Waarom Ewald Engelen nog steeds de klassenstrijd bepleit

Het gedeelde belang van ‘tegengestelde’ groepen

Eerst het vreten, dan de identiteit

Links Nederland verliest door zijn obsessie met culturele verschillen uit het oog waar het zich werkelijk druk om zou moeten maken: de klassenstrijd. Dat vond Ewald Engelen en dat vindt hij na een paar oorwassingen nog steeds.

groene.nl · by Ewald Engelen – 4-4-2018

Amsterdam, 1 januari 2017. ‘Help de verworpenen der aarde te ontwaken, en die zouden ook natuur, milieu en dieren moeten omvatten’ © Evert Elzinga / ANP

De afgelopen weken hebben in De Groene Amsterdammer twee omvangrijke stukken van drie prominente sociologen gestaan (Jan Willem Duyvendak en Willem Schinkel & Rogier van Reekum) waarin gereageerd werd op een columnvan mij eerder in dit blad. Daarin verweet ik links zich verloren te hebben in het narcisme van de kleine culturele verschillen en van de weeromstuit de klassenstrijd te zijn vergeten. Ik ben zeer vereerd met deze aandacht voor wat in mijn ogen een belangrijk politiek vraagstuk is, maar heb me ook licht verbaasd over de inhoud van de reacties, omdat mijn kritiek voortbouwt op een klassiek politiek-sociologisch inzicht.

Van Werner Sombart (1906) tot Seymour Martin Lipset (2000) hebben politieke sociologen zich de vraag gesteld waarom er in het meest kapitalistische land ter wereld, de Verenigde Staten, nooit een socialistische partij is ontstaan. Daar zijn in de loop der decennia verschillende antwoorden op gegeven, maar wat in al deze antwoorden ten minste figureert is de rol van migratie.

In de Verenigde Staten zijn migratie en arbeidsmarktbeleid altijd nauw met elkaar verweven geweest. Dreigde er een tekort op de arbeidsmarkt te ontstaan, en dreigden daardoor de lonen te veel te gaan stijgen, dan zetten de Verenigde Staten de poort voor (Europese) migranten tijdelijk open. Liefst uit landen waarvan het nog niet zoveel migranten had opgenomen. En dus volgden Duitsers Ieren op, Italianen Duitsers, en Oost-Europese joden Italianen.

Het had in het begin natuurlijk meer te maken met de economisch-demografische situatie in de thuislanden. De plezierige bijkomstigheid voor Amerikaanse werkgevers was echter dat het hen in staat stelde te verdelen, en dus te heersen. Het werd zo onderdeel van het beleidsarsenaal van de Amerikaanse politiek. Niet alleen betekende migratie meer arbeiders en dus lagere loonkosten, het ging ook gepaard met grotere etnische, religieuze, culturele en linguïstische diversiteit en dus kleinere kansen op politieke mobilisatie langs klassenlijnen.

Het is de belangrijkste verklaring voor de geringe macht van vakbonden in de Verenigde Staten. En het is volgens Sombart en Lipset dus ook een van de voornaamste verklaringen voor de afwezigheid van een socialistische partij. Het vormde bovendien het iconische voorbeeld voor het vrije verkeer van arbeid in de Europese Unie: hoe gefragmenteerder de beroepsbevolking, hoe meer deelbelangen tegen elkaar kunnen worden uitgespeeld, hoe lager de loonkosten, hoe hoger de bedrijfswinsten zullen zijn. De Hongaarse vrachtwagenchauffeur die voor een uurprijs van 1,65 euro jouw vrachtjes rondrijdt, is niet een ongelukje, maar juist het doel van de Interne Markt.

Wat schrijven Duyvendak en Schinkel & Van Reekum in reactie op mijn stelling dat overmatige aandacht voor identiteit heeft geleid tot uitholling van de onderhandelingspositie van de factor arbeid? Duyvendak: ‘Alsof sociaal-economische ongelijkheid en culturele achterstelling niet verknoopt zijn. De ergste economische uitbuiting (slavernij) trof niet toevallig zwarte Afrikanen en nog steeds worden, ook in Nederland, mensen op basis van huidskleur, achternaam en geloof op de arbeidsmarkt gediscrimineerd. Vrouwen verdienen nog steeds veel minder dan mannen en zijn nauwelijks economisch zelfstandig. (…) “Inkomen en kapitaal” zijn niet los te zien van gender, etniciteit, leeftijd en seksuele voorkeur.’

Ik kan dit niet anders lezen dan als een ondersteuning van mijn stelling. Dit is niet een argument tegen klasse en voor identiteit, maar juist voor het serieuzer nemen van klasse. Volgt uit deze observatie immers niet dat de enige manier om de verdeel-en-heersstrategie van werkgevers te bestrijden mobilisatie voorbij de grenzen van ras, etniciteit, geloof, taal, seksuele voorkeur en geslacht is? En dat we ten koste van alles moeten voorkomen dat de ene uitgebuite groep tegen de andere wordt uitgespeeld? En dat we dus ons uiterste best moeten doen om het gedeelde belang van deze groepen te identificeren? En is dat niet juist dat ze steevast de zwakste en onzekerste posities op de arbeidsmarkt innemen, en dat dat bepalend is voor hun woonlocatie, hun onderwijskansen, hun huwelijksmogelijkheden, hun gezondheid en hun mortaliteit?

Volgt daar dan niet juist een gedeelde strijd voor betere voorzieningen voor iedereen uit? In de vorm van een hoog minimumloon, goede breed toegankelijke publieke diensten, hoge eisen aan arbeidsomstandigheden, en medezeggenschapsrechten voor iedereen? En is dat niet precies waar iedere politieke beweging die paal en perk wil stellen aan de doorgeschoten politieke macht van de factor kapitaal voor zou behoren te strijden? En is dat niet exact waar de sociaal-democratie van voor Wim Koks zondvloed zich hard voor maakte? En wat de sociaal-democratie van na Koks zondeval zo jammerlijk is vergeten?

We moeten voorkomen dat de ene uitgebuite groep tegen de andere wordt uitgespeeld

Dezelfde onduidelijkheid tref ik aan bij Schinkel & Van Reekum. Ik citeer: ‘Het probleem is niet dat er te weinig politieke economie is, maar dat de politieke economie een gebrekkig begrip van kapitalisme heeft, zowel van de ontstaansgeschiedenis als van het huidig functioneren ervan. Typisch voor politiek-economische analyses van kapitalisme is dat de logica van kapitaal als primair gezien wordt en dat ras en gender als secundaire effecten beschouwd worden. Belangrijk, maar secundair. Dat is een beperkte, want witte, opvatting van kapitalisme. (…) Kapitaal, ras en gender zijn van meet af aan verweven geweest.’

Weer geldt: uiteraard. Maar als je er wat aan wil doen – en dáár ging mijn column over – zul je je als progressieve emancipatiebeweging moeten richten op datgene wat deze uitgebuite groepen gemeen hebben en zul je je niet moeten beperken tot het adresseren van culturele verschillen. Want dan gaat het mis. Door van genderneutrale rompertjes en Zwarte Piet (mijn voorbeelden) de primaire objecten van politieke contestatie te maken, leid je de aandacht alleen maar af van wat de kampen aan beide zijden van deze culturele breuklijnen met elkaar verbindt. Ze zijn namelijk alle vier speelballen van kapitalistische manipulatie. En zullen dat blijven zolang ze niet een front vormen in hun strijd voor hoger loon, betere arbeidsvoorwaarden en goede sociale voorzieningen.

Racisme (en homohaat) is inderdaad veel meer dan een retorisch rookgordijn, zoals Schinkel & Van Reekum opmerken. Maar de emancipatie van de homo en de zwarte begint met het gelijktrekken van sociaal-economische posities. Als je dat doet, zul je zien dat de resterende culturele verschillen meteen ook veel minder politiek pregnant worden omdat ze niet ook nog eens bezet zijn met sociaal-economische onrechtvaardigheden.

Dan het argument dat mijn verwijt dat links zichzelf heeft verloren in identiteitspolitiek misplaatst is omdat de enige identiteit die in het publieke debat gethematiseerd wordt die van de boze witte man is, en dat het dus vooral rechts is dat zich de afgelopen jaren met identiteitspolitiek onledig heeft gehouden. Duyvendak: ‘Recent lijkt het er immers op dat niet alleen Mark Rutte, Geert Wilders en Sybrand Buma de “normale” en “gewone” Nederlander aan hun borst drukken, ook linkse leiders doen er alles aan om op te komen voor “gewone mensen”. Natuurlijk, Jesse Klaver bedoelt daarmee vast “mensen-met-bescheiden-financiële-middelen”, maar het klinkt wel erg hetzelfde als het rechtse verhaal over “normale” Nederlanders. Groepen die zich uitgesloten weten van de rechtse “normaliteit” vinden weinig troost bij linkse partijen die het ook voortdurend over “gewone mensen” hebben.’

En Schinkel & Van Reekum schrijven: ‘Hierdoor is links gevangen in een dwingende retoriek waarmee het klap na klap krijgt. Die retoriek behelst het idee dat Nederland ooit multiculturalistisch was, dat linkse politiek daar debet aan was, dat dat een politieke correctheid met zich meebracht en, meest recente aanwinst in dit retorisch repertoire, dat het geheel een preoccupatie met “identiteitspolitiek” geweest is.’

Ook deze tegenwerping verbaast me. Uiteraard is er een impliciete wit-mannelijke identiteit geweest waar vroege culturalistische emancipatiebewegingen zich van probeerden te bevrijden. Maar het rechtse construct van de ‘gewone man’ waar we het hier over hebben is toch echt het politieke contrapunt van die eerdere culturele emancipatiestrijd van de vrouw, de homo, en later de moslim. Hoe meer kosmopolitisch links zich in de jaren tachtig en negentig is gaan vereenzelvigen met de emancipatiestrijd van dit soort culturalistische minderheden (ten koste van de klassenstrijd), hoe meer rechts is gaan reageren met een imaginaire Nederlandse identiteit waarin een al even imaginaire tolerantie voor andersdenkenden en andersdoenden wordt bedreigd door een al even imaginaire islamitische dreiging. En hoe meer links zich vervolgens in moeilijke culturalistische bochten heeft moeten wringen om zowel de vluchteling, de homo en de vrouw als de gewone man te kunnen omarmen.

Het verklaart in belangrijke mate de linkse spraaknood als zij door rechts wordt gedwongen zich voor de een dan wel de ander uit te spreken. En het ligt als analyse ten grondslag aan de recente ontdekking door de SP van gemeenschapszin (het politiek-filosofische modewoord van de jaren negentig!) als belangrijkste politieke uitdaging van de komende jaren, zoals Ron Meyer onlangs bij Buitenhof betoogde. Het is vast goed bedoeld, en zal ongetwijfeld door de vele geïsoleerden in Nederland worden verwelkomd, maar de arbeidsinkomensquote ga je er niet mee omhoog krijgen, ben ik bang.

Het zijn namelijk politieke schermutselingen die zich nog steeds op de culturalistische as afspelen. Al twintig jaar lang is geen enkele traditionele politieke partij op het idee gekomen om door de kleine culturele verschillen heen te breken, de verschillende groepen onder de vlag van de uitgebuite klasse te mobiliseren en gezamenlijk te strijden voor een rechtvaardiger politiek-economische orde waarin hogere eisen op het vlak van loon, arbeidsvoorwaarden, arbeidsrechten en de bijbehorende toegang tot publieke diensten zowel de gewone Nederlander als vrouwen, homo’s en migranten ten goede kunnen komen. Noch de SP, noch GroenLinks. Om over de vertechnocratiseerde en verneoliberaliseerde bestuurderspartij pvda maar te zwijgen.

We vermeien ons nu al twintig jaar met een narcistische wedren in leed van minderheden

De enige partij die hier succes kan claimen is de Partij voor de Dieren, zoals Schinkel & Van Reekum terecht opmerken. Via de band van de bio-industrie en het ecocentrisme hebben Marianne Thieme en de haren een ander overstijgend belang weten te identificeren dat tot systeemverandering noopt, waar zwart en wit, hoog- en laagopgeleid, jong en oud, man en vrouw, gelovig en seculier zich achter kunnen scharen. Het is de uitzondering die de regel bevestigt.

Ik ben geschrokken van de politiek-economische naïviteit van mijn opponenten. Begrijpen zij dan niet dat de identiteitskwesties waar de homobeweging en migrantenorganisaties zich druk om maken, net als de rechtse reactie erop en de linkse respons daar weer op, een godsgeschenk zijn voor Nederlandse werkgevers? Niet alleen om de reden die Sombart en Lipset al noemden, namelijk dat het collectieve mobilisatie rond het enige thema dat werkgevers echt pijn doet (hogere lonen) onmogelijk maakt.

Maar ook omdat iedere keer dat Geert Wilders en Thierry Baudet hun mond opendoen over de vermeende islamisering van Nederland en er een contingent journalisten op pad gaat om verslag te doen, er kostbare onderzoeksgelden, uitzendtijd, menskracht, kranten- en tijdschriftkolommen en andere hulpbronnen gebruikt worden die ook hadden kunnen worden aangewend voor een grondig onderzoek naar en publiek debat over de oorzaken van de verslechterde onderhandelingspositie van de factor arbeid en de geleidelijke erosie van onze leefomgeving. Politieke partijen, kranten- en tijdschriftredacties, radio- en tv-programma’s, de publieke denktanks (wrr, scp, cpb), columnisten, academici, BN’ers en cabaretiers – zij beschikken nu eenmaal allemaal over beperkte tijd, aandacht, zendtijd en kolommen. En daarvoor geldt hetzelfde als voor euro’s: je kunt ze maar één keer uitgeven.

Dat hebben we geweten. Al twintig jaar spenderen we onze schaarse hulpbronnen aan een ritueel debat over de al dan niet vermeende onverenigbaarheid van islamitische waarden met Nederlandse. Kijk de websites van #Pauw en #DWDD er maar op na. Het zijn genderneutrale rompertjes, Zwarte Piet, vluchtelingen, IS, hoofddoekjes, Wilders, Baudet, racisme, de koran die de klok slaan.

Het gevolg is dat het cruciale datum van de dalende arbeidsinkomensquote, die in een cijfer de radicaal verschoven machtsbalans tussen kapitaal en arbeid uitdrukt, in het politieke en publieke debat nagenoeg ontbreekt. En datzelfde geldt voor grafieken die laten zien dat vanaf de jaren zestig economische groei (oplopend) is losgekoppeld van welzijnsgroei (stagnerend). Terwijl daar toch echt de sleutel schuilt. Culturele emancipatie zonder een programma van sociaal-economische herverdeling leidt alleen maar tot politieke schermutselingen tussen de uitgebuitenen onderling. Geen moment wordt het bedreigend voor de uitbuiters zelf. Integendeel: in de slagschaduw van dit soort debatten kunnen zij ongezien de exploitatiegraad verder opvoeren. Zie de afschaffing van de dividendbelasting en de verlaging van de vennootschapsbelasting. Zie de machtige lobby van de boerenorganisaties tegen de onttakeling van de bio-industrie.

En omgekeerd: effectieve sociaal-economische emancipatie zal, zoals gezegd, de emotionele bezetting van identiteitskwesties flink doen afnemen. Als de leden van minderheden gelijkelijk toegang hebben tot de sociaal-economische en ecologische voorwaarden voor een geslaagd leven zullen de overblijvende culturele verschillen veel minder prangend worden. Op z’n brechtiaans: eerst het vreten, dan de identiteit.

Ik zie het voorlopig niet gebeuren. Politici, journalisten, intellectuelen en academici hebben namelijk een blinde vlek voor de politieke economie van het mondiale gefinancialiseerde kapitalisme. Dat heeft wat mij betreft twee oorzaken. De eerste heeft veel te maken met wat sociale wetenschappers ‘pad-afhankelijkheid’ noemen. Neem het politieke commentariaat. Ergens in de jaren negentig is het zich een hoedje geschrokken. Het ongenoegen van de boze, witte man in de wijken hadden ze volledig gemist. Er volgde een bekend patroon van ontkenning, schuldbekentenis en bekering. En vanaf dat moment vecht datzelfde, neoconservatief geworden commentariaat een verwoed gevecht uit met het eigen progressieve alter ego van ervoor. Het is een klassiek staaltje linkse zelfhaat. Vooral de Volkskrant grossiert erin. De commentaren en columnisten van de ooit sociaal-democratisch angehauchte krant zijn al vijftien jaar gedrenkt in de stijl van 6 mei 2002, alsof de politieke linies sinds de moord op Pim Fortuyn zijn bevroren. Maar het is een patroon dat ook elders zichtbaar is, van academia en de media tot politiek.

Het is grotendeels een kwestie van logistiek: wie denkt dat identiteit dé blinde vlek is, wil alleen nog over identiteit schrijven en praten, trekt alleen lezers, kijkers en luisteraars die in identiteit geïnteresseerd zijn, wordt daardoor nog meer bevestigd in het eigen identitaire gelijk, bemenst zijn redactielokalen het liefst met journalisten en columnisten die op de identitaire as van wanten weten, en voedt steeds meer lezers, luisteraars en kijkers met de gedachte dat identiteit inderdaad dé blinde vlek van onze tijd is, al was het maar doordat andere onderwerpen worden weggedrukt. Combineer het met steeds schaarser wordende middelen door de veranderingen in het medialandschap en je hebt een nulsomspel waar identiteit het allesbepalende thema wordt.

Maar de andere oorzaak is minstens zo belangrijk. Geprononceerder dan in ons omringende landen is bestudering van de economie-als-ding het exclusieve domein van de economie-als-discipline geworden. Hier te lande is er nauwelijks concurrentie van economische of financiële geografie, sociologie, antropologie of geschiedenis. En geprononceerder dan in ons omringende landen staat die economie-als-discipline in een mono-paradigmatische, sterk technocratische stand. De aartsvader van de Nederlandse econometrie, Jan Tinbergen, kun je dat aanrekenen. Hij verhulde politieke keuzes achter econometrische kosten-baten-analyses. Het is nog altijd de dominante stijl in Nederland als het gaat om economische beleidsvraagstukken. Traditionele partijen verschuilen zich achter de schijnbaar gedepolitiseerde doorrekeningen van het cpb. Kranten, tijdschriften, tv- en radioprogramma’s nodigen steevast dezelfde gelijkgeschakelde neoliberale economen uit om economische gebeurtenissen te duiden. En de economiepagina’s worden volgeschreven door voormalige economiestudenten die allemaal door dezelfde neoliberale wasstraat zijn gegaan.

En dus komt die zo broodnodige publieke discussie over het hoe en wat van die dramatisch gedaalde arbeidsinkomensquote of hoe ondanks economische groei ons welzijn zo is verschraald maar niet van de grond. En vermeien we ons nu al twintig jaar met een narcistische wedren in leed van minderheden die uiteindelijk allemaal het slachtoffer zijn van die gigantische uitbuitingsmachine die kapitalisme heet.

Help de verworpenen der aarde te ontwaken, dat is waar ik in mijn column toe opriep. En die zouden wat mij betreft ook natuur, milieu en dieren moeten omvatten. Dat is anno 2018 volgens mij weer net iets harder nodig dan genderneutrale rompertjes.

List ewald500

Ewald Engelen is hoogleraar financiële geografie aan de Universiteit van Amsterdam.