Friedward Husemann: – 2022 – 29 Januari – De Weense jaren van Rudolf Steiner

De Weense jaren van Rudolf Steiner


Nieuwsbrief over Antroposofie

Beste vrienden,

Inmiddels heeft Martina Maria Sam “Rudolf Steiner – de Weense jaren 1884 -1890” uitgegeven, Dornach, 2021, 536 blz, € 50,00. Van dezelfde auteur verscheen in 2018 het eerste deel over “Rudolf Steiner – Kindertijd en jeugd”. Ik zal in mijn nieuwsbrieven nog verschillende keren op beide werken terugkomen. Mijn samenvattend oordeel over het werk van mevrouw Sam: een heel ander niveau van biografie dan tevoren. Mevrouw Sam verwijdert als het ware ‘het roet’ wat Christoph Lindenberg gedeeltelijk en Helmut Zander volledig over het leven van R. Steiner heeft uitgestrooid.

Er is misschien niets interessanter dan de biografie van Rudolf Steiner. Hoe hij als kleine jongen in het stationskantoor van zijn vader leerde telegraferen, zodat hij van kindsbeen af als vanzelfsprekend met morsecode overweg kon. Hoe hij als middelbare scholier en student aan de Technische Universiteit juist niet werd opgevoed en onderwezen in een literaire, humanistische, filosofische of religieuze richting, waarin hij later vooral actief werd. En vooral: welke zeer verschillende mensen hij ontmoette, hoe hij bevriend met hen was, hoe hij van hen hield. Maar later ging hij een weg die zijn toenmalige vrienden niet begrepen.

Laten we Marie Eugenie delle Grazie (1864 – 1931, zie de foto hierboven) als voorbeeld nemen. Steiner’s leraar K. J. Schröer was aanvankelijk enthousiast over haar, maar nam later afstand vanwege haar pessimistische houding. R. Steiner schreef een missive aan de dichteres “De natuur en onze idealen” (GA 30, p. 237 e.v.), die hij later omschreef als de “oervorm van zijn filosofie van de vrijheid”. Steiner verwierp het pessimisme, maar hij bewonderde de artistieke kracht waarmee dit pessimisme vorm kreeg. Schröer was teleurgesteld over Steiners tekst en zei tegen hem dat als hij op deze manier over pessimisme schreef, zij elkaar nooit begrepen zouden hebben (GA 28, hfdst. VII). R. Steiner werd geraakt. Een “echte breuk” ging door zijn gevoelsleven in die tijd (ibid.). Aan de ene kant van deze kloof stond zijn geliefde leraar Schröer, aan de andere kant de kring rond Marie Eugenie delle Grazie, waar hij zich als mens zo op zijn gemak voelde, ondanks de inhoudelijke verschillen. Er volgden verschillende publikaties, die R. Steiner over de dichteres schreef. Zij bedankte hem telkens hartelijk. Rond de eeuwwisseling, toen R. Steiner al in Berlijn was, schreef Marie Eugenie delle Grazie aan R. Steiner over zijn laatste artikel, zij schreef dat zij zichzelf door zijn woorden heen zag als in een spiegel, zo trefzeker waren ze. Toen kwam kort daarna de theosofische tijd van R. Steiner, en Marie Eugenie delle Grazie was meer dan geïrriteerd. In 1904 schreef zij de komedie ” Dwazen der Liefde “, met als hoofdrolspeler een zekere Dr. Benno Randolph, met wie zij R. Steiner satireerde. Steiner bleef een bewonderaar van de poëzie van delle Grazie, droeg haar werken voor in de school voor arbeiderseducatie en liet later ook haar teksten voordragen door Marie Steiner. De “Oproep aan het Duitse Volk en aan de Culturele Wereld” (1919) was ondertekend door delle Grazie. Daarna kwam de artikelenreeks “Mein Lebensgang” in 1924/25, waarin R. Steiner de kring rond delle Grazie uitvoerig beschreef en het een “plaats van anti-Goetheanisme” noemde. Delle Grazie was hierdoor teleurgesteld. Zij schreef aan C. S. Picht dat zij in die tijd elke avond een gedicht van Goethe had gelezen. Met het Goetheanisme bedoelde R. Steiner echter niet de dichter van „Füllest wieder Busch und Tal…“, maar de Goethe uit wiens denkwijze zich zoiets als de antroposofie kon ontwikkelen. Het was juist deze Goetheaanse methode die in de kring rond delle Grazie werd afgewezen.

De bovengenoemde teleurstellingen en breuklijnen kunnen worden begrepen als men zich verplaatst in de betrokken persoonlijkheden en hun manier van denken. De weg van R. Steiner en zijn vrijheid van geest, zijn verdraagzaamheid en vooral zijn vermogen tot liefde waren voor zijn vrienden een uitdaging, misschien ook een te hoge opgave. Vergelijkbaar met delle Grazie was het met Rosa Mayreder, met Moritz Zitter, met Hermann Bahr, met Friedrich Eckstein en gedeeltelijk ook met de zonen van de familie Specht.

Zoals bij zijn vrienden, zo was het ook bij de denkers en onderzoekers met wie R. Steiner zich identificeerde, het waren mensen met zulke fundamenteel verschillende opvattingen als: Thomas van Aquino, Goethe, Max Stirner, Eduard von Hartmann, Franz Brentano, Friedrich Nietzsche en Ernst Haeckel. Het is zeker dat R. Steiner zelf het meeste profijt heeft getrokken uit al deze identificaties en veelzijdige vriendschappen en er zijn leven lang zeer dankbaar voor is geweest.

Wat was hier aan de hand? R. Steiner’s leven was een leven van het toekomstige tijdperk. In de toekomst (in de 6e post-Atlantische periode) zal elke andere mens die wij ontmoeten, meer met ons Ik van doen hebben dan wijzelf: “Het vreemde zal zich voordoen dat elke andere mens die wij ontmoeten en die iets met ons te maken heeft, meer met ons IK te maken zal hebben dan datgene wat daar omhuld is door de huid. Zo stevent de mens af op het sociale tijdperk…” (GA 187, 27.12.1918). Hetzelfde Christologisch gezegd: zonder dat ons ik zo’n “holle vorm” wordt, kan de Christus niet in ons binnenkomen (ibid.). Hoewel dit pas in het 4e millennium algemeen menselijk zal worden, bereiden dergelijke ontwikkelingen zich al voor. Men kan hieruit de veranderlijkheid, de veelzijdigheid en het leervermogen van R. Steiner begrijpen. Hij leerde van andere mensen in een veel grotere mate dan voor ons mogelijk is.

Hartelijke kerstgroeten,
Friedwart Husemann

Originele (Duitse) tekst:

Rudolf Steiners Wiener Jahre

Rundbrief zur Anthroposophie

Liebe Freunde

Inzwischen erschien von Martina Maria Sam „Rudolf Steiner – die Wiener Jahre 1884 -1890“, Dornach, 2021, 536 Seiten, € 50,00. Von derselben Autorin erschien 2018 der erste Band über „Rudolf Steiner – Kindheit und Jugend“. Auf beide Werke werde ich in meinen Rundbriefen noch mehrfach zurückkommen. Mein zusammenfassendes Urteil über Frau Sams Arbeiten: eine ganz andere Stufe der Biographik als bisher. Frau Sam beseitigt den Mehltau, den Christoph Lindenberg teilweise und Helmut Zander vollständig über R. Steiners Leben gelegt haben.  

Es gibt vielleicht nichts Interessanteres als die Biografie Rudolf Steiners. Wie er schon als kleiner Junge im Stationsbüro seines Vaters das Telegraphieren lernte, also das Morsealphabet von Kindertagen an selbstverständlich handhaben konnte. Wie er als Realschüler und Student der Technischen Hochschule gerade nicht in eine literarische, humanistische, philosophische oder religiöse Richtung erzogen und ausgebildet worden ist, in der er später hauptsächlich tätig war. Und vor allem: welche allerverschiedensten Menschen er kennenlernte, wie er mit ihnen befreundet war, wie er sie liebte. Dann aber später einen Weg ging, der von seinen damaligen Freunden nicht verstanden worden ist. 

Nehmen wir als Beispiel Marie Eugenie delle Grazie (1864 – 1931, siehe das Foto oben). Steiners Lehrer K. J. Schröer war zunächst von ihr begeistert, später distanzierte er sich wegen ihrer pessimistischen Grundhaltung. R. Steiner schrieb ein Sendschreiben an die Dichterin „Die Natur und unsere Ideale“ (GA 30, S. 237 ff.), das er später als „Urzelle seiner Philosophie der Freiheit“ bezeichnete. Den Pessimismus lehnte Steiner ab, die künstlerische Kraft, mit welcher dieser Pessimismus gestaltet wurde, den bewunderte er. Schröer war von Steiners Text enttäuscht und sagte zu ihm, wenn er so über den Pessimismus schreibe, dann hätten sie sich nie verstanden (GA 28, Kap. VII). R. Steiner war betroffen. Es ging damals ein „wirklicher Riss“ durch sein Gefühlsleben (ebenda). Auf der einen Seite dieses Risses sein geliebter Lehrer Schröer, auf der anderen Seite der Kreis um Marie Eugenie delle Grazie, wo er sich trotz der inhaltlichen Gegensätze menschlich so wohlfühlte. Es folgten mehrere Feuilletons, die R. Steiner über die Dichterin schrieb. Sie bedankte sich jeweils sehr herzlich. Um die Jahrhundertwende, als R. Steiner schon in Berlin war, schrieb Marie Eugenie delle Grazie an R. Steiner über dessen neuesten Artikel, sie sähe sich durch seine Worte wie in einem Spiegel, so treffend seien sie. Dann kam kurz darauf R. Steiners theosophische Zeit, und Marie Eugenie delle Grazie war mehr als irritiert. Sie schrieb 1904 die Komödie „Narren der Liebe“, wo ein gewisser Dr. Benno Randolph vorkommt, mit dem sie R. Steiner persiflierte. Steiner blieb ein Verehrer von delle Grazies Dichtungen, rezitierte ihre Werke in der Arbeiterbildungsschule und ließ ihre Texte später auch von Marie Steiner deklamieren. Den „Aufruf an das deutsche Volk und an die Kulturwelt“ (1919) unterschrieb delle Grazie. Dann kam 1924/25 die Artikelserie „Mein Lebensgang“, wo R. Steiner den Kreis um delle Grazie ausführlich beschrieb und ihn als „Stätte des Anti-Goetheanismus“ bezeichnete. Darüber war delle Grazie enttäuscht. Sie schrieb an C. S. Picht, dass sie gerade damals doch jeden Abend ein Goethe Gedicht gelesen habe. R. Steiner meinte aber mit Goetheanismus nicht den Dichter von „Füllest wieder Busch und Tal…“, sondern den Goethe, aus dessen Denkweise sich so etwas wie die Anthroposophie entwickeln konnte. Eben diese Goethe`sche Methode war es, die im Kreis um delle Grazie abgelehnt wurde. 

Die genannten Enttäuschungen und Risse kann man verstehen, wenn man sich in die beteiligten Persönlichkeiten und deren Denkweise versetzt. R. Steiners Weg und seine Geistesfreiheit, Toleranz und vor allem seine Liebefähigkeit waren für seine Freunde eine Herausforderung, vielleicht auch eine Überforderung. Ähnlich wie bei delle Grazie war es bei Rosa Mayreder, bei Moritz Zitter, bei Hermann Bahr, bei Friedrich Eckstein und teilweise auch bei den Söhnen der Familie Specht.

So wie mit seinen Freunden, so war es auch mit den Denkern und Forschern, mit denen R. Steiner sich identifizierte, es waren Menschen mit so grundverschiedenen Ansichten wie: Thomas von Aquin, Goethe, Max Stirner, Eduard von Hartmann, Franz Brentano, Friedrich Nietzsche und Ernst Haeckel. Sicher ist, dass R. Steiner selbst aus all diesen Identifikationen und vielseitigen Freundschaften den größten Gewinn gezogen hat und zeitlebens dafür sehr dankbar war.

Was lag hier vor? R. Steiners Leben war ein Leben der künftigen Epoche. In Zukunft (im 6. nachatlantischen Zeitraum) wird nämlich jeder andere Mensch, dem wir begegnen, mehr mit unserem Ich zu tun haben als wir selbst: „Das Sonderbare wird eintreten, dass jeder andere, der uns begegnet und der etwas mit uns zu tun hat, mehr mit unserem Ich zu tun haben wird als dasjenige, was da in der Haut eingeschlossen wird. So steuert der Mensch auf das soziale Zeitalter zu…“ (GA 187, 27.12.1918). Dasselbe christologisch gesagt: ohne dass unser Ich eine solche „Hohlform“ wird, kann der Christus nicht in uns einziehen (ebenda). Das wird zwar erst im 4. Jahrtausend allgemein menschlich, aber solche Entwicklungen bereiten sich vor. Man kann dadurch R. Steiners Wandelbarkeit, Vielseitigkeit und Lernfähigkeit verstehen. Er lernte in viel höherem Maße von anderen Menschen als uns das möglich ist. 

Herzlich Ihr Friedwart Husemann