat de sociale driegeleding de enig begaanbare richting wijst naar een gezonde toekomst.

Om stil te staan bij het geboortemoment van de sociale driegeleding, en om een besef te krijgen van de betekenis van deze impuls voor de toekomst, gaan we tijdens deze bijeenkomst flink aan het werk:

  • in een terugblik onderzoeken wij de historische context waarin Rudolf Steiner de sociale driegeleding introduceerde en de reikwijdte van deze impuls;
  • wij verdiepen ons in de essentie van de sociale driegeleding;
  • en nemen van daaruit een of meer grote actuele vraagstukken op de korrel zodat we een onderscheid kunnen maken tussen de schijnoplossingen vanuit de gangbare praktijk en de fundamentele aanpak die de sociale driegeleding in zich draagt.

Kosten: € 45,00 (incl. soep en broodjes)
Vrijdag 24 november 14.30 – 20.30 uur
De Zonneboom
De Laat de Kanterstraat 5, Leiden
T: 071 512 3137
info@zonneboom.nl
www.zonneboom.nl

 

 

Rond het ‘100-jarig bestaan van de sociale driegeleding een klein fragment uit:


Rudolf Steiner – revolutionair zonder revolutie…


“In de eerste weken dat Rudolf Steiner in Württemberg actief was, groeide de belangstelling voor de sociale driegeleding enorm. Ongeveer 12.000 mensen verklaarden hun steun aan een spontaan ontstane oproep aan de regering van de Vrije Volksstaat om samen met Rudolf Steiner stappen te nemen om de sociale driegeleding te verwerkelijken. Van De kernpunten van het sociale vraagstuk werden in korte tijd 80.000 exemplaren verkocht en al vrij snel verscheen het boek ook in andere talen, waaronder in het Engels en in het Nederlands.

Maar met de toenemende steun groeide ook de weerstand tegen de driegeleding. Aan de linkerzijde begonnen vakbondsleiders en de marxistische kaders hun aanhangers voor Rudolf Steiner en zijn gedachten te waarschuwen. In andere kringen, die van middenstand en burgerij, keek men met steeds groter wantrouwen naar Rudolf Steiners verbinding met het proletariaat. In het woelige, revolutionaire en over-gepolitiseerde klimaat van die dagen kregen de grondgedachten van de sociale driegeleding, die feitelijk sociaal-wetenschappelijke gedachten zijn, onvermijdelijk een politieke lading. En het was maar een handjevol mensen dat Rudolf Steiner bijstond en ook voor hen was de driegeleding nieuw.

Vanaf begin 1919 werd er gesproken over het oprichten van een school. Emil Molt, eigenaar van de Waldorf-Astoria sigarettenfabriek, verzorgde onder werktijd scholing voor de arbeiders. Na een opmerking van Rudolf Steiner, die zei dat het beschikbare geld het beste aan onderwijs voor kinderen kon worden besteed, om hen de mogelijkheid te geven zich tot vrije en zelfstandige mensen te ontwikkelen, besloot Molt zo’n school op te richten. Daarin werd hij bevestigd door vragen van zijn arbeiders, die in april, na de eerste voordracht van Rudolf Steiner in Stuttgart over sociale driegeleding, zeiden: ”Het is mooi dat wij in onze scholingsuren zoveel inhoud aangeboden krijgen, maar is het niet mogelijk dat ook onze kinderen een dergelijk onderwijs zouden kunnen krijgen?”

Voor Rudolf Steiner betekende de school, en hij was van mening dat er in korte tijd nog vele andere opgericht moesten worden, een eerste concrete stap in de richting van het vrije geestesleven: de school was als een kiem voor het scheppen van een maatschappelijk gebied waarin de mens zich werkelijk in vrijheid kan ontwikkelen.”

Rudolf Steiner – revolutionair zonder revolutie
John Hogervorst
Brochure, 24p, € 4,75
ISBN 9789073310902
Kunt u HIER bestellen

 

 

Ook vanuit Madrid en Barcelona: nog hartelijk bedankt Woodrow!

Terwijl hier en daar wordt stil gestaan bij het feit dat het dit jaar 100 geleden is dat Rudolf Steiner voor het eerst omschreef, zou het eigenlijk ook niet ongemerkt voorbij mogen gaan dat het zo ongeveer ook 100 jaar geleden is dat toenmalig Amerikaans president Wilson (op 8 januari 1918) zijn “14-punten-plan” presenteerde. Dit heilloze plan zou een jaar later worden ingebracht in de onderhandelingen, abusievelijk ‘vredesbesprekingen’ genoemd, die na het beëindigen van de eerste wereldoorlog in Parijs plaats vonden (en die tot het rampzalige Verdrag van Versailles zouden leiden).

Woodrow Wilson, vestigde in de jaren dat Amerika nog niet aan die oorlog deelnam de hoop van veel van zijn tijdgenoten op zich met zijn mooie maar holle frasen over de noodzaak de vijandelijkheden te staken en tot een ‘rechtvaardige’ en blijvende vrede te komen die alle strijdende partijen recht zou moeten doen. Als president van een neutraal land had hij makkelijk praten, hoewel die neutraliteit Amerika er niet van weerhield de Engelsen en hun bondgenoten van kredieten en strategische goederenleveringen te voorzien. Historici hebben niet heel veel aandacht gegeven aan de vraag of er niet een oorzakelijk verband zou kunnen bestaan tussen twee gebeurtenissen: de Februarirevolutie die in Rusland de tsaar ten val bracht, die direct tot muiterij van Russische frontsoldaten leidde (en de kans vergrootte dat de nieuwe sociaal-democratische machthebbers het oorlogsmoede Russische volk terwille zouden zijn door vredesonderhandelingen met Duitsland en bondgenoten te beginnen) als ene, en Amerika’s deelname aan de oorlog vijf weken later (op 6 april 1918) als tweede gebeurtenis. Daarbij mag bedacht worden dat de militaire impasse waarin de oorlog al enkele jaren verkeerde, in hun voordeel zou kantelen wanneer de Duitsers en hun bondgenoten, met een wapenstilstand of vrede in het oosten, hun militaire kracht aan het westfront zouden kunnen versterken. Maar hierover schreven we eerder (Driegonaal, jrg 19, nr.1) en hoewel in historisch opzicht van cruciaal belang voor de geschiedenis van de twintigste eeuw, gaat het hier nu om een ander thema.

Voor deze kleine beschouwing, die zich in de actualiteit laat verbinden met de serieuze maar toch ook enigszins tragikomische gebeurtenissen rond het Catalaanse streven naar onafhankelijkheid, richten we de blik in het bijzonder op het principe dat de basis vormde van de “14 punten” die Wilson in 1918 ontvouwde, het zogenoemde ‘zelfbeschikkingsrecht der volkeren’, het idee dat ieder volk over zijn eigen soevereiniteit beschikt en dus ook het ‘recht’ heeft een eigen staat te vormen.

Of Wilson werkelijk overtuigd was van de heilzaamheid van dit zelfbeschikkingsrecht der volkeren, of dat hij dit principe gericht wilde toepassen om de ontwikkelingen in Europa, en daarbuiten, naar zijn hand te zetten, bijvoorbeeld om met behulp van dit principe een einde te maken aan Oostenrijk-Hongarije – bondgenoot van Duitsland en tot de eerste wereldoorlog een grootmacht op het Europese continent, echter bestaande uit een veelheid van volkeren – zullen we wel nooit weten. Wat we wel weten is dat Wilsons minister van buitenlandse zaken, Robert Lansing, heel goed voorzag waartoe dit principe zou leiden en zijn president uitlegde dat het introduceren van dit zelfbeschikkingsrecht der volkeren gelijk stond aan het openen van de Doos van Pandora.

En zo ging Pandora’s Doos daadwerkelijk open. Oostenrijk-Hongarije viel uiteen in meerdere staten. Minderheden in verschillende Europese staten meenden dat zij nu ook recht hadden op een eigen staat (en klopten tevergeefs bij Amerika aan om hun ‘recht’ te verwezenlijken). Maar misschien nog belangrijker: het zelfbeschikkingsrecht der volkeren was een idee dat vleugels gaf aan het streven van meestal door Europese staten gekolonialiseerde volkeren in Azie en Afrika. En het einde van de eerste wereldoorlog betekende ook: het begin van het proces van de-kolonialisering dat tot ver in de 20e eeuw zijn spoor zou trekken.

Dat deze volken zich vrij wilden maken van vreemde bevoogding was vanzelfsprekend een terechte ontwikkeling. Maar in het groot gezien: dit hele proces voltrok zich wereldwijd en leidde in nagenoeg alle gevallen tot het vormen van staten naar westers model. Een ander aansprekend voorbeeld dan de staat zoals op westerse leest geschoeid, kende de twintigste eeuw niet (ook de latere Sovjet-Unie was als staat– gemodelleerd naar de principes die ten grondslag liggen aan het model van de staat, zoals in West-Europa en Amerika ontwikkeld). Zo werden volkeren in overgrote delen van Azië en Afrika, waar de oorspronkelijke samenlevingsverbanden door koloniale overheersers werden opzij geschoven waren, in hun streven naar emancipatie van hun vreemde overheersers aangevuurd door de fakkel van het zelfbeschikkingsrecht der volkeren en probeerden dit streven vorm te geven in het enige ‘model’ dat hen bekend was: dat van de staat naar westers begrip.

De vele volken die zich in de loop van de twintigste eeuw van hun westerse overheersers hebben losgemaakt, hebben de westerse staat als basis voor hun streven genomen… – men zou er enige ironie in kunnen zien. Inmiddels zitten zij en de wereld wel opgescheept met kunstmatige staatsgrenzen, met samenlevingen die niet passen in het keurslijf van de staat-naar-westers-model en, nog steeds, met minderheden die dromen van (of vechten voor) ‘een eigen staat’ – want waarom zou hun volk daar geen recht op hebben?

Had dat dan anders gekund? Is een andere staat dan de staat zoals wij die kennen mogelijk? En hoe verhoudt die andere, ons onbekende staat zich tot het principe van het zelfbeschikkingsrecht der volkeren?

Deze vragen vergen verduidelijking en daarom kijken we nu naar de sociale driegeleding. Wanneer we de geschiedenis niet alleen begrijpen als datgene dat zich als historisch feiten heeft voorgedaan, maar ook als datgene dat zich niet als historisch feit heeft voorgedaan – zich desondanks mogelijk toch in het feitelijke had kunnen voordoen – kunnen we tot een complexer maar vollediger beeld komen van wat in de tijd leeft. Niet alles dat in de tijd leeft ‘slaat neer’ in de wereld van de historische feiten. Elk historisch feit kan gezien worden als de feitelijke uitkomst van een spanningsveld tussen verschillende stromingen of tendensen die door mensen al dan niet (in alle denkbare combinaties of manieren) tot feiten zijn gemaakt.

Wie dit overweegt komt mogelijk tot het urgente besef van de daadwerkelijke centrale spilfunctie van de vrije menselijke wil: niet alleen had de geschiedenis een andere kunnen zijn, ook de toekomst zal worden bepaald door wat vanuit menselijke wil wordt ondernomen of nagelaten.

In wereldhistorisch perspectief kan Wilsons 14-punten-plan (ook) worden begrepen als tegenvoorstel voor de in de zomer van 1917 voor het eerst geformuleerde sociale driegeleding. Terwijl de sociale driegeleding uitgaat van wat we het ‘ zelfbeschikkingsrecht van de mens’ kunnen noemen, plaatste Wilson het zelfbeschikkingsrecht van het volk daar lijnrecht tegenover.

Een blik op de geschiedenis van de 20e en 21e eeuw laat zien dat Rudolf Steiner het juiste, en Woodrow Wilson het ‘valse’  voorstel deed: het begrip ‘ volk’ is – tegen het licht van de ontwikkeling van de mens, een heilloos begrip. De scherpste ‘ illustratie’  (als dat woord in deze context gebruikt mag worden) hiervan is de wijze waarop Hitler het individueel menselijke, de menselijkheid en de menselijke waardigheid ten onder kon laten gaan in zijn ‘volksbegrip’. Waar, in het algemeen gesproken, de mens zich overmatig identificeert met het volk waaruit hij stamt, doet hij feitelijk een stap terug in zijn ontwikkeling. Hij legt zijn individueel verworven, of: te verwerven, oordeelsvermogen en moraliteit af en laat zich bewegen door en meedrijven in een anonieme, onpersoonlijke en makkelijk door collectieve, emotionele en instinctieve sentimenten te bespelen massa. Binnen deze massa worden moraliteit, menselijke waardigheid, individuele vrijheid en vele andere aspecten die de mens in zich draagt vertrapt en als oud vuil achtergelaten. De mens die zich strevend inzet om zich ook daadwerkelijk tot ‘ mens’ te ontwikkelen, zal zijn identiteit en streven niet door zijn afkomst uit een bepaald volk laten bepalen.

Zo kan duidelijk worden dat het begrip volk geen hanteerbaar uitgangspunt kan zijn om een gemeenschap of sociaal verband op te grondvesten. In de sociale driegeleding neemt Rudolf Steiner de individuele mens als uitgangspunt voor de sociale ordening, de samenleving. En die individuele mens kent een behoefte om zich te ontwikkelen, kent een behoefte om mondig deel te nemen aan het vormgeven van de sociale verhoudingen waarvan hij deel uitmaakt, naast de fysiek-materiële behoefte die ieder mens nu eenmaal kent. Het menselijk samenleven kent dus de drie gebieden waarin elk van deze drie behoeften kan plaats hebben, respectievelijk het geestesleven, het rechtsleven en het economische leven.

Deze drie gebieden samen vormen het sociale organisme, de samenleving. Waarom zou de wereld uit staten, en niet uit ‘ samenleving’  bestaan?

De staat, in de zin van de sociale driegeleding, is een deel van de samenleving, namelijk dat deel waarbinnen de betrokken mensen hun onderlinge verhoudingen (rechten, plichten, wetten, regels) vormen. De samenleving omvat meer dan de staat: er is ook het gebied van onderwijs, kunst, zorg, wetenschap, religie – het gebied waar mensen aan en met hun ontwikkeling werken. En dan is er ook nog het gebied waarbinnen aan het vervullen van de fysiek-materiële behoeften wordt gewerkt – de economie.

Voor wie er in slaagt zich heel concreet voor te stellen wat hier zo beknopt is aangeduid, verliest het woord ‘ internationaal’ zijn huidige betekenis:
– dat wat er in de economie gebeurt kent geen grenzen, economische ketens en processen zijn wereldwijd met elkaar vervlochten, ze sluiten op elkaar aan en lopen in elkaar over, de huidige ‘ staatsgrenzen zijn binnen in wat zich feitelijk in de economie afspeelt abstracte, levensvreemde en verstorend werkende constructies
– voor wat zich afspeelt in onderwijs, kunst, wetenschap e.d. geldt in de sociale driegeleding: men doet in vrijheid naar beste kunnen wat gedaan kan worden – en daarbij zal het bevruchtend en stimulerend zijn om steeds opnieuw uit te wisselen met vakgenoten van ver weg of dichtbij: van hen kan men leren! Staatsgrenzen spelen daarin geen rol.

Staatsgrenzen zijn er slechts voor wat betreft het rechtsleven: er zijn mensen, binnen een bepaald territorium, die – mede onder invloed van taal, cultuur, geschiedenis, geografie – een bepaald rechtsbewustzijn met elkaar delen. Zij zijn daardoor met elkaar verbonden, zij vormen een ‘rechtsgemeenschap’ en hebben onderling hun weg gevonden om in samenspraak tot wetten, regels en het formuleren van rechten en plichten te komen die zij onderling willen doen laten gelden. In naburige streken leven andere gemeenschappen die onderling op hun manier tot hun ‘rechtsstaat’, of rechtsgemeenschap, komen. Rechtsstaten onderscheiden zich van elkaar door verschillen in het binnen de gemeenschap levende rechtsbewustzijn en door de wijze waarop men er tot het geldende recht komt. Mogelijk komen verschillende rechtsstaten ertoe om problemen en vraagstukken die ze gemeenschappelijk hebben, gezamenlijk te behandelen en wordt er ‘ internationaal recht’ geformuleerd.

Zo kunnen mensen ook samenleven, zonder een staat zoals we die nu kennen. – Schrik niet wanneer u dit beeld niet helemaal compleet krijgt of wanneer het in uw gedachten steeds wegspringt. Het is het beeld van iets dat we op basis van de sociale driegeleding kunnen vormen – en dat nog nergens als historisch feit belichaamd is. Maar ook is het een beeld dat historisch feit zou kunnen worden, wanneer wij het in ons willen terugvinden en opnemen.

In de recente geschiedenis kreeg Wilsons waanbeeld de voorkeur. Dank daarvoor, Woodrow Wilson, namens de mensen uit Barcelona en Madrid, net zoals namens mensen uit Kosovo en Albanië, uit Oekraïne en de Krim, uit Israël en Palestina, uit Pakistan en Bangla Desh, uit…

Hoe wonderlijk dat historische feiten keer op keer benadrukken dat het zelfbeschikkingsrecht van het individu, oftewel de voor velen onbekende, door sommigen vergeten sociale driegeleding de toekomst heeft.
John Hogervorst