Friedwart Husemann: Het materialisme als angstfenomeen van de ziel

(Vertaald uit de Duitstalige publicatie: Ein Nachrichtenblatt, Jahrgang, Nr. 10 (ein.nachrichtenblatt@startmail.com))

De huidige Corona crisis biedt volop gelegenheid het wezen angst in de menselijke ziel  onder de loep te nemen. De één is bang voor de ziekte, de tweede voor de inenting, de derde voor de ingrijpende maatregelingen van de overheid, de vierde vreest tendentieus geïnformeerd te worden door het Robert Koch Instituut (Duitse RIVM), de vijfde is bezorgd om zijn eigen existentie en wordt in vertwijfeling gebracht, de zesde heeft het gevoel dat de wereldwijde uniforme reacties het gevolg zijn een geheime regie achter de coulissen van de openbare mening. Sommige antroposofen vrezen de uitlatingen van andere antroposofen, die ze voor ongepast houden. Elke angst is ergens begrijpelijk  en invoelbaar. Al deze angsten samen hebben gemeen, dat ze evenredig groter worden, hoe minder we iets kunnen beoordelen.

Bijzonder perfide is het bewuste aanwakkeren van angst, zoals het in een document met strategische adviezen van het Ministerie van Binnenlandse Zaken van 22-03-2020 onverbloemd werd uitgesproken. De communicatie strategie moest zo gestuurd worden, dat op de burger het ‘gewenste schokeffect’ ontstaat. 

In deze context is het belangrijk onze algemeen geldende materialistische denkwijze eens te bezien. Sinds Copernicus en Galilei, sinds Bacon, Darwin, Wittgenstein, Einstein, Heisenberg en Popper zijn we steeds dieper in een manier van denken verzeild geraakt, die niets wil weten van het geestelijke. Deze denkwijze wil ik de materialistische manier van denken noemen. Als fase in de mensheidsontwikkeling moest die er zijn; ze was voor de opvoeding van de mens noodzakelijk, maar ze wordt uiteindelijk pas zinvol als we haar overwinnen.

En nu volgt in zekere zin het ei van Columbus in deze problematiek. Het is zo eenvoudig dat ik het nauwelijks durf op te schrijven, maar het klopt niettemin: de materialistische manier van denken is niet in staat het geestelijke te beoordelen en daarom heeft ze angst voor het geestelijke. Bij dit grote probleem van de mensheid is het precies zo als nu, dat we bang worden omdat wij alle samenhangen van de Corona epidemie niet vanuit alle kanten fundamenteel kunnen beoordelen. Dit alles samenvattend beschreef Rudolf Steiner in de zeer opmerkelijk zin: <Het materialisme als angst fenomeen van de ziel is het belangrijkste hoofdstuk van de wetenschap der ziel.> (GA 17, hoofdstuk ‘Over het etherische lichaam van de mens en van de elementaire wereld).

Natuurlijk blijven deze angst en vrees diep onbewust. Ze tonen zich slechts indirect in ‘bewijsvoeringen’ of  ‘bedenkingen’ tegen de geestelijke wereld, in het belasteren van Rudolf Steiner of de antroposofie. Een zelfde angst ontstaat reeds, wanneer men de meningen van andersdenkenden aan moet horen. Dat laat zich vandaag de dag zien in de openbare berichtgeving met slogans zoals ‘samenzweringtheoreticus’, ‘inentingstegenstander’ of ‘rechtlijnige esoteriker’, die zonder erbij te vermelden wat ze precies bedoelen, hen eenvoudigweg opgespeld krijgen en in een kwaad daglicht gesteld worden. Men voelt achter deze emotionele reacties de angst, dat het ten gronde liggende feit misschien waar zou kunnen zijn en dat men het daarom liever helemaal niet eerst wil onderzoeken.

De genoemde angst wordt ook vergezeld met hoogmoed, meent niet alleen dat beoordelen te kunnen wat ze kent, maar ook nog datgene, waarvan ze naar eigen bekentenis niets weet. Indrukwekkend is dat bv te zien bij de beoordeling van homeopathie, waartegen al sinds tientallen jaren steeds dezelfde argumenten aangevoerd worden. Al haar initiator Hahnemann had vastgesteld, dat zijn potenties bij elke verdunningstap geschud behoren te worden. Wanneer dat niet gebeurt, zijn hoge potenties onwerkzaam. Desondanks spreken de tegenstanders van de homeopathie steeds maar weer van verdunningen en brengen in stelling wat Hahnemann zelf al toe heeft gegeven of wel weerlegd heeft. Het is dan ook geen argument, maar alleen de angst ervoor, zich met iets bezig te moeten houden, wat men niet kan beoordelen.

De geestelijke wereld, zoals Rudolf Steiner die onderzocht heeft, bestaat echt en is herkenbaar, men kan de onbewuste angst voor haar overwinnen, maar aan de andere kant is zij zeker niet alleen een wereld vol zaligheid, geluk en vrede, zoals zo velen menen. Maar, wanneer men daar binnenkomt, ontmoet men verstorende machten als de schaduw van de zaligheid. Zo staat er bv in de ‘Geheimwissenschaft’ (GA 13): <De bovenzinnelijke waarneming heeft van deze wereld van het vagevuur te zeggen, dat ze bewoont wordt door wezens, die er gruwelijk uit zien voor het geestelijk oog en die aanblik kan smartelijk zijn, want plezier schijnen ze in vernietiging te hebben en hun passie is op het boze gericht, waarbij het boze in de zichtbare wereld onbeduidend is >(Hfdst. Slaap en dood). Deze geesten van de vernietiging noemt Rudolf Steiner op een andere plaats ook wel de geesten van de duisternis (GA 177). Met hen hangt o.a. het ontstaan van bacillen samen (GA 177, 14-10-1917). In principe veroorzaken deze geestelijke wezens catastrofen met veel dodelijke slachtoffers, zoals vulkaanuitbarstingen, aardbevingen, overstromingen of treinongelukken (GA 236, 29-06-1924). In dit opzicht is de angst voor de geestelijke wereld dus begrijpelijk, want daar ontmoet men o.a. deze demonen van vernietiging en duisternis. Maar we kunnen er vandaag de dag met zijn ernstige problemen niet meer omheen, wanneer we deze – in zekere zin – gevaarlijke kant van de geestelijke wereld niet recht in het gezicht willen kijken. 

En nu het diep aangrijpende. Wij voeden zelf met onze angsten deze verstorende wezens in de geestelijke wereld. Zouden wij geen angst hebben, dan zouden deze wezens aan de poort van de geestelijke wereld als lege zakken slap neerhangen. Door onze gevoelens van angst, vrees, radeloosheid, bijgelovigheid, hopeloosheid en vertwijfeling worden ze dik en bol, omdat deze geesten alleen dan kunnen leven, wanneer ze zich met deze genoemde negatieve gevoelens van de mens kunnen voeden. Daarom is het zo belangrijk dat wij ons sterk maken tegen angst en vrees. Levensangst, – vrees, doodsangst en – vrees moeten we leren overwinnen. (Samenvatting van de voordracht over “De zogenaamde gevaren van de inwijding” op 12-12-1907 in GA 56). Het is de opgave van de antroposofie, het gehele leven met spiritualiteit te doordringen, zodat de genoemde demonen van vernietiging, de geestelijke wezens van de duisternis uit worden gehongerd.

Angst en vrees moeten overwonnen worden. De eerste stap daartoe is – vergeef me dat ik weer een ei van Columbus moet uitspreken – de studie van de geesteswetenschap. Want door het studeren van de mededelingen uit de geestelijke wereld leren wij de geestelijke wereld kennen en beoordelen. En doordat we de geestelijke wereld leren te beoordelen, overwinnen we onze angst voor de geest, en doordat we de angst voor het geestelijke overwinnen, overwinnen we het materialisme.

Nu zeggen natuurlijk velen: Ik heb helemaal geen angst. Maar zoals reeds is gezegd: die genoemde angst is ons helemaal niet bewust. En ten tweede door deze onbewuste gevoelens overvalt ons dan op een dag zoiets als de Corona crisis, zodat we dan gedwongen worden het fenomeen angst te leren kennen. 

%d bloggers liken dit: