stanvanhoucke.blogspot.com · by stan · November 24, 2017

Michael Brenner‘the overwhelming fraction of all the wealth created over two generations has gone to those at the very top of the income pyramid. That pattern has been markedly accelerated since the financial crisis hit in 2008. Between 2000 and 2012, the real net worth of 90 percent of Americans has declined by 25 percent.’ […] ‘After a large decline of 11.6 percent from 2007 to 2009, real incomes of the bottom 99 percent of families registered a negligible 1.1 percent gain from 2009 to 2013, and then grew by 6.0 percent from 2013 to 2015… Hence, a full recovery in income growth for the bottom 99 percent remains elusive.’
The wealthiest Americans seem to live in another reality. Incomes for the top 1 percent jumped 37 percent from 2009 to 2015… ’This uneven recovery is unfortunately on par with a long-term widening of inequality since 1980, when the top 1 percent of families began to capture a disproportionate share of economic growth’
Welke rol spelen deze onweerlegbare feiten in de ideologische opinies van Ian Buruma? Geen! De reden is eenvoudigweg dat een verklaring voor de opkomst van de ‘populisten’ een fundamentele kritiek noodzaakt van het huidige neoliberale bestel, waaraan hij zijn aanzien en inkomen ontleent. Daar komt bij dat hij te weinig verbeeldingskracht bezit om zich een alternatief voor te kunnen stellen voor deze, in de strikte zin van het woord, asociale geloofsleer. Hij geeft geen verklaring voor de toenemende populariteit van ‘populistische’ ideologen, die — let op het taalgebruik — ‘erin geslaagd zijn zich te bewegen in de hoogste kringen,’ waarin voorheen alleen ‘liberal’ conformisten als professor Buruma wisten door te dringen. En hoe deden deze ‘rechtse’ volksmenners dit? Simpelweg door ‘hun openlijk racisme tot zwijgen te brengen en hun schijnheiligheid te verhullen onder veel doortrapt gezwets,’ en, niet te vergeten, door de claim ‘slachtoffer’ te zijn, waarmee hij impliceert dat degenen die uit het systeem zijn gestoten slechts gecultiveerde slachtofferisten zijn, dus als het ware nep-slachtoffers, luitjes die vroeger het gepeupel vormden, met wie geen land te bezeilen zou zijn. Zij gelden als het rapaille dat altijd in het kapitalisme bestaan heeft, en dat alleen tijdens de wederopbouw na 1945 enkele decennialang als voetvolk ingezet kon worden om de kortstondige hoogconjunctuur van de welvaartsstaat mogelijk te maken. Maar nu is deze onderkaste niet meer nodig om de hoog-technologische consumptiecultuur draaiende te houden. Zij maken deel uit van het ‘precariat,’ een sociologisch en economisch begrip voor de overtolligen. Het is een neologisme van de woorden precair en proletariaat, dat werd geïntroduceerd door de Britse hoogleraar Economische Zekerheid, Guy Standing, en verwijst naar de onzekerheid op sociaal, economisch, cultureel en politiek gebied van een groeiende groep burgers in de westerse maatschappij, die door hun uitzichtloze positie een gevaar betekent voor de gevestigde orde. Het betreft zowel leden van de uitgerangeerde arbeidersklasse als werkloze academici met een hoge studieschuld, en natuurlijk de vele miljarden armen in de wereld. Zij zijn slachtoffer van de laatste fase van het geglobaliseerde kapitalisme. Ook een niet te verwaarlozen deel van de bedreigde middenklasse hoort hierbij. Professor Standing waarschuwde in verband hiermee in zijn boek The Precariat. The New Dangerous Class (2016):
In the 1970s, a group of ideologically inspired economists captured the ears and minds of politicians. The central plank of their ‘neoliberal’ model was that growth and development depended on market competitiveness; everything should be done to maximize competition and competitiveness, and to allow market principles to permeate all aspects of life.
One theme was that countries should increase labour market flexibility, which came to mean an agenda for transferring risks and insecurity onto workers and their families. The result has been the creation of a global ‘precariat,’ consisting of many millions around the world without an anchor of stability. They are becoming a new dangerous class. They are prone to listen to ugly voices, and to use their votes and money to give those voices a political platform of increasing influence. The very success of the ‘neoliberal’ agenda, embraced to a a greater or lesser extent by governments of all complexions, has created an incipient political monster. Action is needed before that monster comes to life,
want zelfs de meest neoliberaal geïndoctrineerde opiniemaker kan zich de chaos indenken zodra deze massa in beweging komt, omdat zij de verpaupering niet langer meer kan accepteren. Standing beschrijft hoe de de neoliberale globalisering en daarmee de ‘labor market flexibility’ de afgelopen drie decennia wereldwijd een nieuwe klasse heeft gecreëerd:
Millions of people, in affluent and emerging market economies, entered the precariat, a new phenomenon even if it had shades of the past. The precariat was not part of the ‘working class’ or the ‘proletariat.’ The latter terms suggest a society consisting mostly of workers in longterm, stable, fixed-hour jobs with established routes of advancement, subject to unionisation and collective agreements, with job titles their fathers and mothers would have understood, facing local employers whose names and features they were familiar with. Many entering the precariat would not know their employer or how many fellow employees they had or were likely to have in the future. They were also not ‘middle class,’ as they did not have a stable or predictable salary or the status and benefits that middle-class people were supposed to possess. As the 1990s proceeded, more and more people, not just in developing countries, found themselves in a status that development economists and anthropologists called ‘informal.’ Probably they would not have found this a helpful way of describing themselves, let alone one that would make them see in others a common way of living and working. So they were not working class, not middle class, not ‘informal’! What were they? A flicker of recognition would have occurred in being defined as having a precarious existence. Friends, relatives and colleagues would also be in a temporary status of some kind, without assurance that this was what they would be doing in a few years’ time, or even months or weeks hence. Often they were not even wishing or trying to make it so.
Wanneer ik me nu beperk tot het Westen dan betreft het vooral ook al dan niet geschoolde jongeren, een deel van hen zelfs academisch geschoold, voor wie geen passend werk bestaat, en die niet over de juiste contacten beschikken. Het is deze almaar toenemende groep westerlingen tot wie eveneens de zogeheten ‘populisten’ zich richten, en over wie Ian Buruma zich, vanuit zijn geprivilegieerde positie, zich zo denigrerend uitlaat met opmerkingen als deze: ‘In our populist age, right-wing ideologues have managed to move in high circles, by muting their overt racism and disguising their bigotry under a lot of smart patter.’ Op deze manier kan hij als opiniemaker van de ‘liberal’ elite, zich progressief voordoen, door te pretenderen dat hij en z’n midden-klasse niet belast zijn met ‘racisme’ en ‘fanatisme.’ Opvallend is dat hij zodoende het ‘precariat’ onzichtbaar maakt, en dat dit juist de bedoeling is, aangezien hij en zijn elite niet over een oplossing voor dit probleem hebben. Bovendien hebben de geprivilegieerden geen last van de neoliberale ontwikkeling, omdat hun kinderen door nepotisme, de ‘old boy’s network,’ de bekende vriendjespolitiek, altijd wel op een geschikte positie terecht komen. Daar zien hun streberige ouders nauwlettend op toe. Ons kent ons; ik heb dit mijn werkzaam leven lang van dichtbij kunnen observeren. Voor dit slag mensen wordt elk contact bepaald door de vraag: heb ik hier iets aan? Het is deze instrumentele houding die de huidige maatschappij zo kil heeft gemaakt, en is tevens één van de redenen waarom het neoliberalisme dermate succesvol heeft kunnen opereren dat het in een parlementaire democratie een ‘precariat’ kon scheppen. Professor Standing wijst op het volgende interessante feit:
The precariat’s historical antecedents were the ‘banausoi’ of ancient Greece, those required to do the productive labour in society (unlike slaves, who labored only for their owners). The ‘banausoi’ regarded by their superiors as cramped in body and ‘vulgar in mind,’ had no opportunity to rise up the social scale. They worked alongside the metics (resident aliens), admitted craftsmen with limited rights. With the slaves, these two groups did all the labor, without expectation that they could ever participate in the life of the polis. The ancient Greeks understood better than our modern policy makers the distinctions between work and labor and between play and leisure, or what they called ‘schole.’ Those who did labour were non-citizens. Citizens did not do labor; they indulged in praxis, work in and around the home, with family and friends. It was ‘reproductive’ activity, work done for its own sake, to strengthen personal relationships, to be combined with public participation in the life of the community. Their society was inequitable by our standards, particularly in the treatment of women. But they understood why it was ridiculous to measure everything in terms of labor.
De vraag is daarom: wat gaat de westerse financiële en politieke macht doen met het ‘precariat,’ nu het neoliberalisme gebaseerd is op een ’24-uurseconomie’van produceren en consumeren, die ‘samenhangt met de toename van het aantal flexwerkers,’ waarmee de sociale zekerheid sterk is afgenomen? De NRCberichtte op 14 december 2015 dat alleen al in Nederland de ‘afgelopen tien jaar het aandeel werkenden met een flexibele arbeidsrelatie in Nederland [is] toegenomen van 15 procent (2004) tot 22 procent (2014). Het aandeelzzp’ers is in diezelfde periode toegenomen van 8 naar 12 procent.’ Deze mensen kunnen hun inkomen van de ene op de andere dag verliezen, en zijn daardoor volledig afhankelijk geworden van de nukken en kuren van de zogeheten ‘vrije markt,’ die voor zieken, sociaal zwakkeren, geestelijk of lichamelijk gehandicapten natuurlijk geenszins ‘vrij’ is. En wat te doen met het feit dat:
A heroin epidemic is on fire all across America. Heroin deaths shot up from 1,779 in 2001 to 10,574 in 2014 as Afghan opium poppy fields metastasized from 7,600 hectares in 2001 (when the War in Afghanistan began) to 224,000 hectares currently.
The Taliban outlawed opium in Afghanistan in 2000 and within a year it was all but gone, demonstrating that Afghan opium can be eradicated quickly for any administration that chooses to do so. Afghanistan is, by far, the number one source globally of both opium and heroin.
In 2014, 7,554 tons of raw opium were produced worldwide, including 6,400 tons in US-occupied Afghanistan and 173 tons from Mexico and Colombia. Opium plus chemicals (like acetic anhydride) produce heroin. US-occupied Afghanistan produces 85% of the world’s heroin. Mexico and Colombia produce only 2% of the world’s heroin. Mexico and Colombia produce enough heroin for only 115,000 heroin addicts.

Deze informatie is daarom zo belangwekkend omdat de gerenommeerde Amerikaanse onderzoeksjournalist Douglas Valentine van de toenmalige CIA-directeur William Colby toestemming kreeg om beleidsbepalers van de CIA te interviewen, waardoor hij ontdekte dat:

[t]he Bureau of Narcotics was removed from Treasury and recreated as the Bureau of Narcotics and Dangerous Drugs in the Justice Department in 1968, because it had gathered indisputable evidence that the CIA was running the Golden Triangle narcotics business. The heroin being sold to American soldiers in Vietnam was coming from the CIA’s clients in Laos. Al McCoy wrote about this back in 1972. The CIA was protecting the major opium producers in the Golden Triangle, just like they’ve been protecting the major drug dealers in Afghanistan for the last fifteen years. They were funneling heroin and opium to their warlords in South Vietnam as a payoff for advancing the US policies that were detrimental to their own country. The CIA bought their services by allowing them to deal narcotics, and a lot of the dope made its way back to the homeland through enterprising soldiers and various criminal organizations. It was a criminal conspiracy of the highest order.
The National Security Establishment realized the conspiracy was on the verge of being exposed in 1968, so it pulled various executive management, enforcement and intelligence functions out of the Bureau of Narcotics and Dangerous Drugs and gave them to the CIA, so the CIA could protect its drug smuggling assets around the world. At that point federal drug law enforcement became an adjunct of national security,
aldus Valentine in zijn boek The CIA As Organized Crime. How Illegal Operations Corrupt American and the World (2017), waarin hij 416 pagina’s lang gedocumenteerd uiteenzet dat
by studying the relationship between the CIA and federal drug law enforcement, you can see why I refer to the CIA as the organized crime branch of the US government. Nowhere is that more evident than in how it controls international drug networks. If you’re a general in Bolivia and you’re assassinating leftists, the CIA will allow you to deal drugs. If you’re Manuel Noriega and you’re providing intelligence on revolutionaries in Central America, you’re allowed to deal drugs. If you’re a South Vietnamese general or an Afghan warlord, you’re allowed to deal drugs because you’re furthering the national security interests of the United States, which means its corporate, as well as political and social interests. In order for this to happen, two things are important: the CIA has to control certain branches of the DEA, and it has to control the media. And it has systematized its control over these institutions.
Het is niet verbazingwekkend dat drugsverslaving onder het ‘precariat’opvallend hoog is, en dat die verslaving de houding van de overtolligen dépolitiseert. Dinsdag 30 mei 2017 benadrukte senator Bernie Sanders tegenover ‘graduating students’ dat ‘entering an oligarchic society — like one the United States is fast becoming — will demand vigilance and perseverance on their parts.’ Hij vertelde:
Today, the top one-tenth of 1% now owns almost as much wealth as the bottom 90%. Twenty Americans now own as much wealth as the bottom half of America and one family now owns more wealth than the bottom 42 percent of our people. In the last 17 years, while the middle class continues to decline, we have seen a tenfold increase in the number of billionaires. Today in America CEOs are earning almost 350 times more than the average worker makes. In terms of income, while you and your parents are working in some cases two or three jobs, 52 % of all new income goes to the top 1%.
At the same time as we have more income and wealth inequality than any other major nation, 43 million Americans live in poverty, we have the highest rate of childhood poverty of almost any major country in earth, half of older workers have nothing in the bank as they approach retirement and in some inner cities and rural communities, youth unemployment is 20, 30, 40%. Unbelievably, in our country today as a result of hopelessness and despair we are seeing a decline in life expectancy. People are giving up. And they’re turning to drugs, to alcohol, and even to suicide. And because of poverty, racism today in a broken criminal justice system we have more people in jail than any other country on Earth. Those people are disproportionately black, Latino and Native American.
Directly related to the oligarchic economy that we currently have is corrupt political system which is undermining American democracy and it’s important we talk about that and understand that. As a result of the disastrous Citizens United Supreme Court decision, corporations and billionaires are able to spend unlimited sums of money on elections. The result is that today a handful of billionaires are spending hundreds of millions of dollars every single year, often on ugly 30-second TV adds, helping to elect candidates who represent the rich and the powerful get elected.
And we are seeing the results of how oligarchy functions right now in Congress where the Republican leadership wants to throw 23 million American off of health insurance, cut Medicaid by over $800 billion, defund Planned Parenthood, cut food stamps and other nutrition programs by over $200 billion, cut Head Start and after school programs, and by the way, make drastic cuts in Pell grants and other programs that help working class kids be able to go to college.
And, unbelievably, at exactly the same time that they are throwing people off health care, making it harder to people to go to college, they have the chutzpah to provide the $300 billion in tax breaks to the top 1%. In other words, the very, very rich are getting richer and they get huge tax cuts. The working class and the middle class are struggling and they are seeing drastic cuts in life or death programs that could mean survival or not for those families.
In tijden dat de sociale structuur van een samenleving onder druk staat, zijn ‘drugs, alcohol, and even suicide’ fenomenen die de sociale onrust dempen. Guy Standing wijst daarbij op het volgende: ‘one way of looking at the precariat is seeing how people come to be doing insecure forms of labor that are unlikely to assist them to build a desirable identity or a desirable career.’Iemand die zich overtollig weet, kan daaraan nooit een volwaardige identiteit ontlenen. Hij/zij zal altijd het gevoel houden niet werkelijk mee te tellen. Zijn/haar zelfrespect en gevoel voor waardigheid worden door die voortdurende vernedering fundamenteel aangetast. Maar dat interesseert Ian Buruma niet, ondanks al zijn gepoch over ‘universele waarden’ en ‘de rechten van de mens,’net zo min als zijn vader waarde hechtte aan het feit dat de nazi’s de grondwet in Nederland buitenspel hadden gezet, toen hij in 1941 rechten ging studeren. Deze onverschilligheid is in feite een psychische stoornis, in die zin dat het geen rekening houdt met de gemeenschap, waarvan ieder mens een onderdeeltje is. Een treffend voorbeeld hiervan gaf David Brooks, een conservatieve ideoloog en opiniemaker van The New York Times, die in
his columns, and even more so in his weekly appearances on NPR and PBS, he plays the role of the thoughtful, non-screaming conservative, his very presence affirming the ideological balance that, until November 8th of last year, was a prized hallmark of ‘respectable’ journalism. Just as that balance always involved considerable posturing, so, too, with the ostensible conservatism of David Brooks: it’s an act,
aldus in 2017 de Amerikaanse oud-kolonel en emeritus hoogleraar, de historicus Andrew Bacevich. Brooks, die van joodse huize is, wordt door Wikipedia als volgt omschreven:
Before the 2003 invasion of Iraq, Brooks argued forcefully for American military intervention, echoing the belief of commentators and political figures that American and British forces would be welcomed as liberators… In writing for The New York Times in January 2010, Brooks described Israel as ‘an astonishing success story.’ He wrote that ‘Jews are a famously accomplished group,’ who, because they were ‘forced to give up farming in the Middle Ages… have been living off their wits ever since.’ In Brooks’ view, ‘Israel’s technological success is the fruition of the Zionist dream. The country was not founded so stray settlers could sit among thousands of angry Palestinians in Hebron. It was founded so Jews would have a safe place to come together and create things for the world.’ […]
Brooks met his first wife, the former Jane Hughes, while both were students at the University of Chicago. She converted to Judaism and changed her given name to Sarah. In November 2013, David and Sarah Brooks divorced. In 2017, Brooks married his former research assistant, writer Anne Snyder.
According to The Jewish Journal of Greater Los Angeles, in a September 2014 interview with the Israeli newspaper Haaretz, Brooks said that his oldest son serves in the Israel Defense Forces.

Meet The Press: David Brooks.

Als opiniemaker van De Groene Amsterdammer kwalificeerde Henk Hofland zijn collega David Brooks als ‘een goed vakman: hij onthult,’ waaraan de stem van de polderpers toevoegde:
Een dag na de herdenking van 9/11 hoorde hij tot het kleine groepje columnisten dat door president George W. Bush voor een gesprek van anderhalf uur op het Witte Huis was uitgenodigd. ‘De eerste vereiste voor een leider is dat hij gezag uitstraalt, en dat is Bush toevertrouwd.’ […] Bush staat boven het denken op de korte termijn dat zo typerend is voor de sfeer in Washington en het moderne leven in het algemeen. Hij denkt vér vooruit.
Kortom, we hebben hier volgens de normen van de gevestigde orde te maken met een man van gezag. En juist daarom is het onthullend te lezen wat deze ‘vakman’te melden heeft over het almaar toenemende ‘precariat.’ Om zijn punt te maken, neemt Brooks eerst een aanloopje door te vermelden dat
we’re living in an age of global populism, a historic transition as profound as those in 1848, 1905 and 1968. Around the world, the old political divides are being replaced, and political geographies are being redrawn. One way to capture the emerging divide is by using the British writer David Goodhart’s distinction between Somewheres and Anywheres.
Somewheres are rooted in their towns and have ‘ascribed’ identities — Virginia farmer, West Virginia coal miner, Pennsylvania steelworker. Anywheres are at home in the global economy. They derive their identity from portable traits, like education or job skills, and are more likely to move to areas of opportunity.
Saillant is dat de in hun voortbestaan bedreigde ‘somewheres’ geworteld zijn, ergens bijhoren, een ‘identiteit’ bezitten, terwijl de ‘anywheres’ nergens geworteld zijn, nergens bijhoren, en als zodanig identiteitsloos blijven, ondanks hun scholing of werkvaardigheden. De ‘somewheres’ zijn het product van een gemeenschapsleven, en zijn, volgens Brooks de ‘losers.’ De ‘anywheres’ zijn het product van een van zichzelf vervreemd bestaan, de ‘anywheres’ zitten gevangen in ‘een proces waarbij mensen zich niet meer eigen voelen omdat men het idee heeft geen invloed te kunnen uitoefenen op de ontwikkelingen,’ maar zij zijn de ‘winners,’ althans zo oordeelt Brooks. Vanuit cultureel oogpunt is ‘Anywhere’evenwel ‘Nowhere!,’ zoals John Berger ooit schreef, om dit als volgt te verduidelijken:
People everywhere — under very different conditions — are asking themselves — where are we? The question is historical not geographical. What are we living through? Where are we being taken? What have we lost? How to continue without a plausible vision of the future? Why have we lost any view of what is beyond a lifetime?
The well-heeled experts answer: Globalization. Post-Modernism. Communications Revolution. Economic Liberalism. The terms are tautological and evasive. To the anguished question of Where are we? the experts murmur: Nowhere!
Het ‘Nergens!’ is de totale vervreemding. Voor Brooks geldt dat het saamhorigheidsgevoel tot het verleden behoort, de toekomst is de anomie. Duidelijker verwoord kan het niet, in het verleden stond de mens centraal, in de toekomst alleen nog het winstprincipe. Vervolgens stelt Brooks dat
This template for analyzing our politics is as explanatory as any. Recently, for example, Michael Kruse had a fine article in Politico about Trump supporters in Johnstown, Pa. The people he described are classic Somewheres. The steel mills are gone and everybody sort of knows that they are never coming back, but the people remain. The things they value are there, they don’t really have the skills to pack up and be an Anywhere, and they love Trump because he sticks his finger in the eyes of the Anywheres who have made their world worse.
The thing about this new set of battle lines is this: It redraws the political map. The cities are dominated by Anywheres. The rural areas are dominated by Somewheres. But the growing suburbs are no longer divided. They are Anywhere all the way through. Last Tuesday, exurban Loudoun County went Democratic 60 to 40 percent. That’s nearly the same as inner-ring Fairfax County, which went Democratic 67 to 31 percent.

Brooks’ stelling spreekt voor zich, de ‘losers’ stemmen op de Republikeinen, de ‘winners’ op de Democraten. Zijn volgende stap is voor de hand liggend:

Populism has made the Republicans a rural party and given the Democrats everything else. In Virginia, Democrats won by a landslide among anybody who grew up in the age of globalization. Among voters 18-29, they won by an astounding 69 to 30 percent. Among voters 30-44, they won by 61 percent to 37 percent.
We could be seeing the creation of a new Democratic heartland, exurbia, and this alignment could hang around for a while. The stain Trump leaves on the G.O.P. will take some time to wash away. But this is bigger than Trump; it’s an alignment caused by the fundamental reality of the populist movement.
But does this mean Democratic dominance is baked in the cake? Here I would say, not so fast. It’s worth remembering that the Democrats don’t quite deserve this victory. It didn’t come about because of some masterly Democratic strategy. The Democrats won because the Republicans decided to shrink their coalition.
Met andere woorden, het feit dat de Republikeinen, met voorop Trump, de kant van de ‘losers’ hebben gekozen, maakt hen tot een ‘populist movement,’ die ten dode is opgeschreven, de Democratenhebben de tussentijdse verkiezingen gewonnen, omdat de Republikeinen domweg geen tegenspel konden bieden. ‘So far, so good.’ Maar hoe nu verder? Opnieuw Brooks:
it’s worth looking around the world and noting that center-left parties are in decline across Europe and beyond. These parties have lost touch with working class voters and are finding they can’t simply replace them with a mixture of identity politics and faculty lounge populism. What we’re seeing around the world is not the rise of left-wing dominance but the decline of major parties and the fragmentation of political parties across the board.
The crucial question going forward is what will the Democrats do? Will they make places like Loudon County (van oudsher Republikeins gebied dat sinds november 2017 in handen is van de Democraten. svh) their heartland, or will they amputate themselves the way the Republicans did, and retreat back to the cities?
Brooks’ ‘cruciale vraag’ is dus of de Democratische Partij haar traditionele achterban nog meer dan voorheen aan zijn lot overlaat, en de groeiende groep ‘losers’ doorschuift naar de Republikeinsepopulisten, of dat er bij de ‘liberals’ nog plaats is voor de slachtoffers van het neoliberale bestel. Brooks voorspelt het volgende:
Here’s how you can tell which way the Democrats are going. If they talk mostly about oligarchy and rich financiers, they are retreating to their base. But if they talk about mobility — geographic mobility, economic and social mobility, intellectual and spiritual mobility, they are talking the language of the suburbs. And if they have practical plans to enhance universal mobility, the age of Democratic dominance will be at hand.
Kortom, hier stelt een vooraanstaande opiniemaker van de The New York Times —de meest gezaghebbende ‘liberal’ spreekbuis van het establishment — dat de ‘liberal’ Democratische Partij haar achterban van ‘somewheres,’ die ‘are rooted in their towns and have “ascribed” identities,’ zal verraden door de kant te kiezen van de ‘anywheres’ die ‘are at home in the global economy.’ Anders gesteld: voor de ‘losers’ is in de neoliberale maatschappij geen plaats. Immers, politici die hen steunen ‘amputate themselves the way the Republicans did,’een conclusie die natuurlijk ook de Republikeinen na het eerste grote verlies zullen trekken. De logica van de parlementaire ‘democratie’ onder het neoliberalisme zal de vervreemding van de inwisselbare ‘anywhere’ alleen maar vergroten, evenals de verpaupering van de overtollige ‘somewhere.’ Daarmee zal ook de ‘identiteit’ van de ‘somewheres,’ die ‘are rooted in their towns’ worden vernietigd. Die identiteit is gebaseerd op de onderlinge solidariteit die de Europese overtolligen, na aankomst in de ‘Nieuwe Wereld,’ generatie na generatie wisten op te bouwen om zo als gemeenschap te kunnen overleven, en waarbij de sterkeren de zwakkeren hielpen. Maar voor solidariteit, de onderlinge empathie die de westerse burger een plaats gaf in de samenleving, is geen rol meer weggelegd in de neoliberale vechtmaatschappij, met haar ideologie van ‘the survival of the fittest.’ 

Wat nu heerst is de barbaarsheid van de ‘homo homini lupus,’ de van origine Latijnse gezegde dat ‘de mens een wolf [is] voor zijn medemens,’ en dat zeventien eeuwen later door de Engelse filosoof Thomas Hobbes weer werd aangehaald om daarmee aan te geven dat de mens zelfzuchtig is, en de ander tot prooi maakt. Die roofzuchtige mentaliteit weerklinkt ook in de minachting en grofheid van Ian Buruma wanneer hij met betrekking tot de ‘losers’ beweert: ‘In our populist age, right-wing ideologues have managed to move in high circles, by muting their overt racism and disguising their bigotry under a lot of smart patter,’ daarmee implicerend dat in de ‘lower circles’ de slachtoffers van het neoliberalisme slechts gemotiveerd worden door ‘racism’ en ‘bigotry,’en niets anders. Op die manier hoeft hij niet in te gaan op de redenen waarom een groeiend aantal westerse burgers uit wanhoop meer vertrouwen heeft in ‘right-wing ideologues’ dan in de sociaal-democraten, c.q. ‘liberals,’ die zowel het neoconservatieve beleid van oorlogsvoering blijven steunen als de neoliberale agenda van enerzijds bezuinigingen en anderzijds miljarden-subsidies en belastingvoordelen voor de economische en financiële macht. Wie anders dan de Buruma’s zijn druk doende met ‘disguising their bigotry under a lot of smart patter.’? Met ‘fake news’ en ‘fake arguments’ trachten zij de corrupte en failliete status quo te beschermen. Eén van de meest scherpzinnige historici van na de Tweede Wereldoorlog, de Duitser Joachim Fest, wees in dit verband in zijn biografie over Hitler (1974) op het volgende:

It was the very craving to escape from ideas, concepts, and systems into some uncomplicated sense of belonging that provided Nazism with so many deserters from other causes.
Nazism tried to satisfy this craving by by inventing a multitude of new social arena’s; one of Hitler’s fundamental insights, acquired in the loneliness of his youth, was that people wanted to belong.
Dat Buruma dit niet werkelijk beseft is tekenend, aangezien ditzelfde intense verlangen naar ‘belonging’zijn eigen vader ertoe bracht om in 1941, tijdens nazi-bezetting, niet alleen rechten te gaan studeren, maar zich ook nog te onderwerpen aan het ‘vernederen met allerlei sadistische spelletjes,’ om op die manier bij het studentencorps te kunnen horen. ‘Mijn vader onderwierp zich, net als anderen van zijn stand, zonder te protesteren aan deze beproevingen. Zo ging (en gaat) dat nu eenmaal. Het was tenslotte mos,’ aldus zijn zoon Ian. En dit alles ‘kort nadat Joodse hoogleraren van de universiteiten waren verwijderd,’ en nadat, zo voegde mijn oude vriend hier zelf aan toe,
In Leiden de hoogleraar Rudolph Cleveringa daar in zijn beroemd geworden rede tegen [had] geprotesteerd; hij had een tandenborstel en een stel schone kleren meegenomen voor het geval hij zou worden gearresteerd, wat ook prompt gebeurde. De studenten, onder wie velen van het corps, besloten tot een staking. De universiteit werd gesloten. Het studentencorps in Amsterdam was al door de eigen leden ontbonden na de uitsluiting van Joodse studenten.
Waarom collaboreerde Leo Buruma in 1941, toen niemand nog kon weten dat de nazi’s zouden verliezen, met de toenmalige machtsverhoudingen? Sterker nog, Nederlands meest gerespecteerde opiniemaker, wijlen, Henk Hofland, schreef in zijn boek Tegels Lichten (1972) daarover:
in de zomer van 1940 raakten in Nederland veel mensen zodanig onder de indruk van de kracht der Duitse volkseenheid dat ze niets efficiënters meer konden geloven. Hun respect was vermomd als geloof aan de Duitse eindoverwinning, en de verklaring en rechtvaardiging daarvoor waren eigenlijk al voor de oorlog bedacht.
De vraag over Ian Buruma’s vader is bovendien zo interessant omdat hij na de oorlog met een joodse vrouw trouwde. Het enige plausibele antwoord is dat hij destijds ergens bij wilde horen en zich daarom aanpaste aan de nazi-bezetting en de vernederingen en het sadisme van het corps. ‘Zo ging (en gaat) dat nu eenmaal. Het was tenslotte mos,’ en ‘net als anderen van zijn stand’ deed mr. Leo Buruma mee, omdat ook hij ‘wanted to belong,’ net zoals naderhand zijn zoon Ian, gedreven door ambitie, zich conformeerde aan de huidige gevestigde orde. Driften kunnen in elke ‘stand’ nu eenmaal sterker zijn dan moraliteit. Juist daarom zou een mainstream-opiniemaker moeten begrijpen wat de overtolligen momenteel drijft. Als zelfs de betere ‘stand’ zich laat ‘vernederen met allerlei sadistische spelletjes’ om toch maar in godsnaam ergens bij te kunnen horen, dan is het niet zo moeilijk te begrijpen dat ook ‘gewone’ mensen, die niet academisch geschoold zijn, hetzelfde verlangen kennen om ergens bij te horen. Wanneer de sociale structuur van een groot aantal burgers wordt vernietigd, en zij massaal worden vernederd door uitstoting, dan kan het niet anders dan dat dit politieke consequenties heeft. Van intellectuelen wordt niet verwacht dat zij daarvoor minachting tonen, zoals nu door de voltallige ‘liberal’pers wordt gedaan, maar dat zij uitleggen hoe de haat, rancune, ressentimenten onder de gedupeerden zijn ontstaan. Doen de massamedia dit niet, dan zullen de zogeheten ‘populisten,’ die wel beseffen ‘that people want to belong,’ opnieuw de macht in handen krijgen. ‘Zo ging (en gaat) dat nu eenmaal,’ en degene die dit niet begrijpt wil het niet begrijpen, omdat hij er zelf op korte termijn baat bij heeft om dit juist niet te begrijpen.

‘Dachautje spelen,’ ten tijde van Leo Buruma’s studentenjaren.

De houding van de Buruma’s van de mainstream-pers is niet alleen bot maar ook nog eens dom. Zonder ook maar het begin van een oplossing te kunnen bieden voor de problemen die inherent zijn aan het neoliberale kapitalisme, wijzen zij het groeiende verzet hiertegen af. De arrogantie en pedanterie waarmee dit gebeurt, toont de barbaarsheid van degenen die zich de ‘politiek-literaire elite’ wanen, de ‘liberal intelligentsia’ die niet het ‘vermogen’ bezit om ‘andermans ongeluk in de herinnering te bewaren, te delen in de rouw, dat het kenmerk van beschaving’ is, zoals de historicus Joachim Fest in zijn boek Tegenlicht. Een Italiaanse Reis (2003) het omschreef, en waaraan hij toevoegde dat ‘daaruit het wezenlijke verschil [bestaat] tussen mensen en barbaren.’ Het ieder voor zich in een vechtmaatschappij is in strijd met de beschaving, alleen de meest meedogenloze winnaars blijven dan over, tot ook zij gedecimeerd zullen worden, en uiteindelijk de enige ‘winner’ overblijft. Hij zal een ontzielde wereld in handen krijgen. Dansen op de rand van de vulkaan. De Duitse historicus Leopold von Ranke (1795 — 1886) formuleerde het als volgt:
Neither blindness nor ignorance corrupts people and governments. They soon realize where the path they have taken is leading them but there is an impulse within them, favored by their natures and reinforced by their habits which they do not resist; it continues to propel them forward as long as they have a remnant of strength. He who overcomes himself is divine. Most see their ruin before their eyes; but they go on into it.
Het gebeurt nu, vóór onze ogen, en zij zullen ons allen de ‘ondergang,’ in de ondergang meeslepen, door de onbedwingbare ‘impulse within them, favored by their natures and reinforced by their habits which they do not resist.’ Dit geldt zowel voor de elite als haar woordvoerders in de ‘vrije pers.’In zijn studie Beyond Hypocrisy: Decoding the News in an Age of Propaganda (1993) benadrukte de Amerikaanse hoogleraar Financiën, wijlen, Edward S. Herman
that the mainstream media not only allow the agendas of news to be bent in accordance with state demands and criteria of utility, they also accept the presuppositions of the state without question. Most important, they accept the nominal objectives of the state as real, and rarely probe into the actual reasons for state policy and actions.
Binnen de context van een gecorrumpeerde ‘democratie,’ en de berichtgeving van de propagandistische mainstream-pers, berichtte het ANP op dinsdag 14 november 2017 dat volgens de Nederlandse minister van Binnenlandse Zaken, mevrouw Kasja Ollongren, van D’66, een ‘politieke partij van sociaal-liberale signatuur’ die ‘lid’ is ‘van de Alliantie van Liberalen en Democraten voor Europa’ dat ‘Vooral vanuit Rusland [geprobeerd] wordt met nepnieuws de Nederlandse publieke opinie te beïnvloeden.’ Zij beweert in een brief aan de Tweede Kamer:
‘Nederland staat in het vizier van onder meer de Russische inlichtingendiensten,’ schrijft de D66-minister. Ze noemt de verspreiding van nepnieuws een gevaar voor Nederland.
Ollongren wil om de tafel met media- en technologiebedrijven om dit soort praktijken te voorkomen. ‘Het kabinet zal in gesprek gaan met deze partijen over hoe (heimelijke) politieke beïnvloeding kan worden tegen gegaan.’
Facebook en Google zeggen tegen de NOS dat er nog geen uitnodiging binnen is, maar dat ze ‘uiteraard bereid zijn om met de minister in gesprek te gaan.’ De twee bedrijven wilden verder nog niet inhoudelijk reageren.
Russische bemoeienis in de EU was gisteren ook een belangrijk gespreksonderwerp bij de vergadering van Europese ministers van Buitenlandse Zaken en Defensie in Brussel… Ook een opperbevelhebber van de NAVO sprak tijdens die ontmoeting over een ‘destabiliseringscampagne’ vanuit Rusland.
En ook in Londen lanceerde premier May een aanval op de Russische bemoeienis tijdens een diner met belangrijke personen uit het bedrijfsleven. May betoogde dat de regering van president Poetin probeert om ‘vrije samenlevingen te ondermijnen’ met de verspreiding van nepnieuws en tweedracht te zaaien in de westerse wereld. ‘We weten waar u mee bezig bent en u zult uw doel niet bereiken,’ zei May aan het adres van Vladimir Poetin.
Zodra de interne cohesie teloor gaat, blijft de elite maar één ontsnappingsweg over om zich te rechtvaardigen, en dat is het creëeren van een externe vijand die het vaderland bedreigt. De Britse auteur George Orwell wees in zijn essay Politics and the English Language op de rol die taal in deze tactiek speelt. Al in 1945 waarschuwde hij voor de
staleness of imagery: the other is lack of precision. The writer either has a meaning and cannot express it, or he inadvertently says something else, or he is almost indifferent as to whether his words mean anything or not. This mixture of vagueness and sheer incompetence is the most marked characteristic of modern English prose, and especially of any kind of political writing. As soon as certain topics are raised, the concrete melts into the abstract and no one seems able to think of turns of speech that are not hackneyed (banaal. svh): prose consists less and less of words chosen for the sake of their meaning, and more of phrases tacked together like the sections of a prefabricated hen-house.

Wat is gezien Ian Buruma’s ‘betrekkelijk goedaardige imperialisme uit Washington’ nog de ‘betekenis’ van begrippen als ‘goedaardig,’ of ‘nepnieuws,’ of ‘democratie’ of ‘vrije samenleving,’ of ‘publieke opinie,’etcetera? En wat blijft erover wanneer we al deze propagandistische begrippen aan elkaar verbinden ‘like the sections of a prefabricated hen-house’? Verduidelijkt de taal iets, of vergroot zij alleen maar de chaos? In hun uitgebreid gedocumenteerde studie Manufacturing Consent. The Political Economy of the Mass Media (1988) concludeerden Edward S. Herman en Noam Chomsky dat, ondanks de alomtegenwoordige invloed van de mainstream-media,

[t]his system is not all-powerful, however. Government and elite domination of the media have not succeeded in overcoming the Vietnam syndrome and public hostility to direct U.S. involvement in the destabilization and overthrow of foreign governments. A massive Reagan-era disinformation and propaganda effort, reflecting in large measure an elite consensus, did succeed in its major aims of mobilizing support for the U.S. terror states (the ‘fledgling democracies’), while demonizing the Sandinistas and eliminating from Congress and the mass media all controversy beyond tactical debate over the means that should be employed to return Nicaragua to the ‘Central American mode’ and ‘contain’ its ‘aggressiveness’ in attempting to defend itself from a murderous and destructive U.S. assault on all fronts. But it failed to win public support even for proxy army warfare against Nicaragua, and as the costs to the U.S. mounted, and the proxy war accompanied by embargo and other pressures succeeded in restoring the ‘Central American mode’ of misery and suffering in Nicaragua and of the aborting the highly successful reforms and prospects for development of the early years after the overthrow of Washington’s ally Somoza, elite opinion too shifted — quite dramatically, in fact — toward resort to other, more coast-effective means to attain shared ends. The partial failures of the very well organized and extensive propaganda effort, and the simultaneous rise of an active grass-roots oppositional movement with very limited media access, was crucial in making an outright U.S. invasion of Nicaragua unfeasible and driving the state underground, to illegal clandestine operations that could be better concealed from the domestic population — with, in fact, considerable media complicity.
Beide Amerikaanse hoogleraren schreven dit dertig jaar geleden, inmiddels heeft de media-steun aan de Amerikaanse agressieoorlogen sinds 2001 aangetoond dat de ‘vrije pers,’ inmiddels dermate ‘embedded’ is in de neoliberale en neoconservatieve structuur, dat elke grootschalige terreur-campagne tamelijk moeiteloos aan het grote publiek kan worden verkocht. Het Amerikaanse- en NAVO-geweld tegen Afghanistan, Irak, Libië, Syrië demonstreren dit. In een poging de aandacht zoveel mogelijk af te leiden is bijvoorbeeld NRC Handelsbladal geruime tijd bezig met een propaganda-campagne, waarbij het thema ‘Waarom Russische inmenging een groot thema moet worden,’ centraal staat. Moskou wordt door de zelfbenoemde ‘kwaliteitskrant’ met een minimum aan bewijs beschuldigd van het massaal verspreiden van zogeheten ‘nepnieuws.’Deze beschuldiging is tevens zo opmerkelijk omdat de zelf met de regelmaat van de klok ‘fake news’ verspreidt. Zo adviseerde de krant in een redactioneel commentaarop 20 maart 2003, de dag dat de — volgens het internationaal recht — ‘illegale’ Shock and Awe-campagne tegen Irak begon:
Nu de oorlog is begonnen, moeten president Bush en premier Blair worden gesteund. Die steun kan niet blijven steken in verbale vrijblijvendheid. Dat betekent dus politieke steun — en als het moet ook militaire.

Waarom Nederland aan een oorlogsmisdaad moest deelnemen, maakte de NRC-redactie niet duidelijk. Even onduidelijk bleef wat het schenden van het internationaal recht te maken had met de Verlichting en de Vrijheid. Sterker nog, tijdens de Neurenberger Processen verklaard de Amerikaanse hoofdaanklager Robert H. Jackson, dat:

To initiate a war of aggression, therefore, is not only an international crime; it is the supreme international crime differing only from other war crimes in that it contains within itself the accumulated evil of the whole.
en:
If certain acts and violations of treaties are crimes, they are crimes whether the United States does them or whether Germany does them. We are not prepared to lay down a rule of criminal conduct against others which we would not be willing to have invoked against us.
en:
This trial is part of the great effort to make the peace more secure. It constitutes juridical action of a kind to ensure that those who start a war will pay for it personally.
Desondanks beweerde de NRC-redactie bijna een halve eeuw later:
Het ware beter geweest als president Bush een overtuigend bewijs had kunnen overleggen van actieve betrokkenheid van Irak bij Al-Qaeda. Maar zoals de zaken vandaag staan, is dat allemaal niet meer van groot belang,
met andere woorden: hoewel er geen ‘bewijs’ was van de aanwezigheid van Saddam’s massavernietigingswapens en van Saddam’s contacten met Al-Qaeda, en hoewel er geen VN-mandaat was om het soevereine Irak aan te vallen, en er hier dus sprake was van een ‘supreme international crime differing only from other war crimes in that it contains within itself the accumulated evil of the whole,’ bracht NRC Handelsblad het ‘nepnieuws’ dat ‘steun’ aan een ‘ultieme internationale misdaad’ absoluut ‘niet’ kon ‘blijven steken in verbale vrijblijvendheid. Dat betekent dus politieke steun — en als het moet ook militaire.’ En dit alles terwijl eveneens de NRC-redactie en haar toenmalige hoofdredacteur, een jurist, wisten dat ‘[w]e are not prepared to lay down a rule of criminal conduct against others which we would not be willing to have invoked against us.’ Weliswaar hebIk de afgelopen jaren op deze weblog tientallen voorbeelden gegeven van het ‘fake news’ dat de mainstream-media verspreiden, maar dit geval is toch wel één van de grofste, aangezien deze ‘agressieoorlog’ meer dan een miljoen slachtoffers heeft veroorzaakt en de Arabische wereld in chaos heeft gestort. Desondanks steunt de NRC sinds enige tijd opnieuw een gecoördineerde nepnieuws-campagne, ditmaal gericht tegen de Russische Federatie. Ook voor de commerciële massamedia geldt het adagium van de Pruisische generaal Carl von Clausewitz dat ‘Oorlog de voortzetting [is] van politiek met andere middelen,’ of, zoals de NRC-reactie het destijds formuleerde: ‘[a]an de casus belli tegen Irak twijfelen we, maar niet aan oorlog als laatste middel.’ Hoewel de redactie niet geloofde dat Irak ‘een feitelijke oorlogssituatie’ had veroorzaakt ‘zodat men zelf gerechtvaardigd’was om ‘oorlogshandelingen uit te voeren,’ riep de krant Nederland op deel te nemen aan ‘a war of aggression,’ die ‘not only an international crime’ was, maar tegelijkertijd ‘the supreme international crime’ vertegenwoordigde ‘differing only from other war crimes in that it contains within itself the accumulated evil of the whole.’ Geen van de redactieleden is ooit juridisch aangeklaagd, laat staan veroordeeld voor het propageren van een ‘ultieme oorlogsmisdaad.’ Daarvoor zijn zij te nauw gelieerd aan de politieke, juridische, economische en financiële macht. Maar toch weten zij, net als u en ik, dateen moderne oorlog, al dan niet met de inzet van massavernietigingswapens, allereerst en vooral de zwakkeren tot slachtoffer maakt. Maar dit feit is voor de ‘vrije pers’ een te verwaarlozen detail, niet meer dan wat ‘collateral damage.’ Voor haar is dit geen probleem, zolang het maar ver weg van het Westen gebeurt, en voor het merendeel buiten zicht blijft. Pas wanneer het geweld ons treft, is er ineens sprake van terreur.

De huidige, witte hoofdredactie van de witte redactie van NRC Handelsblad, de zelfbenoemde kwaliteitskrant in het multiculturele Nederland. Een krant die, in strijd met het recht, opriep om deel te nemen aan de Shock and Awe-campagne tegen Irak.‘Lux et Libertas.’ Van links naar rechts: Egbert Kalse, Peter Vandermeersch, Marike Stellinga, Stijn Bronzwaer, Marcella Breedeveld

Het is niet verwonderlijk dat twee van de drie initiatiefnemers van de anti-Poetin website Raam op Rusland voormalige NRC-journalisten zijn, die om hun propaganda-activiteiten mogelijk te maken van de voormalige VVD/PVDA-regering bijna 300.000 euro als startkapitaal ontvingen, en wel omdat zij hun sporen hadden verdiend in het verspreiden van echt ‘nepnieuws.’ Het is slechts één van de ontelbare voorbeelden van de westerse media-corruptie.

Deze informatie demonstreert dat sinds Herman en Chomsky bewezen dat ‘an underlying elite consensus largely structures all facets of the news,’ en ‘issues are framed and topics chosen,’ de zelfcensuur en soms ook de censuur van de commerciële massamedia alleen maar is toegenomen. Het kan ook niet anders. De macht haat authentieke denkers. Zeker nu haar legitimiteit ter discussie staat, wil zij betrouwbare sycofanten, opiniemakers als Ian Buruma, en wenst zij absoluut geen autonoom opererende publicisten als de voormalige New York Times-correspondent Chris Hedges aan het woord laten in de mainstream-media. Meer daarover de volgende keer.

stanvanhoucke.blogspot.com · by stan · November 24, 2017