Bas Heijne als ‘Courtisane’

stanvanhoucke.blogspot.com · by stan · March 20, 2018

Bas Heijne. ‘Cherubijn’? ‘Engeltje’? Nee, ‘Courtisane.’
De aan hysterie grenzende paranoia van NRC’s opiniemaker Bas Heijne maakt boven alles één ding duidelijk: de woordvoerders van het westerse bestel zijn in paniek. Deels omdat de neoliberale ‘democratie’ financieel, intellectueel en moreel failliet is, maar ook omdat het columnisme bij lichtgewichten onvermijdelijk in furieus geraaskal eindigt. Het publiek dient bovendien niet te vergeten dat de meeste columnisten in het kleine Nederland poseurs zijn. Voor hen blijft de inhoud altijd ondergeschikt aan de vorm. Belangrijk daarbij is te weten dat een poseur, in tegenstelling tot wat algemeen wordt aangenomen, geen aansteller is. Integendeel, tot op grote hoogte meent hij wat hij zegt op het moment dat de woorden uit zijn mond of pen komen. De pose is zijn overlevingsstrategie. Gelijk een kameleon van huidskleur verandert, wisselt hij (of zij) moeiteloos van rol. De ene dag is de poseur links, de andere dag rechts. Elk moment en in telkens weer veranderende omstandigheden moet hij zichzelf opnieuw bedenken. Hij is de hoofdpersoon in zijn eigen pulproman, een barokke dandy, een kitschfiguur, wiens optreden naadloos aansluit bij de behoeften van de postmoderne tijd. Een poseur kan alleen in een — van zichzelf vervreemde — massamaatschappij functioneren. Die vormt zijn toneel, de massa zijn applaudisserend publiek. In een gesloten gemeenschap, gedragen door samenhangende identiteiten, zou de columnist allang door de mand zijn gevallen, daar zou hij niet meer zijn dan een lachwekkende narcist.
Jaren geleden beschreef de scherpzinnige auteur Mohammed Benzakour, aan de hand van Pim Fortuyn’s optreden, het karakter van de poseur als volgt :
Pim is niet op zoek naar het middelpunt van de macht. Pim is op zoek naar het middelpunt van de belangstelling… Pim is als een stroboscooplamp die enkel schittert zolang er licht op valt. Maar als de schakelaar wordt overgehaald, verkommert Pim tot een bloem die lang geen water heeft gekregen… Pim heeft de Koude Oorlog verklaard, niet aan de islam maar aan de Anonimiteit… Wat Pim zijn eenzaam hart begeert, is een enorme Rode Loper, uitmondend op een Podium. Een groot houten podium met daarboven een strak gespannen koord. Zodat hij hoog boven het publiek kan zweven, zich kan uitleven in dans, zang, jongleren, jongens, sigaren. Opdat iedereen hem kan aanschouwen, bewonderen, beminnen.
De poseur en de media kunnen niet zonder elkaar, zij leven dankzij elkaar, ze vormen een symbiose in het almaar uitdijende rijk van de kitsch. Of zoals Milan Kundera het stelde:
Op grond van de dwingende noodzaak te behagen en zo de aandacht van het grootst mogelijke publiek te trekken, is de esthetiek van de massamedia onvermijdelijk die van de kitsch en naarmate de massamedia ons gehele leven meer omsluiten en infiltreren, wordt de kitsch onze dagelijkse esthetiek en moraal.
Vandaag de dag manifesteert de kitsch zich op elk maatschappelijk gebied, allereerst natuurlijk in de politiek, maar zeker ook in de mainstream-media, want zoals Kundera schreef:
Het woord kitsch verwijst naar een houding van degene die tot elke prijs zoveel mogelijk mensen wil behagen. Om te behagen dien je je te conformeren aan wat iedereen wenst te horen, in dienst te staan van pasklare ideeën, in de taal van de schoonheid en de emotie. Hij beweegt ons tot tranen van zelfvertedering over de banaliteiten die wij denken en voelen.
Eén van de wezenlijke kernmerken van kitsch is dat het meer wil lijken dan het is, aangezien het uitsluitend gericht is op effect. En omdat gedachten in een massacultuur niet het ultieme effect kunnen teweegbrengen bedient de poseur zich van sentimenten, verpakt in makkelijk te verteren meningen. Hij grossiert in frasen. Voor de poseur en zijn publiek tellen niet de feiten, maar de opinies, niet de hersenen maar de onderbuik. Hier doet zich het fenomeen ‘camp’ voor, volgens Van Dale’s woordenboek: ‘kitscherig, gemaakt, verwijfd, nichterig.’ WelnuPim Fortuyn was ‘camp,’ even ‘camp’ als de soms hysterische Bas Heijne. Ook hij speelt de politieke nicht, die enerzijds pleit voor het opvoeren van het zelf gecreëerde conflict met de Russische Federatie en anderzijds met een vette knipoog tegenover de NRC liet weten:
Gerrit Komrij – hij zat in een VPRO-forum en ik zat daar in mijn zwart fluwelen jasje, met die krullen, dat was meteen… Puur keurig hoor. Gerrit heeft zich altijd keurig gedragen,
kennelijk in de overtuiging dat de kwaliteitslezer hunkert naar ontboezemingen over zijn seksuele avonturen. Heijne looft daarbij niet de grootsheid van de ander, maar reduceert hem tot een anecdote in één van zijn vele trivialiteiten. Over één van de interessantste Nederlandse auteurs uit de babyboom-generatie, Frans Kellendonk, weet hij alleen te vertellen:
Ik heb één nacht met hem geslapen, begin jaren tachtig, wel safe, maar safe avant la lettre.
Het zal voor Bas — net fris uit de polder in Amsterdam neergestreken — ongetwijfeld een verpletterende belevenis zijn geweest, maar om ruim drie decennia na dato daarvan kond te doen, zonder iets boeiends te vertellen over de diepzinnigheid van Kellendonk is toch wel heel erg beschamend voor iemand die zelf literaire pretenties erop nahoudt. Heijne merkt terloops op: ‘Je wordt een beetje een courtisane,’ en de lezer kan zich daarbij wel iets voorstellen, een schandknaapje die op ‘oude foto’s’ op ‘een cherubijn’ lijkt, of zoals Bas zelf zei: een‘engeltje, ja.’ Het zijn deze banaliteiten die Heijne’s verhaal in kitsch veranderen, en dan krijgt men dit soort gezever:
Heijne: Mensen die klagen dat ze niet gehoord worden, zijn eigenlijk niet bereid om te luisteren. Men wil zenden.
Interviewster: U zendt ook.
Heijne: ’Ja, dus ik begrijp het wel,’
maar vervolgens zwijgt het oude ‘engeltje’ over een mogelijk wezenlijke verschil tussen hem en de andere ‘[m]ensen die klagen.’ Doordat hij op zijn hoede blijft, en de interviewster niet door zijn pantser weet heen te breken, blijft ook het interview oppervlakkig.
Interviewster: Vorig jaar heeft u een tijdje geen columns geschreven. Wat was er?
Heijne: Soms is daar die sissende slang die zegt: je kunt het ook niet doen. Die columns, wat blijft ervan over? Alles verdwijnt in het zwarte gat.
Ik had het niet beter weten te verwoorden, Heijne schept ‘een zwart gat,’waaraan zelfs het licht niet kan ontsnappen, en dat een virtuele tegenwereld schept. De column is bij uitstek het wapen van de poseur in zijn strijd om erkenning. Hoewel ze in uiteenlopende gradaties en soorten voorkomen hebben de poseurs onder de columnisten één ding gemeen: na verloop van tijd gaan ze in hun eigen geconstrueerde waarheid geloven. Als vanzelf valt hij (of zij) automatisch terug op een pose. Z’n woorden zijn een schreeuw om aandacht. Hij wil behagen om bewonderd te worden. De opinie an sich interesseert hem niet zozeer, alleen het effect die zij teweegbrengt. En omdat in een massamaatschappij gedachten niet de ultieme impact opleveren, zet hij sentimenten in: het simplistische vooroordeel tegen het complexe oordeel, de impuls tegen de bezinning, de verholen suggestie tegen de beargumenteerde gedachte. Hij is de man van de soundbite, zijn wereld is eendimensionaal, even overzichtelijk als een stripboek.
De columnist is als een standup comedian, een hit en runfiguur, die met de snelheid van een tasjesdief te werk gaat. Daarbij moet hij als broodschrijver telkens weer een mening over van alles en nog wat fabriceren, hetgeen automatisch leidt tot een inflatie van meningen. Om dit te verdoezelen moet elke opinie de kracht van een donderslag krijgen. De minder bekwame columnist pompt zijn vruchteloze woorden op tot ze als reusachtige ballonnen boven hem zweven en met hem aan de haal gaan. Hij gebruikt de taal niet om inzicht te verschaffen maar om te heersen, om te straffen, om iemand in een hoek te dwingen en verbaal af te ranselen. Hij dicht de ander alle denkbare gruwelijkheden toe om zelf buiten schot te blijven. Hoe zwarter de ander wordt afgeschilderd des te onschuldiger lijkt hij. De column is voor hem een techniek, een foefje, een suikerspin van woorden; na vijf minuten is het op en weg. Het enige dat overblijft is plakkerige handen.
De column lijkt echt, maar zij is het niet. De woorden zijn te hol, de begrippen potsierlijk, de zinnen drijven in een niet doorleefde werkelijkheid. In zijn hang een maximaal effect te bereiken, vervalt de poseur onder de columnisten onherroepelijk in pathetiek. Hij uit zich in steeds heftigere bewoordingen, zijn toon wordt geëxalteerd, zijn opinies grotesk. Meningen worden door hem uitgemolken en verder aangescherpt tot ze een karikatuur van de werkelijkheid zijn geworden. Een jaar voor zijn dood wees de auteur Frans Kellendonk mij op een ander uiterst belangrijk verschijnsel:
Het gruwelijke is: zodra je iets opschrijft, verhardt het. Het gevaar is dat je er dan ook in gaat geloven, dat de dingen zijn zoals je zegt dat ze zijn. Wat je moet behouden is een scepsis, een vrijheid, het gevoel van de ongrijpbaarheid van alles. Dat vereist een geweldige krachtsinspanning.
Maar juist aan die scepsis ontbreekt het de poseur onder de columnisten, zijn stukje zou het niet verdragen, het zou dan te duidelijk worden dat er wartaal staat, wat bij close-reading al snel blijkt. De columnist en de schrijver leven in twee gescheiden werelden. Voor een auteur vormt de taal een moreel criterium, hij heeft niets anders. Hij weet, zoals de satiricus Karl Kraus schreef dat de ‘Taal de moeder [is] van de gedachte, niet haar dienstmeid.’ Die wetenschap ontgaat de mainstream columnist. Voor Heijne zijn woorden zelf in feite inhoudsloos, met als gevolg dat hij zaterdag 17 maart 2018 het NRC-publiek vertelde dat Rusland, wereldkampioen valsspelen’ is en dat Er een berg aan bewijs’ zou bestaan ‘van Russische pogingen tot inmenging en provocatie in westerse democratieën,’ zonder ook maar één van die ‘bewijzen’ te geven, en wel omdat een poseur geen ‘bewijzen’ hoeft te verstrekken; hij hoeft op zijn toneel alleen maar rolvast te blijven. Heijne beweerde tevens dat degenen die de anti-Rusland propaganda niet klakkeloos slikken, behoren tot ondermeer ‘een bepaald soort oud-links’ voor wie ‘het Westen altijd de grootste boeman [is] en dus kan Poetin niet anders dan een slachtoffer van huichelachtig westers imperialisme zijn. Het is allemaal zelfverdediging.’
In Heijne’s verzonnen wereldbeeld past vanzelfsprekend niet de werkelijkheid zoals die door bijvoorbeeld een insider als Henry Kissinger in de zomer van 2015 werd gegeven, toen deze Amerikaanse voormalige minister van Buitenlandse Zaken publiekelijk ervoor waarschuwde dat breaking Russia has become an objective’ van de regering Obama, terwijl ‘the long-range purpose should be to integrate it.’
De conclusie kan niet anders zijn dan dat Heijne nog steeds een ‘courtisane’ is,maar nu van de neoliberale elite. Uiteindelijk leidt zijn hoerigheid tot gekte. Het interbellum kende vele van dit soort ‘courtisanes.’
stanvanhoucke.blogspot.com · by stan · March 20, 2018

Nederlandstalige- geselecteerde- maar niet gepubliceerde artikelen:

[rss url=https://www.instapaper.com/folder/3512068/rss/6196606/hBBwhP0ZNQTzoQKPjMpBOlQ75o show_title=true show_links=ture show_summary=true show_author=true show_date=true recent=false]