Voor wie rijdt de regering? Voor het volk of voor het militair-industrieel complex? | Uitpers

uitpers.be · March 27, 2018 – Door Ludo De Brabander

In zijn afscheidsrede in januari 1961 waarschuwde Amerikaans president Eisenhower voor de ‘ongeoorloofde invloed van het militair-industrieel complex (MIC).’ Hij verwees naar de belangen van de wapenindustrie, de militaire top en de politieke wereld die er nauw mee verbonden is. ‘Die combinatie mag onze vrijheden en democratische processen niet in gevaar brengen.’ De visionaire woorden van Eisenhower ten spijt drukten MIC-belangen geregeld hun stempel op grote militaire aankoopdossiers in dit land, zoals in welk ander land ook.

In de saga rond de vervanging van onze gevechtsvliegtuigen, die al een tijd in de schemerzone van geprivilegieerde militaire en politieke elites broeit, lijkt het niet anders te lopen. Als vredesbeweging vragen we al enkele jaren een grondig maatschappelijk debat, niet alleen over de vervanging van de gevechtsvliegtuigen, maar ook over ons veiligheids- en defensiebeleid.

Zo gaat het vandaag bitter weinig over de rol van ons leger in het transport van de Amerikaanse kernbommen in Kleine Brogel, waarvan nog geen enkele regering officieel heeft toegegeven dat ze er liggen. Dat is op zich al een schande en verdient – om het plastisch uit te drukken – een jodiumpil.

Daarnaast bleef een verzoekschrift – zoals voorzien in de Grondwet – met 38.000 handtekeningen tegen de vervanging van onze gevechtsvliegtuigen, overhandigd aan de voorzitter van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, zonder gevolg. Toen we in het najaar van 2016 dan maar zelf een gesprek vroegen met premier Michel weigerde deze botweg met het argument dat het debat al voldoende democratisch is.

Maar het veiligheids- en defensiebeleid is daarentegen een van de domeinen waar het democratisch deficit het grootst is, wat de premier ook beweert. Zo worden we steevast gewezen op onze NAVO-verplichtingen, hoewel de hele besluitvorming van de NAVO grotendeels ontsnapt aan democratische controle.

Toen de regeringsleiders na de Koude Oorlog beslisten dat de NAVO ook militaire interventies moest kunnen ondernemen buiten het NAVO-grondgebied ging het duidelijk om opdrachten die niet voorzien zijn in het NAVO-verdrag van 1949. Artikel 5 van dat verdrag gaat immers enkel over strikte defensieopdrachten waarbij lidstaten elkaar solidair bijstaan in geval van een aanval op een van hen. De parlementen van de lidstaten hebben hier nooit hun formele goedkeuring aan kunnen gegeven. Ook een verdragswijziging om het originele verdrag conform te maken met de nieuwe ‘niet-artikel-5-opdrachten’ bleef uit. Toch zeggen de verdedigers van nieuwe gevechtsvliegtuigen dat we met verbintenissen zitten tegenover onze NAVO-partners, waaronder de deelname aan internationale militaire operaties, zoals eerder al in Kosovo en Libië, hoewel die qua operatie en invulling daarenboven in strijd waren met het internationaal recht.

Een andere zogenaamde verplichting waar geen enkele inspraak of maatschappelijk debat over is gevoerd, is de NAVO-doelstelling om 2% van het Bruto Binnenlands Product (BBP) te besteden aan militaire uitgaven en binnen dat defensiebudget 20% voor te behouden voor de aankoop van militair materieel. Toen België op de NAVO-top in Wales in 2014 daarmee instemde was dat nota bene onder een ontslagnemende regering. Op zoek naar schouderklopjes, aarzelde de huidige Belgische regering niet om zijn goedkeuring te geven aan een nooit eerder gezien militair investeringsplan ter waarde van 9,2 miljard euro waaronder – een zwaar onderschat bedrag van – 3,6 miljard voor nieuwe gevechtsvliegtuigen ook al ontbreken daarvoor de middelen.

Gefundenes Fressen voor de wapenindustrie, maar veel minder voor de burger, die al verschillende jaren ingepeperd krijgt dat hij boven zijn stand leeft en de broeksriem moet aantrekken. Uit een onlangs gehouden bevraging van de Vlaamse bevolking blijkt dat de meerderheid van de bevolking geen nieuwe gevechtsvliegtuigen wil en dat 62% dat geld liever in de gezondheidszorg of belastingverlagingen geïnvesteerd ziet. De enquête bevestigt een eerdere bevraging van de Universiteit Antwerpen in 2014 met daarin ook het opvallende resultaat dat 57% van de N-VA-kiezers zich uitsprak tegen de vervanging. Vraag is dus: voor wie rijdt de N-VA, voor het volk of voor het militair-industrieel complex?

Eisenhowers waarschuwing wordt vandaag in Europa en in de Verenigde Staten in de wind geslagen. Wapenfabrikanten sturen hun alomtegenwoordige lobbyisten, verleiden met economische compensaties en andere lokazen, nestelen zich in allerlei Europese instellingen, houden mee de pen vast van studies en beleidsdocumenten, sponsoren NAVO-bijeenkomsten, organiseren grote conferenties met politici of nodigen gewoonweg hoge militairen en politici uit op wapenbeurzen in de hoop de nieuwste snufjes van hun oorlogstuig zo te slijten. In de Verenigde Staten is het nog een graad erger omdat de fabrikanten van cruciaal belang zijn om de partijkassen te helpen spijzen.

De wapenindustrie is anders dan andere economische sectoren. Hun grootste en belangrijkste klanten zijn overheden die de wapenindustrie nodig hebben om hun militaire apparaten uit te rusten. Deze symbiose is niet zonder gevolgen. In de Europese Unie zijn wapenproducenten de drijvende kracht van de militarisering die verontrustende proporties begint aan te nemen. Ze zijn er reeds in geslaagd om hun belangen te laten inschrijven in het Verdrag betreffende de Europese Unie (Verdrag van Lissabon): ‘De lidstaten verbinden zich ertoe hun militaire vermogens geleidelijk te verbeteren’ (artikel 42, lid 3). Om die bewapeningsverplichting in goede banen te leiden werd eerder al een Europees Defensie-Agentschap (EDA) in het leven geroepen (dat aanvankelijk trouwens de minder eufemistische naam ‘bewapeningsagentschap’ meekreeg). Dat agentschap staat zwaar onder invloed van de wapenindustrie. Volgens het Verdrag is het de taak van het EDA om ‘de industriële en technologische basis van de defensiesector te versterken’ maar ook om deel te nemen aan ‘het bepalen van een Europees beleid inzake militaire vermogens en bewapening’. Het EDA telt 130 personeelsleden, maar ook een netwerk van 4.000 ‘defensiespecialisten’ die verschillende soorten teams en de daaronder vallende werkgroepen bevolken. Deze staan ook wijd open voor leden van de militaire industrie.

Het EDA is inmiddels uitgegroeid tot het belangrijkste forum voor contacten en samenwerkingsverbanden van de militaire industrie met de administratie, de wetenschap, het leger en het politiek establishment. Het vormt de kern van het Europees Militaire Industrieel Complex (MIC). Vanuit het EDA worden de grote beleidslijnen uitgetekend voor de Europese Defensiepolitiek. Het speelde een grote rol in het tot stand komen van een rapport (begin 2016) over militair onderzoek van de zogenaamde ‘Groep van personaliteiten’, van wie nagenoeg de helft rechtstreeks verbonden is aan de defensie-industrie. Hun weinig verwonderlijke conclusie was dat er meer Europees geld moet gaan naar defensieonderzoek en naar gezamenlijke Europese investeringen in militair materieel. De Europese Commissie zette hun aanbevelingen om jaarlijks 500 miljoen euro uit te trekken voor defensieonderzoek én om nogmaals 5 miljard uit te trekken voor gezamenlijke militaire aankopen om in beleid.

Binnen de NAVO verloopt het niet anders. Daar bestaat al sinds 1968 een Industriële Adviseursgroep die drie keer per jaar vergadert en tot doel heeft ‘de samenwerking tussen de NAVO en de defensie-industrie van de lidstaten te vergemakkelijken’.

Wapenproducenten, militaire apparaten en ermee gelieerde politici en academici (de fameuze denktanks) hebben de jongste jaren hun krachten weten te bundelen met doorslaggevende gevolgen op vlak van defensiebeleid in het algemeen en de bewapeningspolitiek in het bijzonder. Ze zullen ons vertellen hoe dreigend de omliggende wereld is, maar niet dat ze/we diezelfde wereld mee hebben gemaakt tot wat ze is met onze wapenhandel, steun aan dictators, destabiliserende militaire interventies of een handelsbeleid dat meer dan eens sociaal ontwrichtende gevolgen. Ze argumenteren dat we nieuwe gevechtsvliegtuigen nodig hebben, maar verzwijgen dat de EU-landen er momenteel over dubbel zoveel beschikken in vergelijking met ‘grote rivaal’ Rusland. Ze waarschuwen ons om dringend meer te investeren in defensie ‘om niet achterop te geraken’, hoewel het gecombineerde defensiebudget van Frankrijk en Duitsland alleen al anderhalf keer groter is dan dat van Rusland of dat het NAVO-defensiebudget goed is voor meer dan de helft van de wereldwijde militaire uitgaven, goed voor bijna vijf keer dat van China. Ze creëren de illusie dat we meer veiligheid krijgen met meer wapens, maar ook een realiteit waarin ze bijdragen aan het wederzijds opbod met vermeende tegenstanders en vijanden.

Vandaag hebben we te kampen met dezelfde door het MIC gestuurde wapenwedloop als in de hoogdagen van de Koude Oorlog. Omdat die toen politiek en economisch onhoudbaar werd, werkten enkele Europese leiders, zoals Willy Brandt aan een toenadering met de Sovjet-Unie (het Helsinki-proces). Er volgde een politieke dialoog, met ontwapeningsafspraken en vertrouwenwekkende maatregelen die geleid hebben tot de oprichting van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) waar landen van de beide voormalige militaire blokken lid van werden en dat tot vandaag zijn. De basisidee was de ondeelbaarheid van veiligheid (‘ik ben niet veilig als jij je niet veilig voelt’) of alomvattende gemeenschappelijk veiligheid. Ondanks het wegvallen van het Warschaupact werd de OVSE naar de coulissen geduwd om plaats te maken voor een getransformeerde NAVO die mondiaal zou opereren en legitimiteit zocht in de creatie van steeds maar nieuwe dreigingen en vijanden. Hoe verantwoord je immers anders stijgende militaire uitgaven, de herbewapening en grote troepenontplooiingen.

Militaristen zullen vandaag stellen dat de wereld ook een chaos is, dat burgeroorlogen het niet altijd mogelijk maken om een politieke dialoog te organiseren enzovoort. Zij nemen daarbij de grote dreigingen samen in de mond, zoals droogte, armoede, vluchtelingen en terrorisme. We kunnen ze maar beter ernstig nemen en er ons – zo lees ik onlangs nog in een stuk van een academicus verbonden aan het MIC -beter letterlijk tegen wapenen. In de praktijk vertaalt zich dat dan in vruchteloze militaire interventies die het probleem alleen maar vergroten, omdat ze de oorzaken van het geweld niet aanpakken. Ze blussen dus als het ware branden van olie-installaties die blijven lekken. Nadien komen de gevolgen van de chaos na het oorlogsgeweld als een eindeloze boemerang telkens terug. De doctrine van de militaire interventie, de bombardementen van gevechtsvliegtuigen… Het is ongelooflijk hoe dit alles zonder discussie gezien wordt als heilzaam voor onze veiligheid. De waarheid is dat de oorlog in Afghanistan al-Qaida heeft gebaard, zoals de illegale invasie en bezetting van Irak de Islamitische Staat tot leven heeft gewekt, dat de militaire interventies in Libië, Syrië, Jemen… niet alleen de betrokken landen, maar ook de regio en zelfs de wereld onveiliger hebben gemaakt.

De Wereldbank rekende ooit eens uit dat de armste landen vijftien keer meer kans maken op een gewelddadig conflict dan rijke landen. Het aantal studies dat een oorzakelijk verband legt tussen armoede en geweld is niet meer te tellen. En toch bestaat ons veiligheidsbeleid er vooral uit om de defensiebudgetten te laten stijgen en ons te bewapenen, een proces dat bovendien gepaard gaat met desinvesteringen in de publieke dienstverlening en de sociale welvaart in tijden waarin overheden kampen met gekrompen overheidsbudgetten.

De wereldwijde militaire uitgaven bedragen 1700 miljard. Met een fractie van dat geld kunnen we ervoor zorgen dat mensen niet meer moeten vluchten, geen honger lijden, klimaatverandering een halt wordt toegeroepen. We kunnen met andere woorden mensen veiligheid bieden. De logische vraag is dan ook: waar wachten we nog op? Daar dient de kern van het debat over te gaan: kunnen de miljarden voor de gevechtsvliegtuigen en ander oorlogstuig niet gebruikt worden om echt in onze veiligheid en die van anderen in de wereld te investeren? Of nog: wat zijn de gevolgen van de stijgende bewapening, militaire interventies en de wereldwijde wapenhandel van onze gesubsidieerde militaire industrie voor onze welvaart en veiligheid?

We moeten ‘het geweer van schouder veranderen’, weg van het failliete gemilitariseerde veiligheidsdenken gestoeld op angst en bijhorende vijandbeelden, op gevechtsvliegtuigen en kernwapens, weg van het soort denken dat Europa al tweemaal in vernietigende oorlogen heeft gestort. In de woorden van de eerste vrouwelijke Nobelprijswinnaar, Bertha von Suttner: Die Waffen Nieder! Had men geluisterd naar haar en andere pacifisten zoals Jean Jaurès, dan was de Eerste wereldoorlog niet uitgebroken. Maar pacifisten worden altijd als naïef afgeschilderd in een ongelijke strijd waarin ze moeten opboksen tegen het politieke en economische establishment dat het militaire apparaat nodig heeft om de bestaande machtsrelaties te bestendigen, nationaal en tegenwoordig vooral internationaal. Bewapening en oorlog dienen immers vooral heel wat belangen die niet dezelfde zijn als die van de bevolking, laat staan dat ze de vrede en veiligheid dienen.

Ludo De Brabander studeerde pers- en communicatie aan de Universiteit Gent. Sinds 1995 werkt hij voor Vrede vzw, een linkse vredesorganisatie met kantoor in Gent. Tegenwoordig is hij er de woordvoerder. Hij is auteur van o.m. ‘Als de NAVO de passie preekt’ (EPO, 2009 – samen met Georges Spriet) en ‘Oorlog zonder grenzen’ (EPO, 2016). Hij is van bij de start (1999) redactielid van Uitpers