Rudolf Steiner

Bremen, november 1910

Woorden als deze van Rudolf Steiner, uitgesproken op 27 november 1910 te Bremen, kunnen een bron van vertrouwen zijn:

“Wij moeten de angst en de afschuw voor wat de mens uit de toekomst tegemoet komt, uit de ziel bannen. De mens moet sereniteit verwerven ten aanzien van alle gevoelens en gewaarwordingen met betrekking tot de toekomst. Wij moeten met volkomen gelijkmoedigheid uitzien naar alles wat komen kan, en alleen denken dat wat komen zal, tot ons zal komen door de wijze leiding van de wereld. We moeten elk moment doen wat juist is en al het andere aan de toekomst overlaten. Het maakt deel uit van wat wij in deze tijd moeten leren om te leven vanuit puur vertrouwen, zonder bestaanszekerheid, vanuit vertrouwen op de altijd aanwezige hulp uit de geestelijke wereld”.

Da können Worte wie diese von Rudolf Steiner, ausgesprochen am 27. November 1910 in Bremen, eine Quelle der Zuversicht sein:

«Wir müssen mit der Wurzel aus der Seele ausrotten Furcht und Grauen vor dem, was aus der Zukunft herandrängt an den Menschen. Gelassenheit in Bezug auf alle Gefühle und Empfindungen gegenüber der Zukunft muss sich der Mensch aneignen. Mit absolutem Gleichmut entgegensehen allem, was da kommen mag, und nur denken, dass, was auch kommen mag, durch die weisheitsvolle Weltenführung uns zukommt. Wir haben jeden Augenblick das Rechte zu tun und alles andere der Zukunft zu überlassen. Es gehört zu dem, was wir in dieser Zeit lernen müssen, aus reinem Vertrauen zu leben, ohne jede Daseinssicherheit, aus dem Vertrauen in die immer gegenwärtige Hilfe aus der geistigen Welt.»