Dit zijn de bommetjes onder onze bloeiende economie

18-09-18 07:39:00,

Vandaag is het prinsjesdag, hetgeen betekent dat er een hoop goed nieuws over de economie verschijnt. Dit stuk van Thomas Bollen, uit januari dit jaar, is daarbij een stukje broodnodige context. Gaat het werkelijk zo goed?

Dit is een herpublicatie; het originele artikel vind je hier.

De economische goednieuwsshow draaide de afgelopen tijd overuren. De Nederlandse economie groeide in 2017 jaar met 3,2 procent, de werkloosheid daalde. Als deze trend in 2018 doorzet, zoals het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), De Nederlandsche Bank (DNB) en het Centraal Planbureau (CPB) unaniem voorspellen, verkeren we — eindelijk — in een hoogconjunctuur.

Maar groei is niet zaligmakend. In de voorbespreking van jubeljaar 2018 blijven twee belangrijke zaken onderbelicht: de ongelijke verdeling van de groei, en de hoge schuldenlast van huishoudens. Twee bommetjes onder het gazon, die onze bloeiende economie zomaar op zouden kunnen blazen.

De ecologische fout 

Gek genoeg wordt er nog altijd eenzijdig op economische groei gestuurd, ook al schiet het bruto binnenlands product (bbp) als bredere indicator van welvaart en welzijn ernstig tekort. Alternatieve economische modellen, zoals bijvoorbeeld de populaire donut van Oxford-econoom Kate Raworth, krijgen weliswaar veel media-aandacht, maar worden niet gebruikt door beleidsmakers. Politici concluderen liever dat ‘iedereen erop vooruit gaat’ als de economie groeit.

Daarbij maken ze — bewust of onbewust — de zogenaamde ecologische fout. Die term duidt niet op een falen van economische modellen om natuurlijke grondstoffen in te prijzen, maar op het trekken van conclusies over individuen (of sub-groepen) op basis van gemiddelde cijfers. Een simpel voorbeeld: als Bill Gates een café binnenstapt schiet het gemiddelde vermogen omhoog, maar de andere aanwezigen zijn geen cent rijker geworden.

De werknemer die al een baan had, profiteert slechts mondjesmaat

Om te bepalen waar de economische groei zijn vruchten afwerpt, moeten we dus niet kijken naar het gemiddelde, maar naar het inkomen en vermogen van kleinere groepen binnen de totale populatie.

De grootste groep Nederlanders is voor hun inkomen afhankelijk van salaris en behoort dus tot de groep ‘werknemers’. Afgelopen jaar groeide het totaal aan werknemersbeloningen, maar toch merkten de meeste werknemers dat niet in hun portemonnee. Het geld ging vooral naar voormalig werklozen: het CBS bericht over een ‘groei van het aantal banen van werknemers’ met 204 duizend in het derde kwartaal van 2017 (ten opzichte van het jaar ervoor).

 » Lees verder