Redactionele aanbeveling: – Over de wetenschappelijkheid van de antroposofie

redactionele-aanbeveling:-–-over-de-wetenschappelijkheid-van-de-antroposofie

16-12-22 07:14:00,

Antroposofie wordt in de heersende publieke opinie beschouwd als een esoterische leer, waarvan Rudolf Steiner de inhoud heeft samengesteld uit oude gnostische, mystieke en theosofische opvattingen en zijn eigen speculaties. Met name het oordeel over de gevestigde wetenschap is unaniem minachtend, dat het alles behalve een wetenschap is. Want een wetenschap van de geest – als die al zou bestaan – zou in principe niet kunnen bestaan; in het beste geval zou het geloof zich kunnen wenden tot een geestelijke wereld. – Al deze oordelen komen voort uit antipathieën, vooroordelen en wetenschappelijke dogmatische beweringen die vaak door de media worden gevoed en die hierna zullen worden weerlegd. *

Rudolf Steiner beweerde vanaf het begin – ook binnen de Theosofische Vereniging, waarvan hij enige jaren lid was – dat de esoterische inhouden die hij vertegenwoordigde en onderwees uitsluitend de resultaten waren van zijn eigen bovenzinnelijk onderzoek, waarvan de strikt wetenschappelijke methode in exactheid niet onderdeed voor de wetenschappelijke methode. En met de benaming “antroposofische geesteswetenschap” vatte hij de antroposofie op als een speciaal geval van wetenschap. Hieruit blijkt dat het wetenschappelijke karakter van de antroposofie voor Rudolf Steiner van fundamenteel belang is. Antroposofie zou geen bestaansrecht hebben als zij niet kon voldoen aan de behoefte van de moderne mens aan wetenschappelijke duidelijkheid en zekerheid.

Een kritiek op het wetenschappelijke karakter van de geesteswetenschap gaat nu uit van een bepaald wetenschapsbegrip dat als norm wordt gehanteerd. Eerst moet worden onderzocht of en in hoeverre het zelf wetenschappelijk onderbouwd is. De wetenschap beweert een methodisch beveiligde vorm van kennis te zijn. Dit veronderstelt op zijn beurt een verduidelijking van de vraag wat kennis is. Als de formulering van het begrip wetenschap onopgeloste vooronderstellingen bevat over wat onder kennis wordt verstaan, dan is dit begrip wetenschap zelf onwetenschappelijk.

De wetenschap van cognitie

De basisdiscipline die zich bezighoudt met de kennis van cognitie is de epistemologie. Bijgevolg kan een concept van wetenschap alleen gebaseerd zijn op de epistemologie. Rudolf Steiner wist dit heel goed, want voordat hij de antroposofie als geesteswetenschap in verschillende richtingen uitwerkte, werkte hij bijna twintig jaar lang een epistemologie als wetenschappelijke basis uit en presenteerde deze in de “Grondlijnen van een epistemologie van Goethes wereldbeeld”, in “Waarheid en wetenschap”, zijn proefschrift, en in “De filosofie van de vrijheid”.

Hij ging zo te werk dat hij het cognitieproces als verschijnsel voor de innerlijke blik plaatste en het zonder vooronderstelling onderzocht. Wat gebeurt er eigenlijk als we enige vorm van cognitie stellen? Er is altijd wel een verschijnsel dat zich aan onze zintuigen voordoet en waarvan het ons niet helemaal duidelijk is wat het is. We beginnen erover na te denken, en als het goed gaat, klaart het op. Wij onderscheiden dus twee essentiële zaken: enerzijds verschijnselen die van buitenaf tot ons komen, en anderzijds ons denken, dat concepten en ideeën over deze verschijnselen vormt en er zo in doordringt.

Daarom zegt Rudolf Steiner “Observatie en denken zijn de twee uitgangspunten voor alle spirituele streven van de mens.” 1 In ons dagelijks bewustzijn vloeien de twee echter onmiddellijk in elkaar over in de onbewuste inspanning van cognitie. We moeten ze van elkaar scheiden om ze in hun eigen kwaliteit te kunnen onderzoeken: enerzijds de waarnemingsverschijnselen en anderzijds het denken, want beide komen uit twee verschillende bronnen.

Alle cognities zijn fusieproducten van elementen die hun oorsprong vinden in enerzijds het waarnemen en anderzijds het denken. Waarnemingen op zichzelf, zonder doordringing van gedachten, zijn volledig zonder vastberadenheid en samenhang, op zichzelf absoluut onverklaarbaar. De geheimzinnigheid van hun verschijning is precies wat ons onbevredigd laat en de activiteit van ons denken uitdaagt. Het denken produceert begrippen als causaliteit, oorzaak en gevolg, ding en eigendom of middel en doel, waardoor de waarnemingswereld geordend lijkt. In het denken vatten wij de inhoud, het beginsel en het verband van de dingen, die zij als zuivere waarneming niet in zich dragen. Wij nemen waarnemingen waar door observatie, hun essentie in de concepten van ons actieve denken. Alleen door de versmelting van de twee ontstaat cognitie.

Dit betekent dat wij weliswaar echt zijn, maar niet vanaf het begin in ons bewustzijn met de werkelijkheid worden geconfronteerd. Wij zijn subjectief zo georganiseerd dat de werkelijkheid van de dingen voor ons in twee delen uiteenvalt. De waarnemingen die ons via de zintuigen worden overgebracht, laten alleen het externe deel zien, het andere, essentiële deel nemen we als het ware met ons denken waar. Alleen in de versmelting van de twee komen we in de werkelijkheid die buiten ons bestaat, maar voor ons bewustzijn door onze organisatie in twee delen is gescheiden.

De geheimzinnigheid van de waarneming als halve werkelijkheid roept bij ons de vraag op naar de ontbrekende andere helft. Ja, de vraag wat de essentie is van wat wordt waargenomen, is al een eigen denkende mededeling. De wereld van de waarneming zoals die zich aanvankelijk aan ons bewustzijn voordoet, is nog geen werkelijkheid. Het blijft extern en vreemd voor ons zolang we het alleen observeren en niet denken. Maar als we ons denken in beweging zetten, staan de waarnemingen niet meer buiten ons. Dan komt hun innerlijke essentie in ons naar voren in de concepten en ideeën. Het binnenste van de natuur komt binnen in het binnenste van de mens. Er is geen scheiding meer tussen ons en de dingen. De dingen spreken zichzelf uit in onze gedachten.

“Wie dit inzicht niet verwerft, blijft de dingen van de buitenwereld vreemd. Hij hoort de essentie van de dingen niet van binnenuit tot hem spreken. Daarom gaat hij ervan uit dat deze essentie achter de dingen verborgen zit. Hij gelooft in een buitenwereld die nog achter de wereld van de waarneming ligt. Maar de dingen zijn slechts uiterlijke dingen zolang men ze slechts waarneemt. Als men aan hen denkt, staan ze niet meer los van ons. Men versmelt met zijn innerlijke wezen. Voor de mens bestaat de tegenstelling tussen objectieve uiterlijke waarneming en subjectieve innerlijke denkwereld alleen zolang hij niet erkent dat deze werelden bij elkaar horen. De innerlijke wereld van de mens is de innerlijke wereld van de natuur.” 2

Waarnemen en denken

Cognitie is dus de vereniging van perceptie en concept. We werken ons eerst een weg naar de werkelijkheid door cognitie. Uit de onderling verbonden wereld van perceptie en concept volgt dat cognitie altijd open moet staan voor de weerlegging van haar resultaten. Want toekomstige percepties en toekomstige denkprocessen kunnen in hun combinatie tot meer gedifferentieerde en ook verdere resultaten leiden. Maar deze bevindingen mogen elkaar niet echt tegenspreken, want dat zou indruisen tegen de eenvormigheid van de conceptuele wereld. Ze moeten aan elkaar gerelateerd kunnen worden. Wetenschappelijke kennis is dus zeer evolutionair. Alleen als de wereld van de waarneming kan worden afgesloten, kan ook de cognitie als afsluitbaar en beperkt worden beschouwd.

Tegelijkertijd ontmaskert deze epistemologie als onwetenschappelijke wetenschapsopvattingen die ofwel ongecontroleerd aannemen dat de wereld van de waarneming een gesloten werkelijkheid is (naïef realisme), ofwel de wereld van de waarneming en de wereld van de begrippen dualistisch voorstellen als twee volledig onafhankelijke werelden die men niet bij elkaar weet te brengen, en tenslotte de opvatting dat er naast de werkelijkheid die men ofwel waarneemt ofwel denkt, andere werkelijkheidswerelden bestaan die men nooit kan benaderen (metafysisch realisme). De bezwaren tegen de geesteswetenschap komen niet in de laatste plaats van die theorieën die zich voordoen als wetenschap, maar gebaseerd zijn op een onjuiste epistemologie, d.w.z. niet wetenschappelijk gefundeerd zijn.

Voor zover echter de natuurwetenschap met haar methode van exacte waarnemingen, experimenten en berekeningen aanspraak maakt op de werkelijkheid, de verschijnselen scheidt, ze geestelijk met elkaar in verband brengt en het conceptuele resultaat van deze verwijzing experimenteel verifieert, wordt haar werkwijze in beginsel uitdrukkelijk door Rudolf Steiner bevestigd. De natuurwetenschappelijke methodologie van observatie, experiment en volledig heldere begripsvorming wordt wetenschappelijk ondersteund door Steiners epistemologie en door hem als vrijwel exemplarisch beschouwd voor de geesteswetenschap. Daarom plaatste hij de methodologische verwijzing al onder de titel van zijn boek “De filosofie van de vrijheid” “Seelische Beobachtungsresultate nach naturwissenschaftlicher Methode”.

De elementen waaruit alle cognitie bestaat worden dus verkregen uit waarnemen en denken. Wat het object van onze kennis moet worden: Het moet enerzijds worden waargenomen en anderzijds door het denken worden doordrongen. Dagelijkse en wetenschappelijke kennis is hierop gebaseerd. Hieruit volgt dat er in principe geen grenzen aan de cognitie kunnen zijn. En of een poging tot cognitie wetenschappelijk is, wordt fundamenteel niet bepaald door een bepaald soort object, bijvoorbeeld zintuiglijk waarneembaar, maar door het feit dat iets als waarneming kan worden gevat en met overeenkomstige concepten kan worden doordrongen.

De Spirituele Wetenschap

Dit legt de epistemologische en wetenschappelijke basis voor een wetenschap van de geest. Rudolf Steiner beweert dat er een geestelijke wereld bestaat, dat deze in principe voor de mens waarneembaar is, en dat geestelijke waarnemingen door het denken kunnen worden doordrongen en volgens wetenschappelijke eisen kunnen worden onderzocht. Daartegen worden nu de meest uiteenlopende bezwaren ingebracht.

– Een spirituele wereld bestaat niet. – Maar dat de mogelijkheid van een geestelijke wereld bestaat, kan niet worden weerlegd. Geen enkel logisch argument kan de onmogelijkheid aantonen. Alleen als men de gehele inhoud van de wereld zou kunnen overzien en dit zou kunnen vaststellen, of als het denken zelf tegenstrijdig zou blijken te zijn, zou een dergelijk bezwaar vanuit wetenschappelijk oogpunt mogelijk zijn. Wanneer Rudolf Steiner het bestaan van een geestelijke wereld beweert, kan dit dus niet bij voorbaat worden ontkend, maar moet men zich eerst bezighouden met zijn rechtvaardigingen.

– Een geestelijke wereld kan bestaan, maar kan niet worden waargenomen. – Het feit dat iemand of zelfs een grote groep mensen iets niet kan waarnemen is nog geen bewijs dat het niet mogelijk is. Andere mensen zouden heel goed zulke spirituele waarnemingen kunnen hebben. Men mag zijn eigen onvermogen niet zomaar generaliseren naar anderen zonder het na te gaan. Dat is geen wetenschappelijke benadering. Rudolf Steiner en anderen kunnen dergelijke waarnemingen hebben gehad.

Of wij waarnemingen van iets hebben of kunnen hebben, hangt ervan af of wij er zintuigen voor hebben. In het geval van degenen die geestelijke waarnemingen beweren, zoals Rudolf Steiner, moeten wij dus uitgaan van dergelijke waarnemingsorganen. Waarnemingsorganen zijn echter iets dat in principe niet aan de ene mens toebehoort en niet aan de andere, maar waarvoor ten minste een algemene aanleg moet bestaan. Het kan niet zo zijn dat deze slechts bij enkelen voorkomen. Dit is verboden door de hierboven aangegeven epistemologie. Want daar wordt niet gezegd dat voor sommigen de wereld splitst in waarneming en begrip, maar voor allen.

Zij die nog geen geestelijke waarnemingen hebben, moeten echter de mogelijkheid hebben om de geestelijke waarnemingsorganen te ontwikkelen die in hen voorbestemd zijn. Want disposities worden gekenmerkt door het feit dat zij in beginsel kunnen worden ontwikkeld, anders zouden zij geen disposities zijn. In een essentieel onderdeel van zijn geestelijk-wetenschappelijke uiteenzettingen heeft Rudolf Steiner een opleidingstraject gepresenteerd voor de ontwikkeling van dergelijke bovenzinnelijke waarnemingsorganen.3 Daarmee voldoet hij aan een criterium van de wetenschap, ook van de natuurwetenschap, dat men, om waarnemingen te kunnen beweren, altijd moet kunnen aangeven onder welke voorwaarden die waarnemingen kunnen worden gedaan.

Vanuit wetenschappelijk oogpunt is dit natuurlijk in de eerste plaats een hypothese. Maar om over de waarheid van deze hypothese te beslissen, rest niets anders dan zich in deze omstandigheden te verdiepen. Doet men dit niet, dan is het aan zichzelf om het experiment niet te hebben uitgevoerd. Maar dan kan men niet gekwalificeerd spreken over de mogelijkheid van de vorming van zulke waarnemingsorganen en dus over het bestaan van zulke waarnemingen en moet men zijn mond houden.

– Er zouden veel buitenzintuiglijke waarnemingen worden geclaimd die onzin bleken te zijn. –
Dat komt omdat de noodzakelijke mentale training en de bijbehorende conceptuele penetratie ontbreken. Want uit de kennistheorie volgt dat de loutere waarneming van een geestelijke wereld nog geen kennis en geen wetenschap is. Wie dergelijke waarnemingen beweert, kan, als hij zich beperkt tot waarnemingen, niet beweren iets te hebben erkend. Er wordt zeker veel onwetenschappelijk gesproken over een spirituele wereld. Maar men kan uit het bestaan van onzin niet concluderen dat al het gepraat over een geestelijke wereld onzin is.

Dat er zoveel onwetenschappelijk gepraat wordt over de geestelijke wereld komt volgens R. Steiner vooral door het gebrek aan wetenschappelijke scholing. Daar hebben we eerst de waarnemingen rechtstreeks, kunnen we onze concepten baseren op een veilig fundament van waarneming en oefenen we in systematisch denken. Anders zijn wij niet in staat om zelfs de aanvankelijk veel delicatere en vluchtige geestelijke waarnemingen met de juiste begrippen te doorgronden. Alleen die leggen verbanden en doorzien illusies en hallucinaties.

Bemiddeling van spirituele wetenschap

Nu moet in de relatie tussen waarnemen en denken een onderscheid worden gemaakt tussen de procedure van de onderzoekende wetenschapper zelf en de bemiddeling van de geestelijke wetenschap naar anderen die nog geen geestelijke waarnemingen hebben. De onderzoeker heeft de geestelijke waarnemingen voor zich, die hij doordringt door te denken. Hier wordt aangenomen dat hij ook een getrainde diepere denkwijze moet hebben verworven. Als hij zijn bevindingen aan anderen bekend wil maken, kan dat alleen door de geestelijke verschijnselen en verbanden in termen en ideeën te beschrijven, wat Rudolf Steiner op grote schaal heeft gedaan in talrijke geschriften en voordrachten. Deze gedachte-inhoud kan worden gedacht, begrepen en begrepen door ieder mens die in staat is dienovereenkomstig te denken, ook al ontbreekt het hem nog aan de bijbehorende percepties. Wetenschappelijk gezien kunnen deze inzichten voor hem in eerste instantie natuurlijk alleen het karakter van hypothesen hebben.

Zelfs degenen die geestelijke wetenschappers willen worden en de weg van de opleiding voor de ontwikkeling van geestelijke waarnemingsorganen willen inslaan, moeten eerst, althans parallel, de reeds door anderen onderzochte resultaten bestuderen om hun denken daarop te trainen, zodat het kan omgaan met hun eigen geestelijke waarnemingen die later ontstaan.
Dit is niet anders in de natuurwetenschappen. Ook hier wordt men niet onmiddellijk geconfronteerd met verschijnselen, maar eerst met theoretisch complexe verklaringen die eerst conceptueel moeten worden uitgewerkt. Als wetenschappen gaan ook de natuurwetenschappen in hun studie van concept naar perceptie. Als je iets aan anderen wilt overbrengen, presenteer je eerst de conceptuele verbanden. Afhankelijk van hoe overtuigend ze zijn, zal men het al dan niet aannemelijk achten dat bepaalde waarnemingen daarmee overeenstemmen.

Een ander aannemelijkheidscriterium is dat concepten altijd verband houden met andere concepten, ermee verbonden zijn. Alle begrippen en ideeën in de geesteswetenschappen moeten dus ook een groot organisch verband vormen, een denkorganisme, dat op zichzelf coherent is, vrij van tegenstrijdigheden, waarbij de ene gedachte de andere ondersteunt, in stand houdt en aanvult tot een organisme.

Natuurlijk kan er geen natuurwetenschappelijke conceptuele wereld hier en een geestelijk-wetenschappelijke conceptuele wereld daar zijn, maar slechts één, want de wereld is een geheel. Hieruit volgt dat alle geesteswetenschappelijke conceptualisaties moeten overeenstemmen met alle ware natuurwetenschappelijke conceptualisaties, zodat echte geesteswetenschap nooit in tegenspraak kan zijn met echte natuurwetenschap. In termen van epistemologie is er ook maar één waarnemingswereld, ook al kan die door verschillende zintuigen in verschillende sferen worden begrepen, zodat alle geesteswetenschappelijke conceptualiseringen ook in overeenstemming moeten zijn met onze zintuiglijke ervaringswereld.

Als concepten verbindingen van de waarnemingswereld weergeven, hebben zij een fundamentele verklarende kracht. Wij kunnen dus de conceptualiseringen van de geesteswetenschappen onderzoeken om te zien in hoeverre zij verbanden in onze zintuiglijke waarnemingswereld verklaren. Dit betekent dat zij zich uiteindelijk moeten bewijzen door een plausibele benadering te bieden om ons leven te verklaren. Ook Rudolf Steiner roept herhaaldelijk op tot dit voortdurende onderzoek.

Dezelfde procedure vindt echter ook plaats in de natuurwetenschappen, waar eveneens talrijke waarnemingen pas werden gedaan na de ontwikkeling van bepaalde theorieën; eerst in de astronomie, later in de microfysica. Daar leidden bepaalde plausibiliteitsoverwegingen in het denken tot het zoeken naar bepaalde perceptuele inhouden. Zo zijn planeten ontdekt.

Samengevat: Geestelijke wetenschap is dus wetenschap in precies dezelfde zin als natuurwetenschap. Beide objecten zijn in principe waarneembaar, kunnen worden doordrongen van exacte concepten, en deze concepten vormen een systematisch verband. Er is geen methodologisch verschil. En niet het object maar de beschreven methode vormt het begrip wetenschap.

Tegen deze achtergrond zei Rudolf Steiner dan ook:
“Deze geestelijke wetenschap is helemaal niet afhankelijk van (…) het moeten bedelen om erkenning van de natuurwetenschap of andere wetenschappelijke expertise 4

Over de specificiteit van buitenzintuiglijke waarnemingen

De vorming van ziels-geestelijke waarnemingsorganen is natuurlijk niet zomaar een technisch proces: een paar oefeningen – en men zou al kunnen waarnemen in de hogere wereld. Voordat de menselijke ziel de organen uit zichzelf kan vormen, moet zij veranderen, zichzelf transformeren ten opzichte van haar huidige staat, waarin zij ver verwijderd is van de geestelijke wereld; zij moet worden
het moet als het ware naar de wereld toe bewegen die het wil waarnemen, zich ermee assimileren. Het moet zich vullen met gedachten en gevoelens van bewondering, eerbied, verering jegens de wereld en het leven. En aangezien zij streeft naar een wereld van de hoogste moraal, is het noodzakelijk onophoudelijk vooruitgang te boeken in haar eigen morele leven.

Alle deugden zijn voorwaarden voor de ontwikkeling van het ziels-geestelijke leven. Egoïsme, woede, angst, bijgeloof, vooroordelen, ijdelheid en ambitie, bijvoorbeeld, staan de ontwikkeling van hogere kennis in de weg. Ook in het aardse leven moet de hoogste leidraad zijn om alleen naar de waarheid te streven en daarnaar te handelen.

Alleen op basis van deze inspanningen kunnen de speciale meditaties en oefeningen voor het verdiepen van de psychische vermogens van denken, voelen en willen, die de psychische waarnemingsorganen vormen, op de juiste manier werken. In dit opzicht is het een proces van zielsontwikkeling dat lang kan duren, vaak een heel leven, afhankelijk van de reeds aanwezige vermogens en doorzettingsvermogen.

De wetenschappelijke onderbouwing van antroposofische praktijkgebieden

De wetenschappelijke grondslag van het vrijeschoolonderwijs, de antroposofische geneeskunde en de productie van geneesmiddelen, alsmede de biologisch-dynamische landbouw, blijkt ook uit het wetenschappelijke karakter van de antroposofie.
De wetenschappelijke basis van de antroposofische opvoeding en geneeskunde is de bovenzinnelijke kennis van de mens, die de zintuiglijke kennis van de mens, de antropologie, heeft uitgebreid tot de bovenzinnelijk-geestelijke kennis van de mens, de antroposofie.
Vanuit een concrete bovenzinnelijke visie wijst de antroposofie erop dat de mens niet alleen een fysiek lichaam heeft, maar ook een levenskrachtig (etherisch) lichaam, een zielekrachtig (astraal) lichaam en een geestelijke ego-organisatie, die het fysieke lichaam doordringen, opbouwen en vormgeven. In de kringen van de traditionele pedagogie en vooral in de lasterjournalistiek is dit altijd het onderwerp van minachtend commentaar, dat echter niets anders betekent dan de onwetendheid en het gebrek aan zelfkennis die voortkomen uit materialistische arrogantie.

Want zelfs een onbevooroordeelde waarneming kan – zoals hier al meermalen is opgemerkt – leiden tot de conclusie dat er in de mens dergelijke bovenzinnelijke krachten moeten bestaan, die echter in het fysieke werkelijk werkzaam zijn.
Geen van deze hoogmoedigen kan verklaren hoe reeds in de plant minerale stoffen uit de omgeving, die daar aan de zwaartekracht zijn onderworpen, worden gedwongen tot een hun geheel vreemde vorm, die juist tegen de zwaartekracht in groeit – en zo ook bij dieren en mensen.
Niemand, in zijn materialistische engheid, stelt de vraag hoe bij het dier en bij de mens de materie van het fysieke lichaam, die bij de plant nog gebonden is aan een plaats op de aarde, een geestelijke innerlijke ruimte ontwikkelt die reageert op de buitenwereld en geestelijke bewegingen omzet in uiterlijke bewegingen, waardoor verschijnselen ontstaan die nooit verklaard kunnen worden uit de wetten van de minerale stoffen zelf.
En geen van hen denkt eraan hoe de mens, in tegenstelling tot het dier, rechtop kan lopen en daardoor zijn voorste ledematen heeft bevrijd van de noodzaak om het lichaam mee te dragen en ze heeft gevormd tot instrumenten van culturele activiteit. Dit verklaren vanuit processen van materie is ophouden met inhoudelijk-logisch denken. Zie in meer detail hier.

Het feit dat deze hier bovenzintuiglijk werkzame levens-, ziel- en geestelijke krachten niet alleen indirect in hun materiële effecten, maar direct en onmiddellijk in hun bovenzintuiglijk wezen kunnen worden waargenomen en herkend, betekent een enorme uitbreiding van de kennis van de mens van een fragmentarische kennis, die geheel tot het fysieke is gereduceerd, tot het volledige wezen van de mens, dat in de eerste plaats geestelijk-zielig is en in het fysieke lichaam een aards instrument verdicht, dat alleen concreet kan worden verklaard vanuit de hogere geestelijk-zielige leden van het wezen van de mens.

Pedagogie en geneeskunde, die alleen gebonden zijn aan zintuiglijke waarneming, tasten in feite grotendeels in het duister. Aangezien zij de bovenzinnelijke leden van het menselijk wezen niet kennen, weten zij niet wat zij hen met hun fysieke maatregelen aandoen. Historisch gezien is hun tijd voorbij. Ze steken alleen uit het verleden in onze tijd.

Antroposofische opvoeding en geneeskunde zijn, ondanks hun aanvankelijke onvolkomenheden, de disciplines van het heden en van de toekomst van de mensheid. De strijd die op een breed front tegen hen wordt gevoerd is een strijd tegen de noodzakelijke, heilzame ontwikkeling van de mensheid.

—————–

* Belangrijke suggesties over aspecten van het onderwerp heb ik te danken aan de filosoof en geesteswetenschapper Lars Grünewald, Hamburg
1 Rudolf Steiner: Einleitungen zu Goethes Naturwissenschaftliche Schriften, GA 1, p. 332 f.
2 op. cit.
3 Rudolf Steiner:
– Hoe kennis te krijgen van de hogere werelden,
– Theosofie, hoofdstuk. Het pad der kennis,
– De Geheime Wetenschap in hoofdlijnen, hoofdstuk over het verkrijgen van bovenzinnelijke kennis
4 R. Steiner in GA 324, blz. 11