Screen Shot 2017-11-25 at 16.29.01

‘Zwarte Piet is Racisme’ is een te compromisloze leuze

groene.nl · by Shervin Nekuee

Joure – Twee bussen van de actiegroep Stop Blackface worden door tegendemonstranten tegengehouden op de A7 bij Joure. © ANP/ Niels Wenstedt

Onze jongste dochter Lara schreef deze week haar allereerste zin: ‘Ik ben blij.’ Het was haar niet gedicteerd. Het was een spontane expressie van een kinderziel, passend bij wie ze is en hoe onbesmette jonge geesten in het leven staan. Maar het had ook te maken met de vooruitzichten van de komst van Sinterklaas en de geweldige Pieten. En nee hoor, geen probleem, ze wilde best een Roet Piet zijn in plaats van een Zwarte Piet. Als dat maar hielp om het een feest voor iedereen te maken, van welke kleur dan ook. Het Zwarte Piet-dispuut is vooral een volwassenengevecht.

Nederland zou blij moeten zijn deze dagen. Sinterklaas is in het land, het enige echte blijmoedige sprookjesmoment dat over is in deze gedemystificeerde tijd. Maar ik zie vooral woede, aan alle kanten. Behalve bij de kinderen, die zijn nog blij en onbesmet.

Volgend jaar wordt het dertig jaar geleden dat ik in Nederland aankwam. Ik heb op weg naar dit – afhankelijk van mijn stemming, als mijlpaal respectievelijk, dieptepunt ervaren – tijdperk in toenemende mate flashbacks over hoe het toen was in Nederland. Men zegt dat je nooit op je eerste indrukken moet afgaan, maar bij mijn kennismaking met mijn ‘stiefland’ zeiden die eerste herinneringen het meest. Later was ik vooral in een survivalstand en was er weinig tijd om antropologisch te handelen en overpeinzen, en toen er wel weer tijd en ruimte was, was ik inmiddels zo ver gegaan in het adoptieproces dat ik nauwelijks meer subjectief kon oordelen over mijn Hollandse stiefland.

Nederland van toen vond ik sober. Ik had de bloedigste en benauwendste jaren in de Iraanse geschiedenis achter me gelaten. Hier was de vrijheid, hier waren sociale voorzieningen, hier was ruimte maar – behalve de totale hysterie na de Europese kampioenschappen voetbal die zomer van 1988 – deed men vooral erg gewoon. Men onderging het leven, droeg zijn kruis. Je beroep was je ‘roeping’ en spaarzaamheid was een groot goed. Hier was beheerste stilte de modus. Protestantisme werd nauwelijks meer in de Randstad beleden, maar stroomde in alle hevigheid door de aderen van een emotie-zuinige bevolking. Een groot contrast met Iran, waar alles ten goede en ten kwade in een overdaad aan expressie betekenis kreeg.

Toch had het volk ook een kleine plek op zijn zuinige kalender vrijgehouden om gek te doen. De huidige vreet- en zuippartijen met de Kerst waren toen nog niet in de mode geraakt. Sinterklaas was de heer en meester van het herfsttij op weg naar de winter. De goedheiligman werd begeleid door een assistent die in de regel grappiger en slimmer was dan hij. Zwarte Piet. Ja, die was zwart zoals de heiligman precies was zoals je kon verwachten: een witharige grijsbaard. Maar zo zwart-wit zag ik het toen helemaal niet. Wat ik zag was de bijna één-op-één-relatie tussen die twee en het duo dat in Iran op de belangrijkste dag van de Iraanse kalender – de eerste dag van de lente – in de straten danste, ‘de oude Oom Norouz en de grappige Hajij Firouz’. Ook een zwart-wit-act. Ik vond het een geruststellend teken van herkenning. In sober protestant Nederland zijn de feestbrengers toch afstammelingen van dezelfde archetypes als die bij de gepassioneerde Perzen. Er is toch iets dat mij met mijn stiefland verbindt, dacht ik bij mezelf. Meer zag ik niet in het schouwspel van Sinterklaas en zijn Zwarte Piet.

De tijden zijn veranderd. Nederland is hedonistisch geworden en individualistisch. Er gaat ook een aanhoudende wind van neoliberalisme door ons vocabulaire. Je moet ‘jezelf weten te verkopen’; de waarde van alles is een functie van een ‘verdienmodel’; aan alles hangt een ‘prijskaartje’. Ik weet niet of ik het als een compliment voor haar opvoeding kan beschouwen, als ik ooit hoor dat onze kleine Lara in haar volwassenheid zichzelf zo ‘goed kan verkopen’.

Een assertief volk is opgestaan, maar de samenleving voelt daardoor niet warmer aan. Integendeel, de door de consumptiesamenleving opgeblazen ego’s van onze tijd komen zelden tot saamhorigheid. En als ze samenkomen is het enkel om een grote vuist te maken tegen de ander, vaak gaat het om het aanpakken van de nieuwkomer, die op zijn plaats moet worden gezet zodra hij vraagt om ook met zijn voorkeuren en overtuigingen rekening te houden. Maar die vuist komt ook vaak terecht in het gezicht van die enkeling van publiekslievelingen, die wel een moreel appèl durft te doen: een Herman van Veen die Wilders fascist durft te noemen moet ‘zijn muil houden en ga maar liedjes schrijven’. Een Anouk die erop wijst dat Zwarte Piet leidt tot pesterij van zwarte kinderen moet vooral gaan zingen en ‘niet zeuren’. Assertief Nederland laat zich door niemand de les lezen. Je bent een loser als je zoekt naar verzoening, waarom zou je? Softie zijn is uit den boze. In de wereld van winstmaximalisatie en die van de ‘winner takes it all’. Je moet voor de volle winst gaan, altijd overal tegen iedereen, keihard – het is Trump Time in de mentale landschappen van Nederland. De rijdende rechter is een typisch fenomeen van deze tijd.

Achter deze assertiviteit gaat een grote eenzaamheid schuil. Typerend waren de typetjes die Sylvana Simons virtueel wilden lynchen op de sociale media. Je zag in die rechtbank de misère van Nederland uitvergroot. Eenzaam, alleen en verbitterd achter een laptop schreeuwend om aandacht, smachtend naar iets van een warm wij-gevoel. Een moment van broederschap, al is het ten koste van de ander.

Er is veel woede tegen de terechte eis om onze Piet te ontdoen van een uiterlijkheid die ideeën over rasseninferioriteit suggereert en cultiveert. Maar ook de anti-Zwarte-Piet-beweging weet geen raad met de Ander.

Als onze premier geconfronteerd met hardnekkige discriminatie op de arbeidsmarkt schouderophalend de immigranten oproept om zich maar ‘in te vechten’, kun je ook niet rekenen op een charmeoffensief van degenen die een multiculturele verandering willen bewerkstellingen. ‘Zwarte Piet is racisme’ als leuze mist wat mij betreft de nodige empathie met de tegenpartij. Een tegenpartij die van binnen verdeelder is en vertwijfelder dan het lijkt. Een grote groep Nederlanders die nauwelijks woorden heeft voor haar gemis en haar woede, die zich eigenlijk zou moeten verzetten tegen de verkilling van haar samenleving, maar niet verder komt dan de collectieve adrenaline op te pompen bij het blokkeren van het emancipatiepad van minderheden.

De anti-Zwarte-Piet-beweging beschikt over meer dan voldoende intelligentie om de diepere gronden van haar tegenhangers te doorzien. Maar het begrijpen van de woede van de andere partij is kennelijk niet haar ‘pakkie-an’. Ook de anti-Zwarte-Piet-beweging is een kind van haar tijd, een tijd die verzoening heeft verleerd.

Toch ligt er volop ruimte voor verzoening. Niemand binnen de anti-Zwarte-Piet-beweging wil het enige archetypische sprookje dat Nederland rijk is, zien verdwijnen. En ik durf te beweren dat negen van de tien lefgozers die afgelopen zaterdag de weg van demonstranten op weg naar Dokkum hebben geblokkeerd, als je ze apart zet en op de man vraagt of ze echt ten koste van jaarlijkse pesterijen tegen zwarte kinderen de Piet zwart willen houden, dan niet ja zouden zeggen. Dat de witte woede vooral de ander treft komt niet door racisme. Het vindt de juiste woorden niet, omdat de samenleving gedepolitiseerd is en ook demystificeert.

Er is nauwelijks een ander politiek denkkader over deze samenleving overgebleven dan het kille BV-NL-denken. En er is geen morele institutie overgebleven die de mens oproept tot een zekere bescheidenheid, lotsbeschikking en saamhorigheid. De enige verzoener was Sinterklaas, maar ook die is een symbool geworden van een met zichzelf worstelend land. Mijn stiefland zoekt naar nieuwe woorden.

Shervin Nekuee (Teheran 1968) kwam op negentienjarige leeftijd naar Nederland. Hij is socioloog en schrijver. Hij is curator van WINTERNACHTEN internationaal literatuurfestival te Den Haag. Het aankomende festival in januari 2018 gaat over ‘het verlangen naar een daadkrachtig wij-gevoel’. Dit artikel schrijft hij op persoonlijke titel.