Screen Shot 2018-01-12 at 13.10.51.pngColumn Ewald Engelen: Raworth en de polder

ftm.nl · by Ewald Engelen – 11-1-2018

Ruim negen maanden na het verschijnen van Kate Raworth’s ‘Doughnut Economics’ hebben de Nederlandse economen eindelijk hun oordeel klaar. De strekking: Raworth moet haar mond houden, en zich eerst maar eens beter in gaan lezen. Het laat maar weer eens zien waar de prioriteiten van deze poldereconomen liggen.

Er is geen sociaal-wetenschappelijke discipline die gedurende haar bestaan zoveel definities heeft weten te verzamelen als economie. Ze heet de naargeestige wetenschap te zijn; ze is een religie waarin de markt God heeft vervangen. Ze staat bekend als de wetenschap die stromen en voorraden verwart. Ze is de discipline die van alles de prijs kent, en van niets de waarde. Ze is de wetenschap die gaat over de allocatie van schaarse goederen.

Om redenen die in dit stuk duidelijk zullen worden, kies ik liever voor de definitie van Jeremy Bentham: economie is de kunde van de wetgever.

Historisch gezien is de discipline voortgekomen uit pogingen om de wetgever te helpen regels en wetten te formuleren die moesten leiden tot het grootste genot voor het grootste aantal mensen. Het suggereert een nauwe verwevenheid van staat en economie en illustreert de cruciale rol die economen hebben gespeeld bij de constructie van het ding dat we tegenwoordig ‘economie’ noemen.

En dat is nog altijd zo. De meeste economiestudenten belanden als ambtenaar op ministeries, denktanks en adviescolleges, waar ze kosten-batenanalyses maken voor hun publieke broodheren. Zeker in Nederland, met zijn lange traditie in economische planning en maakbaarheid, is dat het geval. Denk maar aan de allesbepalende rol van het Centraal Planbureau in het doorrekenen van beleidsvoornemens, regeringsverklaringen en partijprogramma’s.

Het geeft academische economen die zich aan de top van de piramide bevinden een grote verantwoordelijkheid voor de negatieve effecten van de beelden, concepten en modellen die onze waarneming van de economie bepalen.

Ecologische schade meten we niet, zien we niet, en bestaat dus niet

Omdat economieën uitzonderlijk complexe dingen zijn waar de begrenzingen lastig van zijn te trekken, gebruiken we noodgedwongen metoniemen om ze mee aan te duiden. De media staan er vol mee: neem Mark Rutte, die het steeds heeft over de BV Nederland, alsof dit land een bedrijf is. Of neem Angela Merkel, die de boekhouding van de Duitse staat vergelijkt met die van een gezin. Neem de gelijkschakeling van Nederland met de exportsector, of het gebruik van de term ‘vrije markt’ om een economie aan te duiden waarin het merendeel van de transacties binnen organisaties plaatsvindt.

Hoewel niet onwaar in een strikt wetenschapsfilosofische zin, drukken deze metoniemen op zijn best partiële waarheden uit. Daarmee bedoel ik te zeggen dat ze tegelijk licht werpen en verhullen: ze maken sommige delen van onze economie zichtbaar en dekken andere delen toe.

En doordat zij ten grondslag liggen aan het merendeel van onze economische politiek, hebben deze metoniemen grote gevolgen voor onze groeipaden — en dus voor ons collectieve en individuele welzijn. Jubelkreten over een stijging van het Bruto binnenlands product gaan bijvoorbeeld voorbij aan de grote ecologische en sociale schade die economische groei veroorzaakt. Maar dat laatste meten we niet en zien we dus niet. En wat we niet zien, dat bestaat niet.

Papieren werkelijkheid

In de sociologie heet dat met een duur woord: performativiteit. Via onze beelden, concepten en modellen creëren wij een papieren economische werkelijkheid die vreselijk kan schuren met de geleefde economie van alledag.

Raworth moest haar mond houden, en eerst maar eens gaan lezen

En deze modellen en concepten mogen qua complexiteit meestal ver verwijderd liggen van de laatste ontwikkelingen in de academische economiebeoefening — de universiteit is wel waar ze vandaan komen. De economie van het volk, om het zo maar te noemen, is de economie van de professor van twee of drie decennia geleden. Om de grote econoom John Maynard Keynes te citeren:

‘Practical men who believe themselves to be quite exempt from any intellectual influence, are usually the slaves of some defunct economist. Madmen in authority, who hear voices in the air, are distilling their frenzy from some academic scribbler of a few years back.’

Ruim negen maanden nadat Kate Raworth’s Dougnut Economics is verschenen, hebben de Nederlandse economen het zich zo zoetjesaan verwaardigd om op haar boek te reageren. De receptie hier te lande is zo overdonderend, dat ze wel moesten.

En dus bestond Bas Jacobs het in De Telegraaf om aan zijn lijstje van beste boeken van 2017 een waarschuwing over de Donuteconomie toe te voegen: lees dit boek vooral niet! Media-econoom Mathijs Bouman van Het Financieele Dagblad deed er nog een schepje bovenop: hij besteedde een column om uit te leggen waarom hij het boek niet zou gaan lezen – zonder het gelezen te hebben, uiteraard. In het ADbeschuldigde chef economie Sandra Phlippen Raworth er expliciet van te liegen over de actuele stand van de economische wetenschap — daarbij gemakshalve zwijgend over haar eigen leugens, toen ze in Buitenhof verkondigde dat er geen wetenschappelijke bewijs was voor de stelling dat glyfosaat kanker veroorzaakt.

Op Twitter werd Raworth ten slotte door een handvol Nederlandse economen opgeroepen om afstand te nemen van haar claim dat de neoklassieke economie, met haar heilig geloof in groei en de markt, medeverantwoordelijk is voor onze ecologische rampspoed. De kritiek kwam er op neer dat Raworth een stroman had gecreëerd en zich niet had vergewist van de laatste ontwikkelingen in de academische economiebeoefening: die hadden al haar tegenwerpingen allang onschadelijk gemaakt. Oftewel: Raworth moest haar mond houden, en eerst maar eens gaan lezen.

Economische propaganda

Het is illustratief voor de egocentrische, defensieve, arrogante en onverantwoordelijke aard van de neoklassieke economie. En wel om twee redenen.

“Het gaat om het voortbestaan van onze planeet, en waar struikelen de economen over? Over de aanval op hun academische tuintje”

Ten eerste, omdat het blijk geeft van een in het oog springend onvermogen dan wel omwil om het boek van je tegenstander eerst maar eens gewoon te lezen. Bouman is de meest extreme variant van wat gemeengoed onder Nederlandse economen is: we citeren alleen elkaar, kijken niet naar andere sociale wetenschappen, en doen met alles alsof we de eersten zijn die het heeft ontdekt. Het maakt niet uit of het over emoties, externaliteiten, sociale relaties, macht of instituties gaat. Zijn deze gebieden nochtans al decennia de onderzoeksobjecten van antropologie, sociologie en politicologie, ze worden voor economen pas interessant als een andere, in de VS opgeleide econoom ermee aan de haal gaat.

Kijk de lijst met Nobelprijswinnaars er maar op na: allemaal economen die hun prijs hebben verdiend door — zonder bronvermelding — van sociologen, politicologen en antropologen te stelen.

Raworth schrijft expliciet dat het haar niet gaat om het meest recente economische onderzoek. Net als Keynes is zij ervan overtuigd dat de economie uit de middelbare schoolboekjes veel belangrijker is: dáár staan de clichés in over economie die we dagelijks in kranten en op tv en radio aantreffen, en die zo verneukeratief makkelijk uit de kelen van onze politici en volksvertegenwoordigers komen rollen. En dat is dan ook de plek waar de verandering moet beginnen. De genoemde economen hebben echter nog niet een begin van verantwoordelijkheidsbesef getoond voor de economische propaganda die via deze schoolboeken onder onze kinderen wordt verspreid.

En ten tweede, omdat de kritiek op Raworth op schrijnende wijze laat zien waar de prioriteiten van deze lieden liggen. Waar het in Doughnut Economics om gaat is het voortbestaan van onze planeet. Niet meer, niet minder. En waar struikelen de polderlandse economen over? Over de aanval op hun academische tuintje.

Als je enige reactie op een boek dat een frontale aanval lanceert op de economische modellen die een uiterst uitbuitend en onduurzaam economisch systeem legitimeren, het verdedigen van je eigen discipline is, heb je wat mij betreft niets van je academische verantwoordelijk begrepen. Of andersom: als je economie ziet als de kunde die de wetgever moet helpen bij het uitvaardigen van wetten en regels die het welzijn van iedereen bevorderen, had je dit boek dan niet juist met beide handen aan moeten grijpen? Om de koppen van onze politici, volksvertegenwoordigers en journalisten van de onzin te verlossen die al te vaak nog aan de wieg staat van dat wat door moet gaan voor economisch beleid?

Soms denk ik dat het tijd wordt voor een hippocratische eed voor economen: een verplichte lezing van Kate Raworth’s Donuteconomie als rite de passage.

 

Nederlandstalige- geselecteerde- maar niet gepubliceerde artikelen:

[rss url=https://www.instapaper.com/folder/3512068/rss/6196606/hBBwhP0ZNQTzoQKPjMpBOlQ75o show_title=true show_links=ture show_summary=true show_author=true show_date=true recent=false]