De logica van de vooruitgang

Door Hugo van der Zee

Download als PDF

We leven in een complexe wereld met veel wantoestanden zoals armoede, onrecht, vervuiling, en schaarste. We zijn al snel geneigd te denken dat oplossingen niet om de hoek kunnen liggen, maar dat de huidige complexe wereld ook om complexe oplossingen vraagt. Al eeuwen lang buigen filosofen en wetenschappers zich over de vragen hoe een staatsinrichting het best kan worden vormgegeven, en hoe een economie het efficiëntst kan functioneren. Je kan tot de conclusie komen dat alles wel zo een beetje bedacht en geprobeerd is, en je kan je afvragen of het daarom wel zin heeft om deze discussies opnieuw aan te gaan. Want we zullen waarschijnlijk toch op dezelfde problemen stuiten.

Dit lijkt op het eerste gezicht een logisch argument. Maar we leven niet in een statische wereld. Iedere tijd en cultuur heeft zijn identiteit, zijn noodzaken en problemen die om oplossingen vragen. Wanneer men geconfronteerd wordt met problemen en naar oplossingen zoekt dan is een eerste logische stap om zich goed te informeren en praktisch na te denken. Dit lijkt vanzelfsprekend maar het gebeurt vandaag de dag nauwelijks. De logica, van bijvoorbeeld wetenschap of politiek zijn gevat in nauwe kaders waar men niet graag buiten komt.

Wanneer men de moeite neemt om logisch, en vooral praktisch na te denken dan kan men tot de conclusie komen dat oplossingen helemaal niet zo moeilijk hoeven te zijn. Men moet natuurlijk een duidelijk idee hebben van wat men wil, en waar men denkt dat het naar toe moet. Een logische eerste stap is ons af te vragen in wat voor wereld we eigenlijk willen leven. Daaruit volgen vragen als; wat heeft een mens nodig om een menswaardig bestaan te kunnen leiden? Hoe kunnen we tot een gezonde, duurzame maatschappij komen met respect voor natuur, dier en medemens? En dat niet alleen voor onze generatie, maar ook voor toekomstige generaties. Dit zijn logische vragen. Toch is de inrichting en werking van de huidige (industriële) maatschappij tegenstrijdig met deze ideeën. In dit artikel wordt getracht om met duidelijke voorbeelden te laten zien waarom de industriële maatschappij inefficiënt en schadelijk is, en dat duurzame oplossingen niet ver weg hoeven te liggen wanneer men logisch nadenkt.

Een groot gedeelte van de wereldbevolking heeft vandaag de dag een mobiele telefoon. De ecologische ‘voetafdruk’ van een telefoon is aanzienlijk. Alleen al voor de productie processen die bij het tot stand komen van een enkel ‘mobieltje’ komen kijken is meer dan een miljoen liter water nodig. Een mobiele telefoon bestaat uit veel hoogwaardige materialen en die moeten ontgonnen en verwerkt worden. De fabricage en assemblage zijn specialistische processen waar veel halffabricaten bij komen kijken en daar zijn weer veel energie en grondstoffen voor nodig. Dan zijn er nog de activiteiten die nodig zijn voor het gebruik van de telefoons, zoals de netwerken, de centrales en andere apparatuur. Omdat een mobiele telefoon zo’n gangbaar artikel is geworden ziet men al gauw over het hoofd hoe groot de aanslag op natuur en milieu is. En dan laten we de straling nog buiten beschouwing. Ook voor simpele producten geldt dat het productieproces zeer schadelijk voor het milieu kan zijn. Neem bijvoorbeeld het conservenblikje. Dat bestaat wellicht uit minder hoogwaardig metaal dan een telefoon. Maar het is metaal, dat ontgonnen moet worden en dat kost veel energie en veroorzaakt vervuiling. Dit betekent hoe dan ook een aanslag op het milieu. Dan zijn er afwerkingsprocessen. Het blikje wordt geverfd of beplakt en krijgt aan de binnenkant een kunststof coating (die chemicaliën als bisfenol A bevat). Wanneer men de ecologische voetafdruk van een conservenblikje berekent dan blijkt het een zeer kostbaar product. Maar na eenmalig gebruik belandt het op de vuilnisbelt. Dit zijn slechts twee voorbeelden. Maar voor de meeste productie geldt dat het niet duurzaam en uiterst inefficiënt is. Zo bestaat bijvoorbeeld de kostprijs van supermarkt voedsel voor 93% uit de verwerking, verpakking en distributie. Toch spreekt men over de ‘efficiëntie van de zelfregulerende markt’. Dit komt omdat het hoofdzakelijk de financiële markt is die de economische processen bepaalt. Voor deze markt heeft alleen iets ‘waarde’ wanneer er een prijs aan kan worden gegeven. Ecologische en maatschappelijke factoren spelen nauwelijks een rol bij de prijsvorming. Financieel gezien kan productie dus zeer efficiënt zijn, terwijl het ecologisch, sociaal en cultureel gezien catastrofaal is.

Nu zullen weinig mensen ontkennen dat de wereld niet onbeperkt geëxploiteerd en vervuild kan worden. Toch doet de industrie het, en de economie en vrijwel alle politieke partijen links en rechts stimuleren het. De politiek pakt de problemen net als in de klassieke wetenschap aan door te analyseren. Men hakt het probleem in stukken en behandelt die afzonderlijk. Dit blijft natuurlijk rommelen in de marge. Men schaaft wat bij aan de buitenkant, maakt het slechte minder slecht en beloont dat wat men beter acht. Met allerlei nieuwe regelgeving zoals het stimuleren van technologische innovaties, en maatregelen als milieuheffingen hoopt men richting een duurzame maatschappij te gaan. De problemen groeien echter sneller dan de oplossingen. Dit gaat zo al tientallen jaren, en de politiek blijft volhouden dat men ‘bezorgd’ is. Natuurlijk zijn er veel mensen die oprecht bezorgd zijn en openstaan voor duurzame oplossingen. Maar een goede instelling is niet goed genoeg. Het gaat erom dat we resultaatgericht gaan denken en handelen. Wanneer we afval scheiden betekent dat nog niet dat we werkelijk milieubewust zijn. We moeten beseffen dat de problemen niet aan het einde van de ketens moeten worden aangepakt. Voor de meeste producten geldt dat het afval van het product zelf maar een fractie van het afval vormt dat tijdens het productieproces vrijkomt. Hoe netjes we ook ons afval scheiden en recyclen, het zijn geen werkelijke oplossingen. Het is noodzakelijk dat we een juiste inschatting vormen over de huidige situatie voordat we tot werkelijke oplossingen kunnen komen. We moeten bijvoorbeeld beseffen dat het nooit ecologisch duurzaam kan zijn wanneer we allemaal auto’s, koelkasten en televisies bezitten. Een gezonde en duurzame samenleving kent geen grote steden, geen industriële en financiële superstructuren, geen wereldomspannende wegennetwerken en vliegroutes.

Men erkent over het algemeen wel dat de moderne wereld zijn problemen heeft, maar men ziet niet dat de maatschappij waarin wij leven structureel ongezond is. Men legt de problemen niet zo snel bij zichzelf. Wanneer een dier zijn eigen leefomgeving vervuilt en zichzelf slecht onderhoudt dan is het duidelijk dat het dier zich niet zal kunnen handhaven, en hoogstwaarschijnlijk zal sterven. We zeggen dan dat er met het dier iets mis is, dat het ziek is. Maar wanneer de mens zijn eigen leefomgeving vervuilt en vernietigt willen we niet inzien dat we in een zieke beschaving leven. Veel mensen beseffen het wel, maar accepteren het, net zoals een drugverslaafde goed weet wat hij zichzelf aandoet, maar niet de kracht heeft om eruit te stappen. Het is de ernst van situatie die veel mensen ervan afhoudt om zich te informeren en te handelen. Onwetendheid lijkt een gemakkelijke schuilplaats. Iedereen zal dit herkennen. We doen onze afval in een zak, het wordt opgehaald, en weg is het, we denken er verder niet over na. We voelen ons niet verantwoordelijk. De politiek moet er maar voor zorgen dat het netjes opgeruimd wordt. Daar stem ik toch immers voor?

Noch de politiek, noch de wetenschap komt met oplossingen, en tóch moet er wat gebeuren. De industriële maatschappij kan zo niet voortbestaan. En het moet nú veranderen, we hebben geen generaties lang de tijd meer. Je hoeft geen genie te zijn om te zien welke richting het op moet gaan: De ethiek in het economische, politieke en culturele leven zal terug moeten komen.
Omdat de economie een dominante rol in de maatschappij speelt, zal er in dit artikel hier met name aandacht aan worden besteed. Voor een sociaal en ecologisch duurzame economie zijn ingrijpende veranderingen nodig, geen ad-hoc oplossingen zoals extra belastingen en technologische verbeteringen. Wat is er dan wel concreet nodig? Iedereen die zich goed informeert en logisch nadenkt kan tot de conclusie komen dat er werkelijke internationale samenwerking nodig is, en tegelijkertijd een decentralisatie van de economische processen. De productie en consumptie, de distributie en de administratieve (financiële) activiteiten die daarmee verbonden zijn, moeten georganiseerd worden vanuit lokale gemeenschappen. Dit wil zeggen dat lokale gemeenschappen zelfsturend en grotendeels zelfvoorzienend zijn, en daarnaast zelf besluiten op wat voor manier, en onder welke voorwaarden men aansluit bij hoger gelegen economische structuren (bijvoorbeeld regionaal, nationaal en internationaal).

Productie en consumptie zijn de kernactiviteiten van de economie. Het is dus belangrijk te weten hoe producten tot stand komen, en hoe ze gebruikt en geconsumeerd worden. Bij het proces van productontwikkeling wordt vandaag de dag exclusief gekeken of het product (financiële) winst opbrengt. Of het product nuttig is doet niet ter zake, als er geen nut of noodzaak is dan weet men het wel via reclame aan de man brengen. Dit resulteert in de grote hoeveelheid onnodige, en vaak schadelijke producten die we om ons heen zien. In een gezonde economie zullen er logische vragen aan de productie vooraf moeten gaan. Bijvoorbeeld; is het product nuttig? Is het gezond? Wat is het energieverbruik? Is het product schadelijk voor mens, dier en milieu? Zijn de grondstoffen van het product te regenereren. Hoe lang gaat het product mee? Kan het product worden hergebruikt? Kan het makkelijk worden gerepareerd? Men zal niet alleen het product zelf moeten bekijken, maar het hele productieproces. Door vragen te stellen als; hoe komt het product tot stand, en wat zijn daar de implicaties van? Wat zijn bijvoorbeeld de sociale en maatschappelijke implicaties van het product? Men kan niet van elke producent en consument te verwachten dat ze de parate kennis hebben om van elk product te weten of de productie duurzaam en rechtvaardig is. Dit moet een gezamenlijke inspanning zijn van associaties waar zowel producenten als consumenten bij betrokken zijn.

Wanneer men dergelijke ideeën met politici bespreekt dan krijgt men vaak het antwoord dat het best vooruitstrevend klinkt, maar dat het allemaal zo eenvoudig niet is. Natuurlijk is het niet eenvoudig, zelfs onmogelijk, om binnen de huidige maatschappelijke structuren werkelijke vernieuwingen door te voeren. Politieke middelen hebben nu eenmaal hun beperking. Dit komt niet omdat de politieke partijen falen. Het is het systeem dat niet werkt. De politieke stelsels staan vandaag de dag ver af van iets dat je een democratie zou kunnen noemen. Het wordt dan ook steeds lastiger voor politici om hun beleid met rationele argumenten te verdedigen. Men valt al snel in dogmatische retoriek en gebrekkige argumentaties. Zoals bijvoorbeeld het argument dat de grote industrieën misschien wel vervuilend zijn, maar toch ook veel werk verschaffen.
Men ziet niet dat de grote industrieën en de loonstelsels juist de hoofdoorzaak van de problemen vormen. De oplossing ligt er niet in om ‘banen te scheppen’ die het systeem draaiend moeten houden. Er zijn nieuwe maatschappelijke structuren en samenwerkingsvormen nodig. Alleen dan kunnen we tot een duurzame samenleving met gezonde verhoudingen komen. Dit is geen utopie maar een noodzaak. Het is een utopie te geloven dat de wereld zo door kan gaan. De wereld schreeuwt om werkelijke oplossingen. De huidige industrieën zijn te complex en de bedrijfsmodellen te beperkt om tot oplossingen te

komen die voor iedereen werken. Ook is er weinig te verwachten van de gangbare wetenschap. De economie bepaald sterk hoe ons leven wordt vormgegeven. Juist op dit gebied zijn er logische begrippen en praktische studies nodig. Maar ondanks dat de economie een ‘sociale wetenschap’ is houden de economen zich voornamelijk bezig met abstracties zoals bnp, inflatie, rentevoet en groeicijfers. Deze tracht men te rangschikken in statistieken en grafieken en daar baseert de politiek haar keuzes weer op. Door de abstracties en een onbegrijpelijk vakjargon weet men te verbloemen dat het huidige financiële systeem niet meer dan een piramidespel is.

De instituten waar men van zou kunnen verwachten dat er nog nagedacht wordt, de scholen en universiteiten, zijn er juist sterk op gericht om te voorkomen dat mensen nadenken. Het onderwijs bestaat vandaag de dag hoofdzakelijk uit ‘training’, die ons moet voorbereiden om, zoals de Engelse term duidelijk zegt, ‘human resources’ te worden voor de industriële consumptiemaatschappij. Kinderen en jonge mensen die in de kracht van hun leven zijn worden geacht uren per dag in schoolbanken te zitten. Voor velen is dat uiteraard een straf. Als men deze uitzit wordt het beloond met een diploma, het toegangskaartje voor het tragische circus dat onze samenleving is geworden. De media, de politiek, kortom onze hele cultuur leert ons om bang te zijn, voor schaarste, ziektes, terroristen, om buiten de boot te vallen, en tegelijkertijd biedt het ons afleiding in de vorm van onnozel vermaak en dwangmatige consumptie. We worden geleerd als dieren op prikkels te reageren en vooral niet na te denken.

Maar de mens is geen dier. En men zal nooit kunnen verhinderen dat mensen de logische noodzaak van een structurele verandering inzien. Zeker wanneer de feiten zo duidelijk spreken. Je hoeft geen genie te zijn om de voordelen van een duurzame lokale georganiseerde economie tegenover gecentraliseerde economie te kunnen zien. Lokaal georganiseerde economieën kennen een natuurlijke stimulans om lokaal te telen en te produceren. De transportlijnen zijn dus vanzelfsprekend korter wat scheelt in de kosten van vervoer. Met name bij de voedselketens is hier veel winst te boeken. Zo is er minder noodzaak tot koeling, hoogwaardige verpakking en conserveringsmiddelen. Dit maakt lokaal geproduceerd voedsel natuurlijk verser en gezonder. Verder heeft ieder land en regio zijn natuurlijke eigenschappen zoals bodemsamenstelling en weersomstandigheden. Wanneer de productie hierop wordt afgestemd kan er efficiënt worden geproduceerd. Door seizoens gewassen te eten hoeft men geen energie te verbruiken met verwarming en kunstlicht. Dit vraagt natuurlijk wel om een mentaliteits aanpassing. Wellicht kunnen we geen ananas en mango meer eten, en in de winter geen aardbeien en asperges, maar de natuur is rijk genoeg, en de mens creatief genoeg om gevarieerd, gezond en smakelijk voedsel te verbouwen en te bereiden. Lokale landbouw kent een hogere biodiversiteit dan grootschalige landbouw, die voornamelijk uit monoculturen bestaat. Biodiversiteit is niet alleen gezonder voor mens en milieu, het kent ook een grotere veerkracht dan grootschalige land en tuinbouw. Zo zijn monoculturen zeer kwetsbaar voor besmettingen, ziektes en ongedierte. Alleen met gebruik van kunstmatige hulpmiddelen, die over het algemeen schadelijk zijn, is dit beperken. Lokale landbouw en veeteelt leent zich veel beter voor biologische productie. Dat betekent dat bij veeteelt geen hormonen en antibiotica worden gebruikt, wat uiteraard beter voor dier en mens is. En bij biologische landbouw is er geen noodzaak tot het gebruik van pesticiden, onkruidverdelgers en kunstmest. De aarde hoeft niet uitgeput te worden en door het gebruik van organische meststoffen wordt het grondwater niet verontreinigd.

Men hoort wel de bewering dat massaproductie en monoculturen nu eenmaal noodzakelijk zijn om de groeiende wereldbevolking van eten te kunnen voorzien. Dit is een mythe die door meer dan één instituut weerlegd is. De voornaamste oorzaak van honger in de wereld is dat mensen in arme landen worden verhinderd in hun eigen voedsel te voorzien. Dit komt onder andere door zaken als landonteigening (de ‘landgrabs’), vervuiling van de grond en het grondwater, patenten op zaden, klimaatverandering, en de dwang van instituten als het IMF en de Wereldbank om te produceren voor de wereldmarkt (wat er op neer komt dat men produceert voor de rijke landen). De handel op de wereldmarkt is een permanente koopjesjacht en wanneer men voedsel voor deze markt produceert kan men niet anders dan roofbouw plegen. De omstandigheden van de werkers liggen vaak op het niveau van slavernij. Daarbij is de wereldmarkt zeer wispelturig en fragiel. Door de zeer kleine winstmarges van de grootschalige landbouw kan een paar cent verschil al catastrofaal zijn. Wanneer een boer soja verbouwd en aan de andere kant van de wereld weet men een zak soja voor een paar cent minder op de markt te krijgen dan kan zo’n boer in één seizoen failliet raken. Hierdoor leven veel boeren in constante onzekerheid, en zijn bereid tot verregaande concessies. Het grootste probleem van de wereldmarkt ligt hem echter in de speculatie. Door voedsel op te slaan (achter te houden) of juist te dumpen kan men de prijzen beïnvloeden en hiermee worden enorme winsten gemaakt.

Lokale productie en consumptie zijn in dit opzicht veel stabieler. Wanneer men minder afhankelijk van buitenlandse producten en expertise is dan versterkt dit het vertrouwen en zelfrespect. Producenten die zich op de lokale markt afstemmen zullen natuurlijkerwijs een relatie met de klanten opbouwen. Men weet dat er een constante vraag is en dat men het product aan de man zal kunnen krijgen. Dit schept zekerheid en tevens sociale duurzaamheid. Het is bekend dat gemeenschappen met directe economische en sociale interactie minder maatschappelijke problemen kennen zoals criminaliteit, corruptie en ongelijkheid. Er is binnen een gemeenschap duidelijker zicht op misstanden en er zijn meer middelen om deze aan te pakken. Wanneer er bijvoorbeeld sprake is van vervuiling of onethisch gedrag door een bedrijf, dan zal het makkelijker zijn dit bedrijf ter verantwoording te roepen wanneer het een lokaal bedrijf is. Dit in tegenstelling tot een anoniem buitenlands bedrijf dat meestal buiten de lokale wetgeving valt, en vaak zo groot en machtig is dat het de lokale politiek kan beïnvloeden.

Menswaardige werkcondities zijn een belangrijke factor voor maatschappelijke stabiliteit. In de huidige industrie is arbeid duur, en de mens is de problematische factor, een ‘noodzakelijk kwaad’, in het productie proces geworden. Men probeert de menselijke factor daarom zoveel mogelijk te elimineren. Een werkgever zal altijd proberen te produceren met zo weinig mogelijk arbeidskracht. Daarbij is er een trend de arbeidsprocessen zo veel mogelijk te vereenvoudigen zodat de werknemers vervangbaar zijn, het liefst door machines. Volgens de econoom Schumacher ligt het probleem erin dat arbeid is gereduceerd tot slechts één van de maatschappelijke functies die het vervult (de productie). Schumacher stelt dat arbeid naast productiviteit nog twee andere belangrijke functies heeft. Namelijk; werk geeft de mens gelegenheid om zijn talenten en kwaliteiten te gebruiken, te oefenen en verder te ontwikkelen, en zijn creativiteit ontplooien. En ook stelt werk ons in staat in dienst van de gemeenschap sociale en culturele samenwerkingsverbanden te creëren. Werkstructuren waar deze factoren geïntegreerd zijn hebben in het verleden veel bestaan. Denk bijvoorbeeld aan de middeleeuwse gildes. Maar ook vandaag de dag zijn er succesvolle ‘integrale’ werkstructuren. Zo heeft de Braziliaanse ondernemer Ricardo Semler een bedrijfsmodel ontwikkeld waar de werkers niet eenzijdig gedirigeerd worden, maar zijn opgenomen in het productieproces. Semler begrijpt goed dat het wel of niet gemotiveerd naar het werk gaan een verschil van dag en nacht betekent. De werknemers in het bedrijfsmodel van Semler hebben autonomie op meerdere gebieden, zo is men niet alleen bij de productie betrokken, maar ook bij het bepalen van salarissen, en de werknemers bepalen zelf wie de leidinggevende functies hebben. Het eerste bedrijf dat het model implementeerde was het familie bedrijf Semco in Brazilië (in de jaren 80). Het was een groot succes en kreeg veel navolging in de rest van de wereld, ook in Nederland. Natuurlijk moeten bedrijven als Semco nog steeds concurrerend op de wereldmarkt presteren. In dit opzicht is nog veel verbetering mogelijk. Wanneer duurzaamheid en gezondheid als factoren in het productieproces wordt opgenomen dan zal er veel ruimte voor vernieuwing zijn. Zo kan het weer economisch interessant worden om kwaliteitsproducten te maken. En het kan weer lucratief zijn om producten te verbeteren en te repareren, wat vakmanschap vereist. Vakmanschap is één van de factoren die de mens in staat stelt om plezier aan het werk te beleven.

Financiële zaken zoals geldschepping en kredietverlening hebben een directe invloed op een samenleving. Het is bijvoorbeeld zeer bepalend voor een gemeenschap, wanneer iemand wel of geen lening krijgt om een onderneming te beginnen. Geld werd ooit uitgevonden omdat directe ruilhandel steeds onpraktischer werd in de complexer wordende samenlevingen. Geld is in wezen niet meer dan een rekeneenheid, een (abstracte) vertegenwoordiging van producten en diensten. Het is dus logisch dat financiële zaken zoals gelduitgave en kredietverstrekking binnen lokale gemeenschappen georganiseerd worden. Een globaal financieel systeem met haar eigen regels waar de mensen zich naar moeten voegen kan nooit goed werken. Ditzelfde geldt omgekeerd voor de mens ten opzichte van de natuur. De mens kan de natuur niet volledig ondergeschikt aan zich maken. De mens maakt uiteindelijk zelf deel uit van een ecosysteem. We zijn geen externe factor en het is niet meer dan logisch dat we de omgeving die ons omvat en voedt in stand houden. De verstedelijking laat zien wat er gebeurt wanneer de mens de verbinding verliest met de ecosystemen waar we in leven. Er ontstaat vervreemding, met alle neveneffecten die dat met zich meebrengt.

Dat ecosystemen in stand moeten worden gehouden hoeft geen beperking te zijn. Integendeel, de aarde en haar ecosystemen zijn systemen van overvloed. Daarbij is de natuur zelf regenererend en zelfreinigend. Hier werkt een duurzaamheid en dynamiek waar de mens nog veel van kan leren. De econoom Schumacher beschrijft in zijn boek ‘small is beautiful’ drie hoofdactiviteiten van de mens ten opzichte van de natuur. De eerste twee zijn al besproken, namelijk: het land bewerken voor productie, en het in stand houden van de ecosystemen. De derde activiteit is dat de mens zorg moet dragen dat het land dat men bewerkt en vorm geeft ook ‘mooi’ is. Het moet schoonheid hebben. Dit zullen de industriëlen en economen weghonen als romantische ideologie die niet van deze tijd is. Het is dan ook niet verrassend dat de huidige cultuur zoveel lelijkheid kent. Verval gaat vaak gepaard met lelijkheid. Er zijn ook mensen die zien dat een cultuur zonder schoonheid niet levensvatbaar kan zijn, en daarom juist ‘uit de tijd’ genoemd kan worden.

Men denkt wel dat we voor een ecologische duurzame samenleving terug zouden moeten gaan naar een primitieve beschaving. Men ziet het beeld van een ruraal middeleeuws bestaan met monotone arbeid en allerlei ongemakken. Maar ecologische duurzaamheid betekent geen achteruitgang, en er hoeven geen offers gebracht te worden. Het gaat juist om vooruitgang, het kan beter, schoner, gezonder en rijker. Het is niet de technologie die de oorzaak van de problemen is. Het is de manier waarop we technologieën gebruiken. Duurzame technologieën hoeven niet complex te zijn. Er bestaan al veel duurzame technologieën. Zo kan men bijvoorbeeld van linnen zeer hoogwaardig textiel maken. Linnen wordt gemaakt van vlas en dit gedijt prima in Nederland. Bij de teelt van vlas zijn geen bestrijdingsmiddelen nodig en het is milieuvriendelijker dan katoen. Bovendien geeft vlas een dubbele oogst; behalve het linnen is er het lijnzaad waar olie en gezond veevoer van gemaakt kan worden. Het is echter financieel niet lucratief omdat synthetische textiel zo goedkoop is. Daarnaast zijn er voor nieuwe ideeën investeringen nodig. Investeerders richten zich voornamelijk op ontwikkelingen waarvan de korte termijn opbrengsten hoog zijn, en dit zijn zelden ‘duurzame’ ontwikkelingen. Zo zijn er veel haalbare ideeën die het licht niet zien. Vandaar dat monetaire hervorming zo noodzakelijk is. Wanneer duurzame productie de standaard is dan is er ineens veel mogelijk. Hoe dan ook, onze beschaving is sterk afhankelijk van olie, en die raakt een keer op. De landbouw, de energiewinning, het transport, de meeste van onze gebruiksartikelen, alles is op goedkope olie gebaseerd. Dus hoe eerder we beginnen met duurzame alternatieven hoe beter.

Een andere misvatting is dat een duurzame maatschappij uit geïsoleerde gemeenschappen zou moeten bestaan. Maar dit is niet hoe een duurzame wereld er uit hoeft te zien. Communicatiemiddelen en transport hoeven niet afgeschaft te worden, maar moeten duurzaam gemaakt worden. Er zal altijd communicatie en interactie zijn. Wetenschappelijke uitwisseling is uiteraard zeer belangrijk voor een duurzame wereld. Een gedecentraliseerde wereld kent rijkere culturele uitwisselingen dan een wereld met één dominante cultuur. Verder zijn externe handelsbetrekkingen een logisch onderdeel van iedere cultuur. Centraal geleide ‘top-down’ structuren zoals grote bedrijven of regeringen kunnen nooit overzien wat de lokale realiteit en noodzaak is, en wat de effecten van bepaalde productie op een gemeenschap zijn. Het is dus logisch dat lokale gemeenschappen in een ‘bottom-up’ structuur zelf bepalen wat wel of niet wenselijk is. Elke economische activiteit heeft zijn eigen doeleinden en reikwijdte. Hiervoor kunnen bilaterale en multilaterale afspraken gemaakt worden tussen gemeenschappen, regio’s en landen. Sommige van die afspraken zullen beschermend zijn, en anderen juist weer open. Dit hoeft geen idealistische gedachte te zijn. Er hebben vele praktische en collectieve samenwerkingsverbanden bestaan. In Nederland kennen we bijvoorbeeld het ‘poldermodel’. Dit is een consensusmodel dat teruggaat tot de middeleeuwen. Er was een gezamenlijke noodzaak, namelijk dat er goede dijken waren om overstromingen te voorkomen. Het bleek praktisch gezien het meest effectief om samen te werken ongeacht afkomst of stand. Boeren, edelen, stedelingen en overige burgers, allen namen deel aan de vergaderingen en hadden een stem. Ook nu dreigen er catastrofes. Een poldermodel op internationaal niveau zou een stap kunnen zijn naar een wereld met gelijke inspraak, waar men werkt naar een doel dat in belang van iedereen is.

De logica van lokaal georganiseerde gemeenschappen en van de noodzaak tot structurele veranderingen zal nooit iedereen overtuigen. We moeten kunnen accepteren dat niet iedereen van goede wil is. Wanneer personen of instanties echt niet overtuigd willen worden dan heeft het weinig zin om maar te blijven argumenteren. Het is constructiever om mensen en organisaties te bereiken die wel openstaan voor vernieuwingen. Er zullen vertrouwensrelaties moeten ontstaan binnen gemeenschappen waar mensen zich kunnen verenigen en samenwerken. Er is heel wat vertrouwen nodig om zich niet te laten meeslepen door fatalisme, en zich niet te laten intimideren door kritiek en tegenwerking. De nieuwe gemeenschappen kunnen een ondersteuningsplatform vormen die mensen de mogelijkheid geven om zich collectief te kunnen verdedigen, wanneer men bijvoorbeeld op wetten of besluiten stuit die immoreel en schadelijk zijn. We lijken op het moment ver van dergelijke ontwikkelingen af te staan. De tegenkrachten lijken zo machtig, en de meeste mensen lijken zo te slapen. Maar we kunnen niet wachten tot de meerderheid wakker wordt. Er zijn altijd mensen nodig die ‘de kar moeten trekken’. Zelfs als de situatie ons hopeloos toe schijnt betekent dat niet dat we passief kunnen blijven. Wanneer men kijkt naar de helpers van de mensheid uit de geschiedenis, het waren vaak maar enkele personen die de zaak in beweging zetten. Het succes van deze personen was te danken aan het feit dat, ondanks dat alles hen tegen leek te zitten en de zaak hopeloos leek, dit hen er niet van weerhield om door te zetten. Waar vinden we deze kracht? Men kan denken aan de kracht van de liefde voor de wereld, voor de natuur, dier en  medemens. Of de kracht van de waarheid, van de overtuiging dat men het juiste doet, de kracht waar Victor Hugo ooit over schreef dat; ‘geen leger een idee kan tegenhouden waarvoor de tijd rijp is’.

Bronnen

The critical path Buckminster Fuller

Small Is Beautiful E. F. Schumacher Steady state economy Herman Daly

Het gelijk van het genoeg Henk van Arkel The Story of Utopias Lewis Mumford

Sociale toekomst Rudolf Steiner

Derrick Jensen The Endgame, Deep Green Resistance